Categorie Archieven: De Dolende Man

De Dolende Man

Onderstaand De Dolende Man, het filosofisch getinte reisboek (toe maar) van mijn hand dat in 2008 bij uitgeverij IJzer verscheen.

Het boek is te zwaar van toon, zegt de een. Goed geschreven maar ‘romantechnisch’ slecht vindt de ander. Een enkeling leest het twee keer.

Is betrokkenheid uit de mode? Beschikt De Dolende Man over literaire kwaliteit? Is het een goed boek? Natuurlijk zeg ik ‘ja’. Feit is dat de aandacht  wegebde voor er één recensie verscheen. Pijnlijk? Ja. Laat ik het boek in alle nederigheid ‘afwijkend’ noemen, interessant voor de liefhebber. Misschien bent u dat.
De liefhebber kan contact opnemen, dan stuur ik het boek toe.

DE DOLENDE MAN

Inleiding
Neem de man het dolen niet kwalijk. Herken de zoektocht naar het antwoord op teveel leed voor te velen. Luister met hem naar het huilen van moeder aarde. Volg hem in het ontrafelen van valse antwoorden. En deel als u wilt de uiteindelijke stilte.

Vergeef mij de ikfiguur. De inkijk in zijn ziel? Neem het voor lief, zie het als de bedding van zijn ijdele, wanhopige, (hoog)moedige, maar noodzakelijke poging om de tijd te duiden vanuit één beperkt mensenhoofd.

Lees bovenal het verlangen om in woorden te vangen wat deze dagen zoveel harten moe en zwaar maakt. De ‘ik’ wil een stem geven aan het zoeken, het vragen, het wroeten, het wakker liggen, de wanhoop, de woede om de gang van zaken.

Hoe samen te leven? Op basis van gelijkheid? Op basis van het recht der sterkste? Op basis van Gods woord? Volg de ‘ik’ op zijn tocht langs vermeende antwoorden. Ga met hem van Cuba naar het Vrije Westen naar Rome, naar Jeruzalem, naar dat koude donkere bos, naar het Huis der Liefde.

Hoe gaat dat als alle varkens gelijk zijn? Dan maar onze ‘vrijheid blijheid’? En al die ‘vluchtwegen’ dan? Ik ga ze met u. Tot de grootste ‘vlucht’, die van alle tijden is, die in God en gebod.

Nee, een hapklare romantische brok wil dit boek niet zijn. Een streven naar ‘schoonheid en troost’ kent de dolende niet. Niets verzinnen. Alleen maar kijken en de vraag stellen waarom we ons altijd weer openhalen aan de rauwe werkelijkheid.

Geen roman, geen verzonnen personages, geen verhaallijn, maar een pamflet heeft u handen. De ‘ik’ van dit boek wil iets gezegd hebben. Hij gelooft in ‘en toch’ en wil de wrede stroom een millimeter verleggen. Hij mag van zichzelf niet anders, want de nood is hoog en de tijd dringt. Daarom wil hij in één lange stroom fragmenten met woorden duiden waarom het ‘verhaal’ van veel mensenlevens voortijdig eindigt, een overdaad aan zwarte hoofdstukken telt en zo zelden een ‘gelukkig einde’ kent. Zijn eigen kleine vermetele bijdrage.
Vervloek zo u wilt de ikfiguur om zijn zucht tot afbraak. Maar omhels zo u wilt zijn herkenbare drang naar verklaren, naar zingeving.
Een kaptocht door het woud der strohalmen, een schotschrift tegen de liefdeloze manier waarop we met elkaar, de dieren en de aarde omgaan, dat wil dit boek zijn.

Eindigt de ‘ik’ met lege handen? En u als lezer, als ander?

Theo Bakker

Deel I

ALLE VARKENS GELIJK?

Struisvogeltoerisme
“Beroep?” “Leraar”. Geen moeite met liegen. Kan haar gezicht nog uit de plooi? Bestaat er ook een lieve uitgave van deze vrouw achter het loket van de douane? Het haar gekleurd, maar mannelijk strak naar achter. Ogen die proberen te zeggen dat ze het liefst alleen mijn geld zou binnenlaten. “U verblijft niet in een hotel.” “Nee, in een Casa Particular in Centro Habana, adres staat op mijn visum.” “Dus u bent hier eerder geweest?” “Niet dat ik weet.” Schouderophalend geeft ze zich over.

‘Met de laptop kun je gelazer krijgen’, las ik. ‘Als je niet wilt dat van begin tot eind je gangen gevolgd worden, zeg dan dat schrijven jouw hobby is.’ Willen schrijven, ja. Hobby, nee. Zo kun je het altijd weer met woorden reinigen van de wond niet noemen. Met potlood en gum lukt dat minder. Blind, digitaal en snel moet het gebeuren.

Ik maak me zorgen om niks. Is de scan nog te onbeholpen, of leest de man erachter in die ene blik die hij over mijn gezicht laat glijden dat er geen contrarevolutionair in mij schuil gaat?

“Wil je naar Havana? We brengen je waar je wezen wilt. Geen probleem en het kost maar dertig convertible pesos, CUC’s.” Een taxi zou tachtig zijn, er toch vijftig verdiend. De vrouw dertig naar blijkt. Ik beland in een bus met gasten van een Nederlandse touroperator. Met gids. Hij praat de hele rit van Varadero naar Havana vol. Als we onderweg stoppen bij de hoogste brug van Cuba drink ik Cuba Libre. Deze vrijheid drinkt goed weg. Maar te vroeg is het nog voor cynisme.

Daar loop ik, beladen met een rugzak, zeulend met een koffer, door de Calle Espada. De koffer zou kunnen rijden als ook maar één stukje straat geen gelijkenis zou vertonen met het maanoppervlak. Niet opzij kijken, geen aanstoot geven. Het herinnert me aan het eerste avondlijke ommetje dat ik ooit maakte door het centrum van Delhi. Hetzelfde verlangen naar beschutting speelde toen.

Mannen in alle kleuren en maten, sjofel gekleed, luidruchtig door de alcohol, hangen in deuropeningen. Muziek schalt vrolijk, in contrast met de huizen waaruit zij ontsnapt. Daar is niets vrolijks aan, dat zie ik vanuit mijn ooghoeken maar al te goed. Stel je een wijk voor waarin gedurende een slopende stadsguerrilla lang en hard gevochten is en je hebt mijn eerste indruk van Centro op het netvlies. “You, Yankee?” De dunne, lange man die het vraagt, zal met een leven lang werken nog geen fractie bij elkaar krijgen van wat ik meetors. “No, no, Hollanda.” “You want girl?”
Gelukkig vangt Maria me op straat al op. Zij spreekt geen Engels, ik geen Spaans, dat komt slecht uit. Vol hoop sjouw ik mijn handel driehoog. Als Casa Maria gelijke tred houdt met de straat, met het versleten portaal, moet ik afhaken. Zal het een plek zijn waar te schrijven valt, te reinigen, te helen? Stil genoeg? Bed? Douche? Keuken?
Allemaal goed. Ik voel me als een kind met een winnend plakplaatje.

Maria wil geld vooraf. Maria waarschuwt. “Neem ‘s avonds een taxi en laat je voor de deur afzetten.” Dat wuif ik weg. Een uur later wordt, als ik op weg ben naar mijn eerste particuliere eethuis, bijna mijn rugzak uit mijn handen gerukt door twee zwarte jongens. Ik ben in Havana. Maria had gelijk. Ik wou dat er een agent in de buurt was, de tijd van ‘every cop is a criminal’ ligt tenslotte achter me.

Een witte man runt de paladar en vraagt teveel voor te slecht eten.
Terug toch maar de taxi. Voor twee straten verder. “Eén convertible”, klinkt het beschroomd. “Hoe laat ben je begonnen vanmorgen?” Ongeveer op het moment dat ik nog moest beginnen aan mijn vlucht.
Ik zoek en probeer. Eerst de sleutel vinden van het appartementencomplex, wat een deftig woord is voor de drie lagen flats die haveloos tegen elkaar aanhangen. Dan die van het traliehekwerk voor deur 3C en daarna die voor de deur zelf. Ik mag in het land der gelijkheid zijn, van het eerlijk delen, van dezelfde rechten en plichten voor een ieder, het is blijkbaar raadzaam jouw gelijke bezit van drie sloten te voorzien.

Vanaf mijn balkon hoor ik dat de miljoenenstad Havana op een enkele uitgaansgelegenheid na snel slapen gaat. Her en der dient de staatstelevisie nog als enige verlichting, verder regeert de nacht en zie je niet wat overdag onooglijk is.

Waar ben ik? Waarom zo ver weg van wat mij lief is? Ik voel me verdwaald. Zelfverkozen eenzaamheid in het land van de maakbare mens. Wat wil ik hier? Het is warm, ook tegen middernacht. Ik lurk aan mijn eerste Cubaanse sigaar en moet moeite doen mezelf te plaatsen. Nog niet genoeg gezien? Van waar naar waar heb ik het lijf al niet verplaatst. Onrust. Zoeken. Altijd andere, uiteindelijk altijd eendere culturen gevonden. Wie reist kan verhalen? Ja, dat het klopt van die Dapperstraat. Maar ik zit hier domweg in Havana.

Niets is nieuw, ook niet dat gevoel de weg kwijt te zijn. Kun je verdwalen in één straat, alleen in die Dapperstraat? Ik moet het niet te moeilijk maken, niet eerst lang vinden eraan toe te zijn en dan met het mes binnen handbereik twijfelen aan het opensnijden. Het moet gebeuren.
Op het balkon schuin tegenover mij zet een hangbuikige man zijn vrouw voorover. Weten ze dat ik kijk? Windt dat op? Ik kijk weg, naar binnen.

Ik zie een jongen die wankel zijn weg zoekt. Die op een dag ontdekt dat hij God dood mag denken. Nóg herinner ik me die sensatie. Geen lef, geen slootje springer, altijd de man van een taxi voor twee straten verder, maar als het op kapot denken aankwam genadeloos.

Het voelde goed om die rimram van het niet bijten op de hostie, van het je aftrekken op moeten biechten bij het vuil te zetten. Vrij, vrij, verven met de voeten op schoolweek. En aan het eind van de ‘werkweek’ een poster kopen van de man die hier in Cuba als een heilige wordt vereerd, Che Guevara.

Die sensatie van het ‘vrij denken’ duurde maar even. Die van Che niet veel langer. Geen draad werd niet los gehaald. Tot het hemd uiteen lag. Daar stond ik. Geen bescherming tegen de kou der doelloosheid. En nu zit ik op mijn balkon in Centro Habana, ouder, veel ouder en, jawel, soms een tikkeltje wijzer. Nee, niet stakkerig wijs. Of dat zou garant moeten staan voor niet bang meer zijn in het donker. Hoe lang geleden is het al niet dat ik schreef zeker te houden van die moedige lui die nooit iets zeker zullen weten. Ik weet niets.

Maar de hunkering is gebleven. Naar een antwoord. Dat we weten hoe het zit, hoe het moet. Ik zal even in de twintig zijn geweest toen ik ooit voor in een schrift schreef: ‘Ik ga hier uiteen zetten waarom de mens lijdt en wat daaraan gedaan moet worden.’ Veel verder ben ik niet gekomen. Toen niet en in al die jaren niet. Mijn reis duurt en duurt en nu zit ik in Cuba. Hoe gaat het dan als het antwoord luidt dat er geen God nodig is, want dat de mens zich de hemel op aarde kan bezorgen door alle mensen even veel varken te achten? Hoe gaat het hier?

Dat van die kou der doelloosheid moet niet te luchtig genomen worden. Het schrijnt. Het went nooit. Wie herkent daar niet wat in? Al dat ploeteren. Zie hoe er gevlucht wordt. In Waarheid, in God, in zijn gebod, in genot, in het afkopen van schuld door van alle overvloed een fractie af te staan. Kijk er de kranten op na en tel alle uitwegen op. Van de terugkeer van de persoonlijke god tot een vaag ietsisme, van een oranje goeroebad tot het aanbidden van getallen, van geest verruimen tot geest doden, van achter de navel staren tot antidepressiva. Duizend-en-een vluchtwegen hebben we gezocht sinds we ieder voor zich en niemand voor ons allen kompasloos door de dagen struikelen. Slechts een enkeling houdt halt, staart in het duister en aanschouwt de uiteengeslagen optocht der zoekenden, ieder uniek en eenzaam. En wie dat ziet, huilt als een hond in de nacht.

Dat van dat dwalen en die kou en die hond in de nacht, nou en? Ik neem nog een bier, nuttig chips en weet dat een bed wacht waarin ik pas. In de badkamer ligt de meegenomen apotheek. Je moet voorbereid zijn. In de toilettas een dure geur, een tweede horloge ter variatie en nog veel meer. Ik hoef geen angst te hebben de komende weken honger te lijden. In de beurs een credit card. En helemaal verstoken van contact ben ik ook al niet. Eén druk op de toets en ‘thuis’ hangt aan de mobiele telefoon.

En toch, de twee mooiste woorden ooit. En toch is er in weerwil van alle doelloosheid mijn liefde voor de regelneef, voor de man die de golven op hun beurt wijst, die er maar geen vrede mee kan hebben dat de een zonder vragen, zonder mededogen de ander overspoelt.

Het is te gemakkelijk om aan te komen met het stoffelijke, dat ik geen recht tot klagen heb. Want de wond is nooit geheeld. Ik lig in bad, warm, veilig, aan niets ontbreekt het mij, maar altijd die koude wind die door het hoofd giert. Een wind die aanwakkerde na het wegdoen van de gelovige wandelstok en die nooit meer is gaan liggen. Was de keuze niet meedogenloos genoeg? Heb ik de kern er niet uitgeramd? Is dat ene punt blijven rotten, woekeren, gisten, namelijk dat het lijden, het verdriet van de ander mij aangaat? Kent u die wind? Welke wandelstok houdt u op de been?

‘Als je dan toch moet vallen, jongen, laat het in zacht gras zijn’, voegt de moeder haar zoon toe. Zij zal hem niet meer terug zien. Hij viel niet in zacht gras, maar werd uiteen gereten en vervloekte alles en iedereen, behalve moeder. Kan daar wat aan gedaan?

Intussen is Havana definitief in slaap gesukkeld, bijkomend van weer een dag overleven. Dik twee miljoen Habaneros liggen nu te bed. Zou hier echt zo vaak de daad worden gepleegd? Het schijnt zelfs op straat te gebeuren, maar dat zal voor de toeristen zijn. Moet je durven, eerst neuken, toeschouwers dulden en dan met de pet rond gaan. Ook een manier om je brood bijeen te vogelen. Maar in ernst: hoe tevreden heeft de meerderheid de verstorven dag afgesloten? Of is er geen tijd en puf meer voor optellen en aftrekken, laat staan voor contemplatie? Je laat het wel uit je hoofd als je avond na avond in het rood eindigt. En de dichters dan, de denkers, de kunstenaars, die enkele bevlogenen, die ook liefst de golfslag anders zouden regelen, maken die wel de balans op en zijn die ook koud van hoofd?

En dat de pijn voor altijd ondeelbaar is. Ik zat als puber in de trein van Amsterdam naar Leiden toen het doordrong. Geen uitweg. Opgesloten voor goed in jezelf. Waar zat u? We zaten allemaal ergens toen we beseften dat het hek om ons heen zelfs geen doorgeefluik kent. Zo voelde dat toen. Een hoofd vol hoogspanning. Angst om de controle te verliezen. ‘Ze vloog van links naar rechts door het restaurant, alleen plat spuiten hielp. Hij deed dat maar zelf.’ Anderen hielden er mee op. Ach, jongen, ach jongen, en ik hield van je, en waarom wij wél verder? Naar welk moment gaan uw gedachten terug wanneer u de teugels los laat? Maar het went.

Neem het niet te zwaar, zegt u. Maak het gezellig in je eigen kleine kringetje. Jawel, goed gesproken, doe ik, ik beloof beterschap. Maar houdt dat de hond in ons koest? Is dat voldoende? Zei de ene jood tegen de ander: ‘Laten we het hier gezellig maken, nu we toch onder elkaar zijn in deze wagon?’

De maan verhult zacht de staat van ontbinding waarin de huizenblokken tegenover mijn Casa zich bevinden. Een vaag schijnsel valt door een raamloos venster naar buiten. Een hok op dak. Wie leeft daar? Is zijn situatie de slotsom van teveel kameraden die het in hun kringetje niet gezellig genoeg gemaakt hebben?

Wel eens een kind zien huilen dat zich in de pubertijd realiseert wat de gaskamers inhielden? Had u een antwoord? Nee, geen smoes, geen doekje voor het bloeden, kon u het uitleggen, viel de wond te dichten? En waarmee dan, met welke stoplap? Welke strohalm verkocht u als gouden korenaar? Leugenaar, er is geen verklaren. Er bestaat geen enkele manier om uit te komen op ‘het was een incident in onze geschiedenis, neem het niet te zwaar op.’ Het waren zes miljoen ‘incidenten’ en ik kan er moeiteloos nog tientallen miljoenen bij verzinnen en die vormen samen het failliet, telkens weer, gisteren, vandaag, morgen, van onze beschaving, van ons kringetje.

U merkt wel, een vrolijk opgedist reisverhaal over Cuba wordt dit niet. Het land beschrijven? Feiten, cijfers, meningen? Drie weken zijn te weinig om ook maar enigszins compleet of foutloos te zijn, maar wél genoeg om te zien hoe het gaat, genoeg om te passen in mijn doel. Cuba beschrijven is bovendien al goed genoeg gebeurd. Het wordt een tour aan mijn hand en ik heb geen zin in struisvogeltoerisme, dat zeg ik er alvast bij.

Deet voor de insecten, pillen voor de poeperij, pijnstillers, drukverband, pleisters, ik heb het allemaal bij me, maar de wond van alle ‘incidenten’, van ons bankroet laat zich niet afdekken. Die moet juist open gesneden, schoongebrand. Kan dat?

Die losse draden zijn onvermijdelijk. Ik heb me het hemd van het lijf gevraagd. Geen redenering bleek steekhoudend. Elk woord gelogen. ‘Kom mij niet aan met fout en goed, zeg mij nou niet hoe ik leven moet, want jouw waarheid is de mijne niet en waar jij om lacht, doet mij verdriet.’ Veel veranderd is er niet.

Fileren, ontmaskeren, wegzetten als Heilig Bedrog, als dwaas idealisme, ik bedoel, hoe verheven de Boodschap ook is verwoord, hoe vurig beleden, nooit is het meer dan een holle schreeuw, een dwaze leugen in de ijzige stilte. Ik wil de stemmen doen staken. De Babylonische spraakverwarring is van alle tijden, een ieder schreeuwt maar door elkaar, daar moet een eind aan gemaakt worden.

Hier in Cuba heet De Smoes weer anders. Let op, Chef, Almachtige Buikspreker van broerlief, je zult eindigen als een keizer zonder kleren. Ook die ontleed ik tot op de draad. Zoals Che ooit met een kleine 50 man naar Bolivia trok om daar te sterven voor God weet welke Leugen, zo zal ik hier niet ten onder gaan. Geen ‘tegenrevolutie’ als weer een andere smoes om te doden en onderdrukken. Ik zit op mijn balkon en ben ongewapend. Mijn mes is geweldloos, dat van het woord. Ter heling ben ik hier. En ter ontluistering. Zo gammel als deze huizen, zo gammel zal jouw verweer zijn. Kansloos ben je.

Als taal leugen is, als alle ellende uit het woord geboren wordt, hoe moet je haar dan gebruiken in de tegenaanval. Lang restte het zwijgen. Als er niets te zeggen valt, wat dan nog te zeggen? Schaakmat door de taal, geen verweer meer. Waar vind je nog een rechtvaardiging voor een bijdrage aan de verwarring. En als je wat zegt, dan indikken, uitkleden de taal, tot holle klanken desnoods. Maar de wijze die zwijgt, daar heb ik het mee gehad. Spreken is goud. Als bijdrage om die oneindige reeks ‘incidenten’ in te korten. Laat mij voor regelneef spelen.

Mijn mijmering wordt plots verstoord. In de stille straat schreeuwt een man naar omhoog. Ik loop naar de rand van het balkon.

“Zo, je bent eindelijk gekomen.”

“Zeker was dat niet. Van uitstel was bijna afstel gekomen.”

“Ben je voorbereid? Denk je afstand te kunnen doen?”

“Ik kom om te zoeken, uit te mesten. Waar heb je het over?”

“Wat zoeken? Waarom hier? Terwijl ik al zo lang naast je loop.”

“Je komt te vroeg. Ga. Ik wil je niet zien en jouw verhaal niet horen.”

2

‘Oud Havana’

Aan de kop van de Malecón laat ik me afzetten. Natuurlijk had de taximan niet terug, maar goed, hij moest dan ook ergens bij de pedalen met de hand geheimzinnige, vervaarlijke handelingen verrichten om zijn trots rijdende te houden.

Al veel over gelezen, over Habana Vieja. Dat de oude luister met geld van buitenaf, de Unesco, voor een stukje is opgekalefaterd. Alleen dat al. Als je zo nodig de revolutie wilt prediken en je eigen broek ophouden, zorg er dan op zijn minst voor dat het historische hart van de hoofdstad toonbaar is.

Nu is dat enigszins het geval. Bezoek de kathedraal, het plein ervoor, slenter door de Callo Obispo, maar sla geen zijstraat in, dan kun je zomaar stuiten op een rij Habaneros die voor hun Cubaanse pesos of bonnen een weinig brood kunnen komen halen en die nog maar moeten hopen dat van overheidswege is besloten om vandaag het desem van zout te voorzien. Hemelsbreed nog geen tweehonderd meter verder lunchen toeristen voor minimaal een Cubaans maandloon.

Eerst lokt een markt. Vrije handel. Afdingen moet. Ik kijk maar koop niks, al ligt er best wel moois. Een doofstomme bijt zich in me vast. Laat een briefje zien en wijst op ‘Hollanda’, dat vermurwt.

In de straat naar de Plaza de la Catedral staat een bord met een tekst van de negentiende-eeuwse schrijverfilosoof Félix Varela. ‘Het vaderland is zijn zonen niets verschuldigd, de zonen alles aan ‘la patria’. Een intellectueel (met bril) geeft tekst en uitleg. ‘Het volk maakt het land, dat is de strekking, maar de Leiding vat het helaas anders op.’ Een op een kun je alles zeggen, bovendien oog ik niet als geheim agent.

Op de stoep rookt een oude vrouw in klederdracht een sigaar als een bezemsteel. Hoestend stelt ze voor een betaalde foto te maken. Mijn toestel vergeten, handig. Nou ja, wat had ik gehad? Een buitenkant, een werkkloffie, zoals de boer zich dagelijks in zijn overall hijst. ‘Zou u mij toe willen staan de kille blik van uw ogen vast te leggen? En mag ik een plaatje van het achterste uwer tong?’ Daar zit ze niet voor. Later zie ik haar terug als ze vanuit het niets dansend verschijnt voor rollende camera’s. Die hadden het gemunt op een groepje muzikanten dat naast het terras van El Patio een verworden versie van Buena Vista songs ten beste geeft. Aan de overzijde van het plein het oude postkantoor met een bus als relikwie aan de gevel. Ze zeggen dat daar de post nog in zit die de kolonel nooit kreeg. “Mijn sandwich wordt onbeschoft voor me neergekwakt. Je kunt merken dat er toeristen komen. Eet ik hier de tonijn die me de komende nacht tot waken en braken zal dwingen?

Op de Catedral staat het kruis nog. Dat is er door de revolutie niet afgewaaid, dan deden wij dat met onze ‘beeldenstorm’ heel wat rigoureuzer. De gevel ziet er niet verlokkend uit. Als een grot. Bij deze kerk heb je eerder het gevoel het voorportaal van de hel te betreden dan van de hemel.

Ook binnen is het donker. Niet een plek om Het Licht te zien, zoals dat zo mooi kan in de kathedraal van Malta waar de zonnegod door het glas en lood zelfs de meest verkilde ziel een besef van esthetiek bijbrengt. Verder is de Catedral typisch een kerk. Tot nietigheid en nederigheid dwingende hoge bogen en muren. Alles wél afgebladderd, net als de fresco’s bij het altaar.

Eén beeltenis, die van Maria de Loreto, trekt de aandacht omdat er allemaal kleine speelgoedhuisjes voor liggen. Een vrouw van ruim in de veertig legt het uit. Je offert een huisje – in de meeste steekt een smekende tekst – in de hoop dat jou een eigen huis vergund zal zijn. Nee, haar bede is nog niet verhoord. Met drie kinderen woont ze bij vader en moeder. Op twee kamers.

Biechthokjes te over. Zou je als rechtgeaarde sloeber je dagelijkse ritselen op moeten biechten? Moest dat, dan stond er onafgebroken een rij zo lang als de Malecón, deze zeven kilometer lange boulevard annex zeewering. Nee, was ik de Heer zelve, of, beter, de paus dan vroeg ik er maar één op zijn knieën: Fidel Castro. Hij was hier, in 1998, Johannes Paulus II. ‘Beste Fidel, jij mag ook als je teruggetreden bent nog steeds de eerste mens onder jouw mensen zijn, maar ik ben de vertegenwoordiger van God op aarde. Dat gaat voor. Jij komt te biecht.’ Ach, wat was ik dan graag, voor dat ene geval, in de huid van wijlen de filmsterpaus gekropen. Enfin, komt nog, doe ik het later zelf maar, vanuit mijn verantwoording om wat vals is te ontmaskeren.

De Malecón zou vol lopen met jineteras. Nee, dat zijn geen hoeren, maar vrouwen die overleven door het in bruikleen geven van hun lichaam. Zij horen arm in arm over de wandelpromenade te flaneren met grijze senioren, die hun beurs gevuld weten als de buik. Ik zie alleen een paar vissers. Steentje aan de lijn, met de hand ingooien en binnenhalen. Keer op keer. Oude mannen die de zee niet eens op kunnen.

Ik slenter terug langs een pompeus standbeeld, dat van Máximo Gómez blijkt te zijn, strijder voor de onafhankelijkheid. Dat legt een diender mij uit die tevens verklapt dat er één kamer in het bouwwerk zit en dat daarin, hij fluistert erbij alsof hij een staatsgeheim verklapt, iemand woont. Hij viel blijkbaar in genade bij Maria de L. bedenk ik, voordat de man met pet plots op dreigende toon geld voor alle informatie vraagt. “Mooi verhaal, maar waar is die man dan?” “Hij luncht iedere dag van twaalf tot zes.”

Via wat achterafstraten besluip ik de Calle Obispo. Nuttig. Het oude stadsdeel bestaat uit vergane glorie met de nadruk op vergane. Alles hangt scheef, iedere deur oogt kapot, er staan net als in Centro stukken bouwval die het dynamiet van het opblazen niet waard zijn. Toch wordt iedere bouwval en daarvan elke lekke kamer bewoont.

De Obispo blijkt een soort Kalverstraat in wording. Habana Vieja maakt nog steeds een kalme indruk, vercommercialiseerd is de boel nog niet, maar in deze winkelstraat wordt er in dat opzicht flink de vaart in gezet. Het overal ontbreken van enige vorm van reclame, van enig uithangbord bevalt erg, maar hier nemen de eerste buitenlandse merken er hun voorschot op een lucratieve toekomst. Cuba en Havana worden binnen niet te lange tijd een ‘hot spot’ voor het massatoerisme, vandaar.

Hoe vaak zal de schrijver Ernest Hemingway niet door deze smalle straat geschuifeld zijn, op weg van het hotel waar hij vaak verbleef, Ambos Mundos, naar El Floridita, de bar waar daiquiri hem door de dagen heen moest helpen?

Een jongen in geheel rood, merkshirt, merkbroek, passeert. Het meisje aan zijn arm heeft een tatoeage. Het winkelende publiek ademt het verlangen erbij te horen, te kunnen springen op die trein van voortdenderend materialisme. Die inborst heeft bijna vijftig jaar socialistische scholing er niet uit kunnen rammen.

Ook in het smalle restaurant waar ik een stop maak is de zeven jaar oude rum weer op smaak. Obispo bevestigt, maakt neerslachtig. Die zucht naar hebben, naar altijd meer hebben, die aandacht voor de buitenkant, dat is er van ons geworden. Dan de boord zo, dan anders, en werken tot we van ons bestaan niet meer weten om mee te doen aan dat platte spel dat de mens met zichzelf speelt. ‘Ik ben het zat, ik ben de leugen zat. De een rent zich rot voor waardeloos genot, terwijl de ander zich kapot werkt of half zot.’

Buiten, pal voor het tralieraam, treitert de ene jongen de ander. Hij zal toch wel te horen hebben gekregen dat pesten geen spelletje is? Zal ik naar buiten gaan en hem de littekens tonen. ‘Jij zeggen dat ik vals speel? Kruipen, kreng, op je knieën.’ Tot de nieuwe broek die moeder had gemaakt van een oud pak van vader kapot was en de benen ook. Heelt dat dan niet? Dat heelt nooit. Maar zeg niet, wat erg, wat naar. Een zegen is het om al op jonge leeftijd te weten dat de mens niet deugt, dat hij een wolf is, die, hoe anders de mond ook zal beweren en hoe anders bij een eerste oogopslag zelfs zijn daden lijken, voor het nekschot niet terugdeinst.

Misschien moet ik ‘mens’ vervangen door ‘man’, tenslotte heeft de vrouw nog niet de kans gehad om duizenden jaren de macht te hebben en te misbruiken. Geen idee of krabbelen en vitten en steken onder de gordel en iemand kapot roddelen uiteindelijk ook leidt tot het maken van de atoombom en hem nog gooien ook. Ooit hoorde ik een collega zeggen dat de mensheid een chemische vergissing is. ‘Wel fijn dat hij in twee soorten uiteen is gevallen’, was mijn aanvulling.

De eerste indrukken van Cuba, zo’n oud centrum, de Calle Obispo, hebben nog niet het minste vraagtekentje geplaatst achter ‘de mens als vergissing’. Niet dat het mij en u zal verbazen. We zijn niet gek, ja. De totale mislukking van het communisme in de Sovjet-Unie ken ik. Niet voor weg gelopen. Ook niet meer de aanvechting om als ‘bevlogen, menslievende intellectueel’ toch maar socialistisch te stemmen. Die droom is uit. In aanleg goed? Welzeker. De wagen kan in theorie 320, maar boven de 80 weigert de stuurinrichting. Wie wil die feiten kennen? Wie het ideaal opgeven? Te velen sluiten willens en wetens de ogen. Blijven dromen. Schaf dat tweede huisje dan aan in Siberië, vooral rond de strafkampen zijn ze lekker goedkoop. De geur van de dood die nooit meer is geweken? Gewoon willens en wetens de neus voor sluiten.

Hier in Cuba hebben Fidel Castro en zijn paladijnen nu bijna 50 jaar de kans gehad. En zie. Het kan beter over zijn en niet alleen met deze Smoes. Blijf erbij. Op naar de lege handen.

De man naast me denkt: ‘Wat schrijft die man, waarom kijkt hij niet wat vrolijker, drinkt hij niet wat sneller?’ Ik zit hier ook voor jou, goochem. Je mag niet zeggen wat je wilt, ze hebben je leren lezen, maar het vrije woord is op de bon. De besten vluchten en jij moet maar zien dat je op de grootste markt van Cuba, de zwarte, je kostje bij elkaar scharrelt. Drinken, ja drinken, o.k., misschien moeten we drinken, verdoven, maar eerst wil ik alle klootzakken een schop geven. Dat is mijn lol, mag dat? Hij vraagt waar mijn woede vandaan komt. Heb je een dag, een jaar? Laat ik het houden bij die kapotte knieën en die zes miljoen joden. Genoeg?

Goochem vroeg niks, hij zit te swingen op zijn stoel. En verdomd, terwijl de ene hand van zich af schrijft, trommelt de ander onwillekeurig. De band die voor in de pijpenla speelt, doet dat goed. Dat had Maarten goed gezien met zijn ‘God?, muziek is mijn God.’ De vier mannen spelen los en tegelijk strak, zo’n beetje als de ideale relatie zou moeten zijn. Ieder zijn eigen ritme en toch een geheel vormend dat meer is dan de som der delen. Ik kom op dreef. De slepende salsa-uitvoering van Hotel California bezorgt een geluksmoment, jawel. De bedelaar buiten ruikt dat en steekt uitgerekend nu zijn hand door de tralies. Hij laat zich daarna door een man in uniform niet verjagen en blijft zitten, liggen tegen de ijzeren stangen. Hij is buiten en toch gevangen. In armoe.

Verderop in de straat is de gerestaureerde, fraaie, oude apotheek alweer uitgebrand. Past beter in het stadsbeeld. Drogueria, drugs, verdoven, de pijn stillen, gif mengen. Het zal de Habaneros een zorg zijn geweest. In hun apotheken is zelfs het hoognodige soms niet voorhanden. Dat ligt in de internationale versies, waar alleen de melkkoe, de Westerse toerist, terecht kan. En als Cubaan als je een goede handelaar bent, een sterke overlever.

Op de Plaza de Armas is het Palacio de los Capitanes Generales al om kwart over vijf gesloten, terwijl het tot zes uur open is. Mijn verzoek om toch rondgeleid te worden, leidt tot een groepsdiscussie die een hernieuwd ‘nee’ oplevert. Uitleg? Geen uitleg. Dan niet. Wat kan mij dat paleis schelen. Stel het open voor de sloebers, vanuit socialistisch oogpunt, zou ik zeggen. Maar zo werkt dat niet. Kijk, je hebt die Maria de Lorento, maar boven haar staat nog de vorst, de generaal, de klootzak. Die bidt niet om een huisje, die laat zich door sloeberman een paleis bouwen en weet zich aanbeden.

Hier de Biblioteca Pedagógico. Geen mensen. Daar het internetcafé. Drukte. Ik sla maar even een zijstraat in en word aangeklampt door een schoenpoetser. Terwijl ik Jezussandalen draag, u weet wel, van dat ergonomisch verantwoorde schoeisel waarmee je als je er erg in gelooft over water kunt lopen. ‘Gaat henen en gaat hielen likken, daarmee zult gij het verder schoppen dan met schoenen poetsen’, voeg ik hem opbeurend toe.

Het hotel ziet er ruim en relaxt en stijlvol uit. Toch verkaste Hemingway van hotel Ambos Mundos op den duur naar een stek elders. Te druk vond vrouwlief het in Havana. Je kunt macho zijn, dat wil niet zeggen dat je zelf uitmaakt waar je bed staat. Nu is het er kalm, althans naar de maatstaven van 2006. Maar er zit wel een Amerikaans gezelschap aan mijn tafel. Dat snerpen, dat brullen, die kauwgom, dat altijd maar denken dat je verbaal de ruimte in beslag mag nemen, mag binnenvallen, mag bombarderen met jouw namaak, met jouw divanvocabulaire, het stoort en stoorde altijd.

Ik moet denken aan Skeeter. Twee weken reden we samen in de bus door de Himalaya. Twee weken lang geteisterd met ‘where did you buy this, where did you buy that, what did you pay for it, oh, I was paying less.’ Dát kon ik, toen al op zoek, als vitale en veerkrachtige wereldreiziger van even in de twintig nog net verdragen, niet dat hij arriverend in Katmandu bij het eerste stoplicht plotsklaps uit de bus sprong. John, ook Amerikaan – je hebt ‘good and bad guys everywhere’ – schreeuwde hem na: ‘Come back, you Skeeter.’ “Wat doet-ie, waar gaat-ie heen?” “Voor hem en zijn vriendin alvast een kamer boeken. Hij wil ons, de bus, voor zijn.”

En ook doemt die mooie treinreis van Jakarta naar Bandung op. Rijstvelden, kampongs, zo was het altijd en zo is het goed. Maar bij aankomst op Bandung stuitte ik op KFC. Al tweeduizend jaar en langer kunnen ze in Indonesië eten bereiden op een manier die de gebakken kip uit Kentucky tot vreetvoer maakt, maar de wereld zal veroverd.

Ik verkas, ga aan een andere tafel zitten.

De taxi terug pak ik in de buurt van het bewoonde standbeeld. Zou zijn bewoner uitgeluncht zijn? Inderdaad opvallend dat er standbeelden staan van tal van helden uit de geschiedenis van Cuba, dichters, schrijvers, filosofen, veldheren, revolutionairen, maar geen enkel van Fidel Castro. Staat goed beschreven in de Ritselaars van Havana – fraai boek van Edwin Koopman, waaraan ik schatplichtig ben. Castro gelooft niet in persoonsverheerlijking. Hoe anders Kim Il Sung, de wijlen ‘idealistisch’ leider van het niet zo ideale, hermetisch gesloten Noord-Korea, waar ik ooit mocht vertoeven. Die was alom, Kim was God op aarde. “Waar zingen die kinderen in de commune over?” “Over de Grote Leider” “En nu?” “Over zijn geboortedorp.” En zo door.

Wél is de tronie van Fidel, pratend, uitleggend, beïnvloedend, vaak op de buis. Kijk, een beeld kun je vroeger of later neerhalen, maar wie gooit er een steen door het beeld van zijn televisie?

Terug in mijn Casa komt van schrijven niets meer. Het borrelen heeft zijn aanvang genomen. Het moet eruit, de rottigheid, die zin levert het tenminste nog op.

3

Diep vallen in Havana

Alleen een broek had hij aan. Klein, tanig, bruin lijf, een gegroefd gezicht, grijs haar en boze ogen. Hij stond achter de tralies, pal naast de deur die toegang geeft tot mijn huis. Ik had hem niet gezien en schrok. Wat stond hij daar, na middernacht in de verder verlaten straat te turen? Hard, verbeten staarde hij voor zich uit. Zag hij mij, mijn schrik? Deed hem dat deugd, dat de zaterdag hem toch nog iets had gebracht? Mijn groet beantwoordde hij niet.

Zondag, inspectiedag. Hij staat er nog steeds en groet opnieuw niet terug. Jouw probleem, joh. De ochtend is toch met iets als rust begonnen. Gaat die enkele voorbijganger naar de kerk? Dat mag namelijk weer. Sinds de paus er was durven katholieken hun houvast als vanouds te belijden. Maria bracht zelfs een palmpasenblad mee, vouwde dat als kruis en bevestigde het aan de deur. Ik vertrouw toch maar meer op het dubbele slot. Palmpasen. Zou Fidel ook op een ezel Havana binnengetrokken zijn?

Stadsschouw. Kuilen door de hele buurt. Her en der putdeksels die er niet zijn. Je kunt diep vallen in deze stad. Huizen die elkaar stutten. Zelden een venster mét ruit. Kapotte sponningen, afgebladderde deuren en kozijnen, her en der nog een plek die verraadt dat de verfkwast er ooit overheen ging. Kaal, de boel is kaal. De muren zijn ooit gesaust, niemand weet meer in welke kleur. De kleur van de revolutie is bijna overal verweerd grijs. Hun weinige geld kunnen de Habaneros wel beter gebruiken dan voor decorum. Je werkt voor de staat en met de luttele pesos die je krijgt kun je maar één ding doen: overleven.

Alles ademt kunst en vliegwerk. De boel wordt aan elkaar gebonden. Overal draden, bovengronds uiteraard, met knopen, aftakkingen, bij bossen tegelijk. Toch hoor je in veel kale kamers televisies loeihard aanstaan en telefoons rinkelen.

De straten worden opgefleurd door de befaamde oldtimers met hun hemelse kleuren. Zij verbeelden de stad perfect. Oud, rammelend, verroest, rijp voor het museum, maar fleurig en rijden.

Ook de taxi’s zouden zelfs in Oost-Europa al niet meer te slijten zijn. Soms zie je aan de auto dat hij een hoger varken toebehoort. De fietsriksja’s worden bereden door de minsten der kameraden. Eén klein verzetje en je daarop dag en nacht naar een kale boterham trappen. Misschien voelt de stoemper zich wel helemaal geen eenzame fietser, maar prijst hij zijn lot boven dat van de man die met een kruiwagen  – vol lekker fruit, dat wel – al ventend door de straten trekt. En dan heb je in het straatbeeld ook nog de vermagerde trekpaarden en honden, maar die weten van hun lijden niet af, dat telt niet.

Het zijn geen sloppen, Vieja, Centro en ook Marianao niet, het stadsdeel dat nog meer ‘uitgewoond’  zou zijn en waar ik straks ga checken of het ‘no go’ advies terecht is. Anderzijds: de Bijlmer zou in Havana – Vedado en Miramar misschien daargelaten – een geroemd toonbeeld van welvaart en architectonische hoogstand zijn. ‘Kijk eens hoe prima de mensen wonen’ zou de Leider zeggen.

Toch, huizen zijn maar omhulsels, holen. Verf is maar schmink. Het is niet gezegd dat je in een razende achtbaan zoveel beter af bent dan in de goede, oude draai molen. Er is water, er is elektriciteit, op een enkele stroomuitval na, een dak, doodvriezen doet niemand, en als je eenmaal slaapt zal het je een zorg zijn dat je dat met zijn vieren in één kleine kamer doet. Helemaal zeker ben ik daar niet van.

Bij mijn wijkkeuring hoort ook een beeld van de ‘holbewoner’. Die zit er vaak niet in maar voor. Op de stoep, op een schommelstoel, of hij hangt tegen de muur. Hoe dan ook, hij is in gesprek. Midden op werkdagen hangen mannen werkeloos rond op straat. In afwachting van? Ze staan daar maar zo’n beetje, kankeren voorzichtig op het systeem, want je weet nooit wie vriend of vijand is. Maar gelachen wordt er ook veel. Midden op de middag is er rum, soms een sigaar, altijd muziek.

Hij waarschuwt niet, de taxichauffeur. Zegt niet dat ik het stadsdeel Marianao op eigen risico ga betreden, zoals me dat gebeurde aan de rand van de Bronx. ‘Het leven zat, meneer’, voegde de cop in New York me toe toen ik dacht dat ik het noodlot wel kon tarten. Je moet toch ergens ooit één keer heldhaftig zijn.

Hopen vuil op de hoeken van de straten zie ik niet. Niemand die ‘je geld of je leven’ roept. Zwartman zit voor zijn deur en verbaast zich hoogstens over mijn wandeltocht door zijn ‘no way out’ wijk. Dan is een uurtje struinen door de voorsteden, zeg maar voorsloppen, van Calcutta andere koek. Dat benauwde. Te hemeltergend. Dit valt mee. Alles gammel, aangevreten door de tand des tijds, maar bij veel casa’s wappert een trotse was. Wat je hebt, houd je schoon.

Geen flats, geen blokkendozen die als in de Bronx door projectontwikkelaars eigenhandig in de hens zijn gestoken, omdat dit recht geeft op lucratieve nieuwbouw. Daar kun je deze zwarten niet van beschuldigen. Die willen wel de brand steken in het systeem maar niet in hun onderkomen, hoe schamel ook.

De lach van de kinderen in het speeltuintje, bestaand uit één glijbaan en één schommel, is even onbezorgd als overal. Wist je maar nooit wat er nog kwam. Voor de foto vragen de kids geen geld, wat ook de vrouw op de hoek niet doet die vindt dat ik haar man moet vastleggen, zijnde ziek en veel te groot voor zijn kleine bed.

De armoede valt me eigenlijk een beetje tegen, ik had er meer van verwacht. Maar in één ding word ik niet teleurgesteld, ook hier hangen weer teveel mannen in de kracht van hun leven uitzichtloos rond. De jongste zie je nog met een stuk stok en een nepbal in de weer om ooit te kunnen ontsnappen via de nationale sport, honkbal. De negers van middelbare leeftijd en ouder ondergaan de dag gelaten.

Ook in het cafetaria zijn de negerinnen dik. Konten, heupen, borsten die zeggen ‘zo slecht gaat het mij nog niet’. Weinig ‘Twiggies’. Geen enkele moeke of dochter maakt aanstalten mij het hof te maken in ruil voor een onderbroek, zoals ergens beschreven. Ik geef ze gelijk en zou ook niet zonder verder willen.

Aan het tafeltje knuffelt een man zijn zoon. Hoe zal hij hem voorbereiden op zijn toekomst? Wat te zeggen? Hoe hem uitleggen dat hij eerst lang bij vader en moeder zal moeten blijven wonen, dat een goed betaalde baan er niet in zit en dat hij met enige pech zijn eigen stulpje nooit zal betrekken.

Huist er wanhoop in deze zwarte man naast mij? Wil hij nog wat van het leven? Heeft hij dat ooit gewild? Waar heeft hij de moed verloren? Waar is het uitzitten van de tijd begonnen? Is zijn woede groot? Hoe ventileert hij die? ‘Komt er zo’n ellendig stuk toerist binnen met blocnote, die een schoon glas wil omdat zijn bier niet schuimt.’ Ik hoor het hem denken en ik leg hem uit dat ik er vol goede wil zit. “Ik leef mee met jou. De boel moet ontleed.” Hij kijkt me aan en lacht meewarig, lichtelijk hooghartig. Dat zint mij niet natuurlijk. “Je kunt wel ‘black and proud’ zijn, maar je zou je ook eens af kunnen vragen hoe het komt dat jullie op zoveel plaatsen altijd ergens aan de onderkant van de ladder bengelen. Vanwaar die gelatenheid? Heb je geen doel, wil je dan niks van het leven? Je kunt toch niet zomaar de dagen laten passeren.”

Is dat mijn ziekte (en de uwe?) om altijd maar wat te willen? Kan zijn, maar dan omarm ik mijn ziektebeeld. Al is het maar om de gekte die zich na luttele dagen ledigheid al aandient te verjagen, te bezweren.

Ik vraag het hem op de man af: “Wat wil jij dan?” “Jouw tas en alles wat erin zit en jouw kansen in het leven. Dat ik in jouw plaats geboren was. Mijn zoon bieden wat jij jouw zoon biedt.”

Een moeder heeft schik met haar kroost. Nog een ijsje? O.k., nog ééntje dan. Zij geurt goed, haar huid glanst en haar kleren mogen niet des couturiers zijn, haar schoonheid komt er niet minder door uit. Nu lacht ze mij toe en ik roep vanuit mijn versomberde ziel iets op dat op een glimlach moet lijken. Wat kan mij de kleur schelen. Op zijn minst heeft iedereen recht op evenveel kansen om te verprutsen. Laks? Gelaten? Lui? Zal soms zo zijn, maar ik herinner me Bruce, die mij in de Bronx op straat aansprak. Hij zag mijn argwaan, mijn voorzichtigheid en zei: ‘Ik hoef geen geld, meneer. Ik wil u helpen. Ik ben blij dat ik u mijn buurt kan laten zien.’ Hij had twee banen om zijn studie te financieren. Legde uit hoe zeer het deed om zijn vader spuitend en slikkend weg te zien teren en studeerde af. Vond een baan, werkte hard, spaarde, wilde een huis buiten de Bronx? Blanken kregen voorrang, zelfs bij een lager bod.

Maar hier in Cuba is iedereen elkanders broeder, ja toch? Deze vrouw is toch gelijk aan één van de vrouwen bij wie Castro jong kreeg?

Ik kijk om me heen en voel mij, niet voor het laatst, moe en tobberig. Met al dat ik heb en wil, bots ik met de levenslust die ondanks alles in deze ruimte hangt.

De chauffeur van de taxi die mij van Marianao naar het kerkhof, Necrópolis Colón, voert, beschrijf ik niet. Te gevaarlijk. De geheime dienst van Cuba is groot en machtig, een van de best georganiseerde ter wereld. Hij is afgestudeerd, maar een baan in zijn vak zat er niet in. Nu bestuurt hij zes, soms zeven dagen per week zeventien uur per dag zijn kleine brik. Dat is er eentje van de staat, aan wie hij dan ook het bijeen gereden geld moet afstaan. Zelf krijgt hij omgerekend ongeveer tien euro per maand. “Kan ik tegen jou praten? Jij bent mijn vriend, toch? Je weet nooit tegen wie je hier kunt praten. Op elke twintig volwassenen is er één geheimagent. Jullie zien vriendelijke, lachende Cubanen, jullie ontbreekt het aan niets. Maar voor ons is het leven hard. Geen geld, geen vrijheid, geen enkele manier is er om iets van mijn leven te maken. Je mag het land niet uit. Vraag je permissie, dan wordt alles gecheckt. Of je een goed partijlid bent en nooit weet je wie jou waarin verlinkt heeft om er zelf beter van te worden. De controle is volkomen. Wij moeten van dit systeem af. Vandaag nog.” Ik stel een barre vraag die al een tijdje door mijn kop spookt. “Hoe komt het dat het Cubaanse volk van de ene tirannie in de andere valt? Wat zegt dat over jullie?” “Dat weet ik niet. Alleen dat dit mijn twaalfde werkdag op rij is.”

Als deze ‘sloof van het stuur’, deze voetveeg van de tirannieke macht zijn laatste adem uitblaast, hoe zal hij terugkijken? En zal er hier plaats zijn op dit monumentale kerkhof, Necrópolis Colón, waar ik inmiddels slenter?

Zeker niet aan de hoofdweg, de graven ten weerszijden ervan zijn gereserveerd voor de grote meneren. Mannen met poen, anders lig je hier niet. Er is wel een plek ingeruimd voor enkele helden van de revolutie, maar het zijn toch vooral presidenten, suikerbaronnen en vechtersbazen die soms met complete huizen, met halve tempels aan de Ave. Cristobal Colón te kijk liggen.

Waren dat betere mensen? Het zijn de praatjesmakers, de mannen van het woord, van het bedotten, die boven komen drijven. Dat zal dus wel niet. Onvervangbaar? Ach, draait de boel niet altijd even beroerd verder. Niet zo cynisch? Hoezo niet, zij van tweehoog, die haar kinderen goed in het leven zette en daarna haar eega tot in zijn seniele dood verzorgde, ligt hier niet. Zelfs tot na de laatste ronde blijft dat mesjoche verschil in stand. Nou ja, één troost: dood is dood.

Toeristen toeren per aircobus over de 55 hectare grote dodenakker. Weg rust, weg doodse stilte. Want stil is het hier, op deze indrukwekkende begraafplaats. Meeluisteren met de Engelstalige gids? Dan er liever zelf een ingehuurd. Maar die is er niet, alleen een dame die genoeg zegt, nuttig, maar die het toch weer niet kan laten zich voor mijn geld aan haar tafel te noden.

Er blijken nog 21 andere kerkhoven te zijn in Havana. “Nee, er is nog geen plek gereserveerd voor Fidel. Die moet je kopen, dat is te kapitalistisch, hij zal wel publiekelijk komen te liggen, op het Plein van de Revolutie.” Ik wil weten waar de armen liggen. Als je taxichauffeur bent en nooit een knoop bijeen krijgt, wat dan? Of als je zwart bent en je tijd zit erop in Marianao? “Ga links achterin kijken.”

Ik slof erheen, op een begraafplaats minder je automatisch vaart. De vogeltjes kwinkeleren vrolijk, de dodenmars is niet door hen gecomponeerd. Ik begin, als altijd op een kerkhof, in de greep van het eindige te komen. Ruim twee miljoen doden liggen hier. Voorbij is hun geploeter. Had het nut? Ze waren er en niet op eigen verzoek. Op de eeuwigheid gemeten is ieders bestaan onmeetbaar klein. Ook dit hele kerkhof is er maar even, heel eventjes. Al die graven, die stenen, dat bewaren, uitstel is het van de definitieve teloorgang. Wat haalt het allemaal uit? Wat betekent dat hele mensdom afgezet tegen die oneindige tijd? Er was ooit een verschijnsel dat mens heette, dat achtte zich uniek, maar alle sporen zijn uitgewist.

Rond enkele graven liggen nog kransen. Wat ruik ik? Rotten de bloemen? Ik loop kalm doch beslist verder.

Veel kruizen. Chef en broer Raúl mogen dan met hun arbeidersparadijs willen zorgen voor de hemel op de aarde, de meeste Cubanen blijven voor de zekerheid toch maar geloven in een hiernamaals. Eentje waar al die lui die hier vooraan liggen achter in de rij aan moeten sluiten, het verst weg van de enige echte chef. Hopen staat vrij.

Sommige graven zijn op hun beurt ook weer aangevreten door de tijd. Deuren van grafhuisjes die kapot zijn. Ik ga er eentje binnen. Het stinkt er naar pis. Vreemde plek voor wildplassen. Aan menig graf valt weinig meer te schennen.

Agustin Garcia, Oscar Gonzalez, Justo Padilla Valdés. Hoeveel dromen hebben ze meegenomen? Hoe luidde hun eindoordeel? Spraken ze laatste fameuze woorden? Nooit overtreffen zij daarin natuurlijk pater Blub, die een leven vol overgave aan de Heer met fraaie twijfel rechtvaardigde: ‘Nou, ik ben benieuwd.’

Soms staat er op de steen alleen ‘ A Mama’ en een naam, soms een stuk tekst. ‘Lieve Clara, ik zal altijd van je houden, wacht op mij’  Slikken, zacht worden, een traan die omhoog kruipt in de borstkas. Tegen liefde bestaat geen verweer. ‘Wat resteert, is liefde’ stond ooit boven een overlijdensadvertentie.

Veel stenen zijn naamloos, het mocht blijkbaar geen naam hebben. Of dragen een nummer. Carlos zei: “Tijdens mijn leven een nummer, na mijn dood een nummer.” Bij Ana Maria liggen verse bloemen. Neergelegd door de dochter die mij zo-even met rode ogen passeerde? Het mooiste kruis is het zelfgemaakte, ijzeren staketsel. Geen geld, huisvlijt, gesmeed met tranen.

De bewaker die al fietsend zijn entreegeld kwam ophalen zei: ‘Centraal blijven, niet naar achter?’ Uit schaamte? Ik sta voor twee, soms drie verdiepingen hoge, slordig neergekwakte, sobere bouwsels met holle gaten. Met een lichte huivering loop ik dichterbij. Van beneden tot boven zijn de spelonken gevuld met duizenden, misschien wel tienduizenden kleine betonnen dozen. Namen met de kwast er slordig opgekalkt. Heremetijd. Opgeruimd, weggestopt, weg ermee, rol uitgespeeld. Die rol van de minste onder de minsten.

Die kistjes doen zeer, zij zeggen hoe we het doen. De een vereren we, van de ander zouden we liefst elk spoor wissen. Mij boeit de naamloze. Neem Che Guevara, wiens konterfeitsel als een billboard Cuba siert. Het graf van deze cultrevolutionair in Santa Clara is nu een bedevaartsoord. Maar waar zijn de resten van de jongen die hij meenam in zijn heldendood? Voer voor de gieren was die.

Je ziet een naam op een steen, je kent wat feiten. Maar de vuile was die binnen bleef, kennen we die? Was er één moment dat Che wist dat hij held ging worden en dat hij andere mannen mee sleurde in zijn graf? Had hij nog ergens het vliegwiel der gebeurtenissen kunnen stoppen? Had hij dat moeten doen vanuit de latente homoseksuele liefde die hij voelde voor dat joch dat met hem vocht? Ik bedoel, wat weten we? Hebben we zicht op de gedachte achter de gedachte, de bedoeling achter de bedoeling?

Mijn potlood krast. Woede. Er deugt zo weinig. Dank aan de Tijd, die grote rechtsrijker van wat op aarde zo stinkend krom is. Laat de boel uitdijen, uitdoven, vergaan tot het laatste teken dat wijst op ‘de mens’ is uitgewist, of laat de hele handel inkrimpen en met een knal herstarten, als het maar ophoudt.

Onopgemerkt heeft hij me van achteren benaderd. Terwijl ik in gedachten verzonken de betonnen grafbelt verwerk, tikt hij me zachtjes op de schouder.

“Je bent op je plaats hier.”

“Volg me niet, laat me. Vroeg ik je mee?”

“Jouw zoektocht leidt naar de dood, die van de ziel. Je was gemakkelijk te vinden.”

“Ik kan jou er niet bij hebben. Ik ontrafel, kijk niet op mijn handen.”

“Knoop de draden weer samen, kom.”

“Eerst moeten alle hemden kapot.”

“Wie is er tot op de draad versleten?”

Als ik me omdraai zie ik hem nog net met zekere tred Calle B inslaan. Mijn oog valt op een steen waarop staat ‘1888 – 1958, Teodoro Ferrer’. Theodurus, ‘geschenk van god’, zo heette vader. Verdriet, want waar de dood de liefde raakt, schrijnt het.

Het versterven van iemand meemaken is geen vreugde. Het leven onteert zichzelf op de valreep definitief. Is de stervende oud en der dagen zat dan kan de laatste ademtocht een zucht van verlichting zijn. Maar wat als het die moeder van achtendertig betreft, met haar man en kinderen verteerd van verdriet aan haar bed? Nou ja, dat zal dan wel onderdeel van het goddelijke meesterplan zijn.

Maar jouw dood, jongen, die stond niet in onze plannen. Waarom kan ik dertig jaar later deze zinnen nog nauwelijks op papier krijgen? Het doet nog zo zeer. De wond is vers. Waarom lette ik niet beter op. Waarom had ik, godbetere, geen antenne toen je gekscherend zei dat je met dat wasdraad dat al op je kamer lag ook andere dingen kon doen. Die eenzaamheid, die laatste handelingen. Als er toch een hemel is, omarm dan je moeder, geef haar een knuffel, heel haar hart.

Doorleven als je de donkere poort door bent? Als dat de tol is die ik moet betalen om vader, moeder, Bert en Koossie Poes terug te zien, dan moet dat maar. Ik heb het niet op de eeuwigheid. De gedachte dat het nooit ophoudt is onverdraaglijk. Misschien is er wel alleen een hiernamaals voor wie dat tijdens het leven aanneemt. Interessante gedachte, vond ik terug in een puberopstel. Toen beschreef ik lyrisch mijn vreugde over de mogelijkheid om alles eindig te denken. Intussen ben ik daarrvan overtuigd. Lichaam en geest zijn één, lichaam weg, geest weg, daar houd ik het op. Wat een opluchting. Zeker weten? Niets is zeker.

Ik ben de uitgang van Necrópolis Colón genaderd. Daar ligt een graf open. Gapend diep, een soort uitnodigend. Zie ik mezelf hier liggen, ergens liggen? Aan de dood denken doen we niet graag. Misschien hopen we dat van afstel uitstel komt. De gedachte er niet meer te zijn boezemde lang angst in. Ik zal niet zeggen er nu naar uit te zien, maar angst voor de laatste hobbel heb ik niet meer. Soms is er zelfs verlangen. Nee, eerder is het nu een geruststellende gedachte dat op enig moment de bevrijding wacht. Maar nog even niet. Niet zolang er mensen zijn bij wie ik graag in de buurt blijf, van wie ik houd. Tegen de liefde bestaat geen verweer.

Waarnaar verlangt u? Naar welke bevrijding?

4

De leugen zat

“Je zult in goede handen zijn”, zegt Jesus. Dat ‘in haar handen’ gaat er niet van komen, dat maakt één oogopslag duidelijk. Jong, mooi. Zij een Cubaanse? Er lopen bij mij in de wijk andere types. Dikker, bozer, kanslozer, deemoediger gekleed. Mijn chauffeuse, ik noem haar Petra, analoog aan de zwoele dame die mij thuis in de auto de weg wijst, gaat met mij Hemingway doen, eerst Cojímar, daarna Finca Vigía.

Haar rokje is korter dan kort en het moet gezegd, Petra heeft heerlijke benen. De witte hakschoentjes verhinderen haar niet de pedalen van de Golf soepel te bedienen. De handen aan het stuur laten lange, gemanicuurde nagels zien en aan de ene pols rinkelt een bos zilveren armbanden, terwijl de andere plaats biedt aan een groot, modern wit horloge. Hoe kom je daaraan in Havana? “Hier is zoiets onbetaalbaar, maar ik reis. Het rokje heb ik in Italië gekocht, het topje op Jamaica.” Zij wel. “Omdat ik voor een Italiaans bedrijf werk en getrouwd ben met een Italiaan mag ik het land uit.”

“Hoe weet ik of dat waar is?” Even iets recht zetten. Petra was er namelijk als de kippen bij geweest om een vraagteken te plaatsen achter mijn ontmoeting daags tevoren met een Cubaanse schilder. “Heb je een schilderij van hem gezien, dan?”

Ik ben een week op Cuba en ik geloof van deze jonge vrouw die schouder aan schouder naast me zit niets meer zonder voorbehoud.

Ze lijkt me niet het type van de alcoholverbranding. Petra is ‘machtig mooi.’ Is goed. Kent haar kracht, speelt het spel sterk. Zij zal niet zó in de nesten komen, zeker niet zo lang de glans der jonge jaren haar aankleeft, dat zij besluit in wanhoop zichzelf te verbranden. Alcohol over je gieten en dan de fik erin. Een pijnlijker dood bestaat niet en volgens mijn gesprekspartner de schilder, hem noem ik Jean, komt het steeds vaker voor, maar zwijgen de mooi-weer-media ook dit dood.

Redelijk begaanbare wegen buiten Havana. Zou je alle kuilen en gaten willen vermijden dan leg je acht keer de afstand af, maar het rijdt, geen files en dat is ook wat waard. Aan mijn oog trekt tropisch groen voorbij, gelardeerd met redelijk ogende huizen en bewoners. Palmen, grassen, soms stukjes bewerkte akker. Een beeld zoals je dat aan kunt treffen in Thailand, Maleisië, Venezuela, in alle landen waar zon en regen – het onweert en plenst deze dagen ’s avonds dat het een lust heeft – elkaar ontmoeten.

In de stilte die is ingetreden na mijn wedervraag dommel ik half weg en dringt de ontmoeting met de Cubaanse schilder zich weer op. Door de regen waren we met de tafeltjes naar elkaar toe gedreven.

Jean vertelde veel. Ook over zichzelf. Tijdens de Revolutie gevlucht en terecht gekomen in Parijs. Heeft daar nog een appartement, is geslaagd als schilder (lang grijs haar, oorbellen in bejaarde oren), maar heeft het op een akkoordje kunnen gooien met de Partij en kon terugkeren. “Hoe dat zo?” “Mijn vrouw ging er vandoor en mijn zoon maakte er een eind aan.” Zijn gezicht vertoont grimassen als hij het verhaal vertelt. “Het is meer verdriet dan ik waard ben, zo voel ik het soms.”

“Vreemd land, Cuba. Ik kom van hier, leef lang genoeg, maar begrijp de mentaliteit van de mensen steeds minder. Warme mensen gevangen in een koud systeem, schizofreen. Mensen die zich superieur voelen en ook zo handelen tegenover een veelvoud aan lui die naar eigen idee van een inferieure soort zijn. Het klassenonderscheid dat de Spanjaarden er nog in geramd hebben. Maar dan ga ik al verklaren. Ik heb het verklaren opgegeven. Geen tijd meer, want ik heb er al een dagtaak aan het gif in mijn geest om te zetten in een medicijn.”

Petra wil jus, ik koffie. “Geen alcohol voor mij en ook geen koffie. Inderdaad, een kwestie van gezond willen leven. Ik ga ook iedere ochtend naar aerobics. Nee, is niet te duur voor de ‘gewone man en vrouw’. Kost maar drie convertibles per maand.” Een arbeider verdient er per maand ongeveer tien, tsja.

We zitten in La Terraza, restaurant, bar, vaste aanlegsteiger in Cojímar voor Hemingway-adepten. Hier kletste de schrijver tussen het nuttigen van daiquiri’s door met de vissers van het nog steeds authentieke kustplaatsje, niet te ver van Havana.

Zat Ernest hier voor dit raam, met dit uitzicht op zee, toen hij drinkend en peinzend het idee voor ‘The Old Man and the Sea’ kreeg? Ik heb Petra gezegd dat ik tijd nodig heb, dat ik het niet wil laten bij een vluchtige inspectie. ‘Omdat de taal verguisd en omarmd moet worden en ik dat wil koppelen aan Hemingway’, dat zei ik er maar niet bij.

Als Hemingway sprak met de tanige mannen die de huid gelooid wisten tijdens de zonovergoten dagen en soms lange nachten op zee, dan moet er toch de aanvechting zijn geweest om de pen definitief neer te leggen? Want hoe ver is schrijven niet van leven?

Was hij taalscepticus? Nee? Dan was deugdelijk nadenken niet zijn stijl, dan was hij achter de machine meer jager dan filosoof.

Het is handig wanneer je als schrijver je eigen universum creëert. Daarin bepaal jij wat waar is en liegen de woorden niet. Je schrijft ter verstrooiing, ter troost, ook nuttig. Maar wil je haar hanteren om iets te zeggen over de werkelijkheid, zeg maar dat dagelijkse leven dat te velen te zwaar valt, dan schiet de taal schromelijk te kort.

Hoe vat je iets in woorden? ‘En dan denk je dat je God hebt en dan heb je papier en inkt’. Het zou een variant kunnen zijn op Nescio’s Bavink, die telkens weer God moet schilderen maar eindigt met ‘linnen en verf.’ Ik bedoel, alles wat is, valt niet in schrift te vangen, te verklaren.

Zo zijn er vragen: waarom ben ik, waarom weet ik daarvan en waarom is er lijden? En het antwoord is nog nooit via denken – dat is ook gebonden aan taal – tot ons gekomen. Anderen zeggen daarom maar dat Het Antwoord ons geopenbaard is. Dat gebeurt uit wanhoop, uit angst voor de leegte, de zinloosheid, die overblijft als we toe moeten geven dat de werkelijkheid bewust beleven ons met stomheid slaat.

Had ik gezegd dat dit gesneden kost ging worden, een leuk reisverslag? Ik sleur u mee naar Cuba en na een tussenstop in eigen land naar Rome en Jeruzalem en het Brabantse land. Niet om te plezieren, maar om alle Opvattingen een nekslag toe te delen en mijn zere ziel te balsemen met mijn gelijk en misschien een vonk hoop. Minder niet.

Denken over de levensvragen, met antwoorden komen, filosofie. Ik woonde ooit een college filosofie bij en stelde – de irritatie over de barre verzameling woorden en aannames in een zoveelste poging toch maar weer iets te zeggen waar zwijgen past was hoog opgelopen – direct de hamvraag: “Wat heeft het voor zin telkens opnieuw een vergeefse poging te doen het doolhof te verlaten?” “Het is goed en nuttig om altijd weer de geest te scherpen en naar nieuwe antwoorden te zoeken, ook al weet je dat je het ware nooit vindt.” Ben naar het belendende café gegaan.

De ober brengt nog een kleintje, gitzwarte, zoete koffie en Petra werpt even snel een blik naar binnen, checkt of ik er nog wel ben. Welzeker.

Ik zit en denk, ook armoedig. Maar op zijn minst geef ik dat toe. Terwijl om filosofen en schrijvers nog steeds een verheven aureool hangt. Al die denkers, van de klassieken tot de eigentijdse verklarende geesten, ze kunnen mooi schrijven en prima redeneren vanuit aannames, maar het blijft gerommel in de kantlijn. Te arrogant voor woorden deze stelling? Zegt u dat wel. Maar hoeveel regels en gedachten waren al niet aan het papier toevertrouwd voordat we in de vorige eeuw tot het goed geoliede systeem van de gaskamers kwamen? Want ‘de wrede stroom spoelt dammetjes van denkend onvermogen moeiteloos weg.’

Nadenken over het leven als hobby, als afwijking, doe het, maar geef de nutteloosheid toe. De een speelt met het lijf, de ander met de geest. Mijn interesse ligt in het stoppen van de stroom.

Een groep Duitse toeristen betreedt La Terraza. De gids geeft uitleg bij de foto waarop Hemingway Fidel Castro de eerste prijs voor een viswedstrijd overhandigt. De Chef heeft nog nooit een wedstrijd verloren, in ieder geval geen honkbalduel waaraan hij deelnam. Het zit dicht bij de verering die Kim Il Sung ooit in Noord-Korea ten deel viel. Ik sprak met een studente Engels in Pyong Yang. “Maar wat nu als jullie Grote Leider dood gaat?” “Hij gaat niet dood.” “Niet dood?” “Wij zullen zoveel liefde aan hem geven dat hij blijft leven.” In ernst gesproken. Hoe erg kun je iemand met taal hersenspoelen?

“Fidel kan alles winnen, maar niemand wint de laatste oorlog,” houd ik de gids voor. Ze lacht en zwijgt.

Als de rust hersteld is, pak ik de informatie over Hemingway erbij. Straks naar de Finca Vigía. Daar staan meer dan negenduizend boeken. Zou hij die allemaal gelezen hebben? Daar zit bij één dag per boek dik dertig jaar lezen in. Het kan, maar achterdocht is altijd geboden. Hoe het ook zij, het bestempelt mij tot leesbarbaar. Kun je wel merken ook, ik hoor het u denken.

Het punt is dat ik niet las maar zocht naar een antwoord. Soms oversteeg de troost de teleurstelling. Maar even zo vaak legde ik een boek na luttele bladzijden terzijde. Te zeer had ik me dan gestoord aan de oppervlakkigheid van het verhaal, dan wel de kromheid der zinnen. Wegen die ons de hemel niet doen ontdekken, kennen we al genoeg.

Luide wegwerpmuziek schalt uit de auto als ik de deur open. Petra heeft een i-Pod. “Van een Amerikaanse vriend.” Ik blijk te luisteren naar Reggetton. “Een samengaan van salsa en reggae.” Ik hoor vooral kassabellen rinkelen. Van Bob Marley’s ‘Stand up for your right’ is weinig over.

Onderweg naar Finca Vigía is alleen een verkeersdrempel het noteren waard. Alsof niet het hele wegdek dat is.

De Vigía wordt opgeknapt, zeg maar herbouwd. De schrijver schonk het landgoed aan het Cubaanse volk en dat liet het, ’s lands wijs ’s lands eer, wegrotten tot uit honger naar toeristengeld het besef doordrong dat er een bedevaartsoord voor cultuurzieke buitenlanders in school.

Hemingway vertrok met frisse tegenzin vanuit Havana, weg van zijn favoriete bars, naar hier. Zijn derde vrouw, Martha Gellhorn, drukte dat erdoor. Ik loop nog even de werkmannen voor de voeten, maar geef het op. Jammer, de inrichting van de finca met alle jachttrofeeën, de posters van het stierenvechten, zijn typemachine, waar hij staand op ramde, en de negenduizend boeken had ik graag gezien.

Een blik in de bijgebouwde villa kan ik nog wél werpen. ‘Zijn tweede schrijfplek’, zegt de bewaakster. Klopt niet, maar ze moet wat zeggen om aan haar tip te komen. Boksschilderij aan de muur. Veel boeken. Weinig aan te zien.

De toren biedt meer. Geschenk van zijn vierde vrouw die er als dank van lieve Ernest niet mocht komen. Hij neukte er namelijk in het geniep. Onder vele anderen een dochtertje van zestien, het kan jonger zijn geweest, van een Italiaanse gast. Vier vrouwen, talloze vriendinnen, de man in me gromt jaloers. Dat doet de leeuwenkop onder de werktafel niet meer. Ik val op die lieve ogen, zie er wanhoop in. Het blijkt een kunststof replica. Ook staat er een kijker die Hemingway op heldere dagen in staat stelde naar zijn geliefde zee te turen. Soms draaide hij de telescoop een kwartslag, als Ava Gardner zwom in het grote, toen al lichtblauwe zwembad.

Veel vrouwen had Hemingway, maar nog meer katten. Zoveel – rond de zestig – dat een van zijn tien bedienden zich alleen met deze minitijgers bezig hield. De honden liggen begraven tussen het zwembad en Pilar, de boot waarmee de Amerikaan de zee op ging om te vissen op marlijn en te drinken bovenal.

Bij zijn laatste gerichte schot nam hij in 1961, een jaar nadat hij was teruggekeerd naar Amerika, zichzelf op de korrel.

Op het terrasje bestel ik koffie. Tijd voor bezinning. Hemingway, taal, schrijven. Zijn typemachine betitelde Hemingway als ‘royal machinegun’. Hier vuurde de Cubaanse troetel-Amerikaan een deel van zijn boeken bijeen. Schrijven, vuren, jagen, doden, niets in dit huis doet mijn affectie voor de schrijver en zijn vak toenemen.

Wat was eigenlijk zijn bijdrage aan het grote geheel, anders, meer, dan vermaak bieden? Is er dank zij Ernest één mens minder gesneuveld? In ieder geval één meer, hijzelf. Daar is de literatuur niet voor? Daar is de hele kunst bij uitstek voor! Altijd zal de greep te hoog blijken, maar kunst alleen omwille van de schoonheid heeft een oppervlakkig bestaansrecht.

En dan dat pijnlijke dilemma. Wie zoekt naar antwoorden en schrijft, valt stil, wacht, doopt niet meer en ziet de inkt verdampen. Langzaam maar zeker dringt door dat de taal die hij gebruikt aan de basis staat van veel kwaad (onder ‘kwaad’ versta ik dat de ene mens de andere onnodig leed berokkend) en dat in de kern van de zaak taal leugen is. Het lichaam liegt niet, de ogen verhullen nooit, maar de mond en de pen dragen de leugen in zich.

Ik kom daar later over te spreken. Het plein van de Revolutie en het Museum van de Revolutie bezoek ik nog, maar nu al staat vast dat elke ideologie leunt op misbruik van het woord, op misleiding van de volksgeest.

Lees alle verkiezingsprogramma’s ooit erop na. Of ‘Mein Kampf’. Of de bijbel. Of de Koran. Taal, taal, taal. Het volk zal dit, zal dat en dan krijgt het zus en zo, nu of in het hiernamaals.

Voor andere vormen van kunst dan schrijven geldt hetzelfde. Hoewel je bij beeld sneller praat over streling van het oog, van het verzorgen van de open wond, bewust, onbewust. Voor een schilderij staan en de emotie vangen. Een beeld liegt niet. Ineens moet ik denken aan Dirk die als logische consequentie hiervan vrede had met een televisie zonder geluid, zonder taal. Daar keek hij bijna twee jaar naar. ‘Kijken naar een pratend hoofd zegt genoeg.’

Waren er ook Cubanen zijn die dat deden als Fidel Castro het scherm weer eens langdurig in beslag nam. Geen geluid, alleen gelet op de mimiek, de oogopslag, de lijnen in zijn gezicht? Verraadde dat milde wijsheid, of vooral de wil om al sprekend zijn gelijk te halen?

Natuurlijk heeft de Commandant de intellectuelen en schrijvers omarmd. Hij weet dat het woord ten leste een dodelijker wapen is dan enig geweer. Natuurlijk bombardeerde hij de man van het ‘koninklijke machinegeweer’ tot nationale held, net als Félix Varela en José Martí.

De bezoektijd loopt ten einde. De boel komt langzaam op gang in Cuba maar eindigt stipt. Als ik bij de Finca Vigía weg loop, weet ik dat ik niet terug wil keren.

Terug in de auto probeer ik door de harde muziek heen toch de lijn van de dag vast te houden. Dat wordt bemoeilijkt door het opgeschoven truitje van Petra. Een lelijke tatoeage boven de bil, dát helpt bij het weer focussen op het ‘verguizen en omhelzen’ van de taal.

Verguizen heb ik genoeg gedaan. Nu het omhelzen. Ik houd van een mooie zin. Waarom? Geen idee. Zeker, literatuur kan schoonheid brengen, troost. Toch is dat niet aan de orde waar het mijn omhelzen betreft. Jaren wantrouwde ik de taal als middel om iets te zeggen over wat ons omringt. Maar ik ben overstag gegaan, want ik weet niet beter. Altijd, overal wordt de taal misbruikt om te manipuleren, om het spel om de macht te spelen en te winnen. En zwijgen, hoe verheven ook, volstaat niet als tegenzet. Toegegeven, het is behelpen om de ziekte met het eigen virus te bestrijden, maar het zij zo.

We zijn weer bij mijn Casa. Petra werpt mij nog één keer een machtig mooie glimlach toe. Ik weet niet meer helemaal zeker of ik wel bezig ben geweest de juiste zaak te omhelzen. Maar de taal is willoos en onschuldig en staat dat toe, zo is het toevallig ook nog eens keer.

Even op bed liggen, uitrusten, de ademhaling controleren, loslaten, genoeg gedacht voor vandaag. Pfft, pfft, pufpuf.

Het schemert. De dag geeft het bijna op. Een kort slapie doen, mag wel. Maar net als ik weg dreig te dommelen dringt samenzang door tot op mijn derde verdieping. In de straat, pal onder mijn balkon, komt het Comité voor de Verdediging van de Revolutie bijeen. Iedere buurt heeft zo’n spionnenoog voor de Partij.

Een vrouw van midden dertig, gekleed in arbeidersstijl, houdt een betoog. Haar gezicht straalt als dat van gelovigen die geen twijfel kennen. Ze praat en praat en praat, ze praat de mensen murw.

Douchen, avondkleding aanschieten, de restaurantkeuze bepalen, naar beneden gaan en nóg praat de vrouw. Het valt op dat lang niet de hele wijk is uitgelopen. Het zijn vooral de ouderen die samen groepen. Onder hen natuurlijk ook Maria. Daags tevoren was me al opgevallen hoe angstig mijn kostbazin de man en vrouw ontving die haar boeken kwamen controleren. Ook al moet zij maandelijks bijna alles afstaan aan de staat en zelfs betalen in de maanden dat er geen gasten zijn, zij wil haar verhuurrecht niet kwijt. Dus staat ze hier.

Jongeren fietsen opvallend vaak pontificaal voorbij, het volume van het geschreeuw niet dempend. Een voorbode?

Na een monoloog van bijna een uur mogen er vragen worden gesteld. Die nemen ieder op zich ook weer minuten in beslag. Regelmatig hoor ik ‘kapitaal’ en ‘Amerika’ voorbij komen. Er worden witte voetjes gehaald. Alles is nep aan deze bijeenkomst, alles taal, alles leugen, alles ritueel. Je zou de schouders ophalen als de ernst van de zaak niet zo groot was.

Het toneelstuk zit erop. De ‘massa’ ontbindt. Een man van tegen de zestig, ik schat hem in als een hardwerkende Cubaan die vol goede wil lang weigerde om toe te geven dat de Revolutie haar kinderen knevelt, draait zich naar mij toe, grijnst en zegt ‘this is people’s power, man.’

Ik grijns terug en begin mijn voettocht naar Nos Nardos. Het was me de dag van de taal wel, zeg. Ik taal soms naar huis. Dat kan, vlak voor me stopt een NZH-bus, richting Leiden Centraal.

5

Ideaal Viñales

Even een paar dagen er lekker tussenuit. Platteland snuiven. Maar ogen en oren open, dat wél. Niet de geest laten verweken door wuivende palmen en ander groen. Want zie, een ballon is een ballon en dient doorgeprikt. Lekker mee laten spelen? Niks spelen, genoeg gespeeld, genoeg zon weggenomen door bossen ballonnen, genoeg narigheid eruit gedonderd. Viñales dient onder dezelfde loep te worden gelegd als de grote stad Havana.

Dat zijn de eerste notities die ik even buiten de hoofdstad maak. Ietsje heftig, dat wel. Misschien drijft adrenaline het potlood te zeer. “You no reservation. You bus two ‘o clock.” Vijf uur wachten dreigde, terwijl ik zeker weten op de lijst stond. Jesus gebeld, mobiel overhandigd aan de machtswellusteling achter het loket. Vijf woorden wisselde de ticketman. Niet één met mij. Pas twee minuten voor vertrek gaf hij groen licht. “You hurry, you miss bus.”

Het landschap betovert niet en verleidt tot bijslapen. “Viñales, thank you.” In het Spaans deed de chauffeur er daarna bijna vijf minuten over om uit te leggen dat we toch echt onze bestemming bereikt hebben. Zij, Clara, staat er.

Soms is het welkom je naam in kapitalen neergepend te zien. In Peking stond ooit niemand. Bij het krijgen van mijn visum voor China was me gezegd per fax om een gids te vragen. Dus niet gedaan, altijd liever alleen. Daar stond ik dan op het vliegveld van de toen nog niet ontmaskerde Mao. Niemand met een bordje ‘Theo Bakker.’ Gelukkig sprak er iemand Engels. Hij leidde me naar het toeristenbureau. Ik vertelde dat ik een hotel zocht. “You send fax for guide?” “Yes off course.” Liegen was ook toen al geen punt. “We can not find it. You have problem. All hotels full.” Uiteindelijk werd ik ver buiten de stad ondergebracht en had ik iedere dag een gids nodig om ergens te komen. De Chinese zachte, maar onverbiddelijke hand.

In die dagen reisde ik nog licht. Nu moet ik een kilometer lang een koffer meezeulen. Ik voel me de beladen monnik die door de stroom wordt meegesleurd waar zijn arme confrater met alleen een stok moeiteloos naar de overkant waadt. Uit ‘Ik en mijn speelman’, een pareltje.

Clara vraagt of ik moe ben. Valt mee, de geest is licht. We zijn er bijna, maar nog niet helemaal. Toch nog twee bochten. Ik noteer: ‘kalm, laagbouw, contrast groot met Havana, nauwelijks muziek, welvaart, geen bouwval, minder zwarten.’

Casa Rosa is goed. Ruim, groot bed, goede douche en rustig genoeg om te werken. Het avondeten kost 7 CUC. Mijn opmerking dat ik soms naar een restaurant wil, wuift Rosa weg met: ‘Ik kook beter.’ Het zal niet overdreven blijken.

’s Middags een eerste kennismaking. Die kan kort zijn, want Viñales blijkt een dorp waar de grootste bezienswaardigheid de toeristen zelf zijn. Die zijn ondergebracht in enkele hotels en maar liefst driehonderd privé-onderkomens. Door de levensader stroomt vreemd geld.

Clara, zwart, groot, vriendelijk, bevertanden, regelt een gids. Tomas dient zich aan met ‘goe mogge’ en noemt zich even later ‘popie jopie’. Ik tel mijn verlies al.

De rit die we daags erna maken naar de tabaksplantage van Roibana vraagt dik een uur. Overal leuzen op muren en borden. Soms midden in de natuur alsof ook die gehersenspoeld moet worden. ‘Chef, zeg mij wat ik moet doen.’ ‘We bedelen niet om ons recht, we bevechten de imperialisten.’ ‘Altijd trainen we onszelf om het land te verdedigen tegen Amerika.’ ‘Vecht voor het socialisme.’ ‘Cuba zal overwinnen.’

Maar ook zie ik temidden van het boerenland lagere scholen. Kosteloos te bezoeken. Net als de ziekenhuizen in Pinar del Rio, de provincieplaats die we passeren.

De gids van Roibana draagt een spiegelende zonnebril en als ik later zijn ogen zie, ben ik hem daar dankbaar voor. T-shirt, beul van een lichaam, dikke rooie nek, pet, kauwgom, spreekt, nee, knauwt perfect Amerikaans. Een waakhond in menselijk formaat. Oppassen. “What is your profession and what do you want here?” “Ik rook graag sigaren en wil eens zien wat er voor komt kijken voordat ik er de brand in kan steken.” Vervolgens schrijf ik alles op. Het hele proces, tot we eindigen in de loods waar een kalme vrouw op een kalme manier sigaren maakt. Honderd per dag. Lopende hand werk.

‘Zonnebril’ is verder met nieuwe toeristen, dat komt goed uit. Kan ik de vrouw die zo bevallig de sigaren rolt nog wat uitleg vragen. “Hoe kan dit een ‘private company’ zijn?” “Het land behoort de Roibana’s, ooit gekomen uit Spanje, al sinds 1845 toe.” Dat is geen reden, er is meer onteigend. Maar het ‘private’ blijkt beperkt. Roibana maakt en verkoopt de sigaren niet in eigen beheer. De staat koopt de toptabaksbladeren tegen prijzen die de staat bepaalt. Wie werkt bij Don Alejandro verdient wel meer dan de arbeiders op de staatsplantages. Dat zal een restje koloniale inborst zijn.

Mooi, de Lada staat er nog. Die had in het uur van de rondleiding en het vragenstellen zomaar definitief uit elkaar kunnen vallen. Ik neem met graagte afscheid van pitbull, hij ook, zo te zien, van mij. Waarom? Heeft Tomas hem wat ingefluisterd, of is een ‘leraar met het potlood in de aanslag’ sowieso verdacht? Misschien weet hij wel dat in de geschiedenis de grootste aanslagen met pen en potlood zijn voorbereid.

In de middag keer ik terug naar de natuur. Wandelen in de vallei van Viñales. Het blijkt een onderdompeling in verloren geachte tijden. De vegetatie is anders en de heuvels, mogotes, zijn molshopen vergeleken met de majestueuze pieken van de Himalaya, toch doemt mijn trektocht lang geleden door Nepal op. De rust, het vredelievende, het perfecte land van ooit. Maar is er een verschil. De overgave is er niet meer. Toen was ik één met wat mij omringde. Nu is er het afstand houdende, waakzame oog. Ouder en door schade en schande wijzer?

Over de rode aarde wandelen we kalm in het rond, boven ons de ‘riegen.’ ‘Gieren’ verbeter ik Tomas. Die behoefte om hem te corrigeren is pesterig. De animo om echt met hem te praten ben ik al grotendeels kwijt. Daarvoor is het verhaal dat hij afsteekt over dat geweldige Cuba te lovend. Wiens brood, wiens woord, dat werk.

Viñales is tot promodorp voor de toeristen bestempeld en Tomas is haar promogids. Slapen doen we ’s nachts.

We doen de standaardboerderij aan. Aan tafel wordt een lekkere sigaar voor me gemaakt. Van de soort waarvan papaboer er al sinds zijn achtste tien per dag rookt, vertelt Tomas. Of hij blij is met de revolutie, je moet wát vragen. Hij is Castro dankbaar. Die heeft het land toch maar mooi afgepakt van de landlords en hem een stukje gegeven.

“Wat denk jij, Tomas, als Fidel morgen sterft, gaat dan het systeem alsnog op de schroothoop?” Ik kan het treiteren niet laten. “Nee, nee, het systeem is perfect. Raúl Castro is een groot opvolger, alles blijft zoals het is. Omdat het volk niets anders wil. Het leven is goed hier. We hebben alles. Ik vertelde je vanmorgen al over het gratis onderwijs en de medische verzorging. En als bijvoorbeeld de oogst verloren gaat door een orkaan, krijgen de boeren toch geld van de staat. Een ander ding: hier in Viñales waren voor de Revolutie maar twee dokters, nu wonen er tweehonderd dokters en tandartsen.” Dat die meestentijds in heilloze baantjes hun tijd en talent verdoen, vertelt Tomas niet.

“Maar in Havana zijn er anders veel armen zonder baan, zonder toekomst, zonder hoop.” “Er is in Cuba voor iedereen een baan. Dat zijn luie jongeren daar, die niet willen werken, maar die toeristen beroven. Het zijn zwarten, die zorgen altijd overal voor narigheid.” “En daarom moet de regering iedereen in alles controleren?” “Precies, ja. Om die ondankbare landgenoten geen kans te geven het systeem te ontregelen. De Revolutie is nog nooit zo goed geweest als nu. We drijven handel met bijna alle Europese landen, veel met China, met Latijns-Amerika, we hebben Amerika helemaal niet meer nodig!” Tomas raakt op dreef.

“Hé, Tomas, er zijn toch ook in 2003 vijfenzeventig intellectuelen opgepakt en tot lange gevangenisstraffen veroordeeld omdat zij die Revolutie van jou helemaal niet zo geweldig vinden?” Even kijken waar de grens ligt. “Die noemden zich dissidenten. Maar het waren CIA-agenten. Ze werden betaald en geïndoctrineerd om ons land te destabiliseren.” Voor een deel kan dat waar zijn. Ik bedoel: aan gene zijde van de zee halen ze de doorn Cuba graag uit het Amerikaanse oog. Maar ik weiger te geloven dat de opgepakte, zogenaamde contrarevolutionairen terecht vast zitten.

Tijd om weer te wandelen, al moet ik eerst nog even het pakketje sigaren afrekenen dat ongevraagd is klaargemaakt. Wat zou Tomas daar weer aan groente en vlees voor terugkrijgen? Hij legt uit dat de boeren de geteelde groenten en fruit niet af hoeven staan en ook hun dieren zelf mogen opeten. Soms verkopen ze aardappelen of tabak aan de overheid, veel levert dat niet op. “Maar ik krijg tips en koop daarvan hier weer mijn eten. Zo wordt het geld rondgepompt.”

“Vind je dat niet wrang, dat ik, de waardeloze kapitalist, jouw eten betaal? Dat het Westen jouw Revolutie overeind houdt?” “De regering koopt medicijnen en andere belangrijke zaken voor het volk van de valuta die binnen komen.” Tomas geeft geen krimp. “Heb jij nog dromen?” Maar ook die omweg kent hij. “Nee, mijn leven is goed zoals het is. Viñales is the best.”

Akkers met gewassen. Yuca’s, graan, tabak, aardappelen, koffie, tomaten. Het lijdt geen twijfel dat het leven hier, met genoeg te eten en drinken en een dak boven het hoofd, onder elk systeem zo slecht nog niet is. Toch blijven er vragen.

Waarom staat die oude man met dat gelooide leren gezicht in de gloeiende zon met de hand, met één luttele schoffel, het hele land te ontdoen van onkruid? Waarom is hier na 47 jaar Revolutie, als die dan zo geweldig is, in 2008 nog geen stromend water? Waarom geen elektriciteit? Waarom is er nauwelijks geld voor goede kleding? En waarom is er wél, met generator, gelegenheid om in die gammele boerenhuisjes met de televisie de landelijke avondstilte te verstoren? Waarom krijgt een ieder voor weinig – drie jaar lang een klein bedrag per maand – de Castro-kijkdoos aangeboden? Iets dat goed is, hoef je er toch niet meer in te pompen?

Zo peinzend trek ik met Tomas door de velden en landerijen. De conclusie is dat het socialisme de boeren weinig gebracht heeft. En dan vertoef ik hier nog in het opgepoetste stukje platteland rond Viñales.

Onderwijs en medische verzorging tegenover veel controle en stagnatie. Hoe had deze vallei er nu uitgezien en hoe hadden de boeren het gehad als het land niet ooit onteigend was? Tomas vraag ik daar maar niet meer naar.

Hij wil twintig CUC’s, twee maandsalarissen van zijn socialistische broeder, de arbeider. Die moet hij afstaan natuurlijk en het is eigenlijk zijn vakantiedag, maar hij wilde mij helpen. Ik besluit er vijfentwintig te geven, maar heb alleen briefjes van tien. Geen probleem, wisselen kan hij in zijn Casa. Eenmaal daar kan dat toch weer niet. Wrevel steekt de kop op. Even kijken we elkaar echt aan. “En jij, ben jij nog steeds leraar?” Van wie weet hij dat? Waarom nu die vraag? Ik betaal er dertig. Laten we het zijn toefje slagroom op die geweldige revolutionaire taart van hem noemen.

Hup, hup, de pas erin. Stap, stap, met iedere stap verder weg van Tomas. Geen probleem. Hoe anders was dat in Pyong Yang met mijn vaste lijfwacht. Iedere bezoekende journalist of official van het WK tafeltennis dat daar, hoe is het achteraf mogelijk, in 1979 werd georganiseerd, werd bewaakt. Mr. Kim sliep voor mijn hotelkamer, geen ontsnappen aan. Eén keertje maar, toen ik ’s nachts langs hem glipte en buiten een groep vrouwen betrapte op het met de hand bijknippen van het gras. Ook die versie van ‘geen gezeik, iedereen rijk’ was al verworden tot ‘iedereen arm behalve de partijtop en niet zeiken.’

Rosa heeft een buurmeisje van net in de twintig, Conchita. Valt op een vlotte manier mee te spreken. Na luttele omtrekkende bewegingen kom ik direct terzake en vraag hoe zij het leven ervaart. “Teveel controle”, zegt ze zacht. “Maar hier oogt het soepeler, meer relaxt dan in Havana?” “Dat zeg je omdat je hier niet woont. Je weet niets. De controle is hier nog erger. Als ik met jou naar een bar zou gaan, heb je al kans dat iemand dat doorgeeft bij het Comité ter verdediging van de Revolutie.”

Stilte. “Tomas, de gids, zegt dat hij geen onvervulde dromen meer heeft. En jij?” Nog zachter klinkt het: “Ik zou graag vrij willen zijn. Kunnen reizen, andere culturen leren kennen. Het leven is maar zozo hier. Ik verdien omgerekend acht CUC per maand.”

Dan maak ik een denkfout. “Wordt de aanstaande sterfdag van Fidel Castro voor de mensen in Cuba een feestdag?” “Daar zit je naast. Hoe dan ook zijn de mensen Fidel trouw. Zij zijn hem dankbaar voor de goede dingen en willen hem alle slechte zaken niet aanrekenen.” “En hoe ligt dat voor jou?” “Ik heb hier wel een mening over, maar die geef ik niet.” Ik zou haar niet meer terugzien in de dagen die volgden. Schatte zij mijn vragenstellen toch als te listig in? Alle muren hebben oren in Cuba, ook in Viñales.

Die avond ga ik naar een oud, opgekalfaterd koloniaal huis waarin nu een restaurant zetelt. Mij is de tong al gestreeld door Rosa, ik kom alleen luisteren naar Cristobal, de man van de oudere zus van Conchita, die in een band zingt en contrabas speelt. Ik hoop voor de bezoekers van Casa don Pedro dat aan het eten meer kraak en smaak zit dan aan de muziek.

Ook in het Casa de la Cultura meligheid troef. Suffe salsa, enfin, toch maar naar binnen, want een stil tafeltje in de hoek lonkt. Het duurt nog voor ik daar zit. Een lange, zwarte jongen bij de ingang houdt een groep Franse toeristen bijna een kwartier op. Waarom wil ieder mens de fractie macht die hij heeft toch zo graag misbruiken?

De dag zit me dwars. Die blaffer bij Roibana, de promotietour met Tomas, zijn afrekening, het gesprek met Conchita, ik heb er ineens geen zin meer in. Nog een rum. Goed nadenken, jongen, je hebt een doel. Ach, vlieg toch op met dat rotdoel. Voor wie, waarom? Voor die lummel van een portier bij dat hek? Ik somber weg. En de entourage werkt ook al niet opbeurend. Salsa, salsa en als de band niet zijn brave deuntjes speelt, draait de diskjockey salsa. Cubanen steken de toeristen met geile, mooie dans de ogen uit. Een enkele Europeaan zal dat een zorg zijn en gaat gewoon staan harken en schudden. Dat lef heb ik niet. Ik heb Bowie nodig en ‘het geluid van brekend glas’, of Prince en zijn ‘Teken van de tijd’.

Hoor ik hier? Wat is dit voor verzonnen opdracht? ‘Ja maar, herinner je de insteek toch. Dat het anders kan. Dat je rekenschap wilt afleggen van lang kijken. Dat niemand kan zeggen dat het niet gezegd is.’ Houd op, zeur niet. Wanneer schreef ik al niet: ‘Alles is al gezegd en geschreven, geholpen heeft niet.’ ‘En hoe luidde het slotdicht?’ ‘Nog is zijn niet genoeg. Want het went niet, broeder. Altijd maar dat elkaar beschadigen. Kus me de ogen toe. De haat giert, de liefde buigt. Maar ooit?’ Ik weet het weer. Dat ‘ooit’ dus.

Behoudens twee bars waarin wat blond en buitenlands is ervan maakt, wat ervan te maken valt, is Viñales even na middernacht uitgestorven. Terug naar Rosa. Na drie blokken naar links, dan de tweede straat rechts. Honden slaan aan als ik passeer. De deuren voor de huizen zijn geblindeerd, van tralies voorzien en dan ook nog dubbele sloten. ‘Ja,’ zei Tomas, ‘dat zit zo. Enkele jaren geleden kwamen zwarte bendes uit Havana naar hier om te de toerristen te beroven.’

Hoe gekleurd en vervormd kan iemands blik zijn? Net als ik me afvraag wat míjn misvormingen zijn, zie ik hem. Verrast ben ik niet meer.

“Wie zijn eigen ziekte niet kent, kan de ander nooit de diagnose stellen.”

”Waar was jij toen ik je nodig had?”

“Altijd was ik er. Maar jij droomt waar ik waak.”

“De weg moet gegaan worden.”

“Elke weg leidt tot mij.”

“Wat weet jij van de kou? Ken je de eenzaamheid van het besef?”

“Mijn besef is anders.”

6

Vrolijk nemen zoals het komt

Hij leurt met tien doosjes lucifers, zijn hele handelswaar. Hij schreeuwt het uit, als een marktventer trekt hij langs de bars en terrassen. Zelfs die ene CUC die hij vraagt, zit er niet in. Zo te zien geen nood. Grapt hier, grapt daar, tot hij ineens een vriend op de fiets tegenkomt. Beide mannen zijn blij elkaar te zien en nemen alle tijd om de ontmoeting niet een vluchtige te laten zijn.

Ik zit op mijn stamterras en kijk met toenemende verwondering toe. Mijn moeder kon kleppen, maar deze twee beppen ook wat af, zeg. Én lachen én plezier. Na pakweg een kwartier nog één klap op d’ ander zijn schouder en voort met het leven. Nou ja, ‘voort’, dat verraadt alweer iets van haast, van ‘afmaken’, iets bereiken. Daar is de luciferverkoper niet mee bezig. Al hervat hij zijn venten met verve. Is het hem niet vandaag gegeven binnen te lopen, dan morgen toch.

Het tafereeltje bezorgt me een goede bui. Zoals ik mezelf daar al veel vaker op heb moeten betrappen. Het kost flinke moeite om in Havana in de rol van ‘scherprechter’ te blijven. Het kan niet anders, het mag niet anders, pellen, pellen, maar die aartsvrolijke Cubanen maken het me niet gemakkelijk.

Gisteravond was zo’n lastige avond. God, wat voelde ik me af en toe een chagrijnige stinkobservator, een ongenode toeschouwer, een azijnkijker, voortdurend op zoek naar zijn cynisch gelijk.

Eigenlijk was het één lange geluksejaculatie. Het begon al amper twintig meter de straat in. Ettelijke keren was ik de huiskamerbar al gepasseerd, het ‘amigo, amigo, where you from’ nauwelijks beantwoordend. Dit onder het motto ‘waag je er twee woorden aan, ben je twee CUC kwijt.’

Dit keer deed buurman het anders. Pakte me bij mijn hemd, lachte vriendelijk, trok me zijn bar in en drukte me een fles koud bier in de hand. Hij bleek ook nog wat Engels te spreken. Prettig praatje, voelde me nu definitief een beetje opgenomen in de buurt. ‘Zou hier eigenlijk best kunnen leven’ overdreef ik direct.

Schuin aan de overkant van de bar staat een flatgebouw. Ik liep erlangs en wat het was, ik weet het niet, maar ik zag dat hele gebouw lichtjes deinen. Uit alle ramen van alle twaalf verdiepingen die open stonden galmde muziek. Een glimlach viel niet te onderdrukken.

Je hebt van die avonden. Alles droeg bij aan de euforie. Er fietste een mager mannetje op een riksja voorbij die hij aanbood als ‘taxi, taxi’. Ik liep en zag de bouwval in het geheel niet meer. Wél prachtige atletische mannenlijven en welgevormde jonge meiden en vrouwen. Overal wat aan de hand. Gelach, dominotafels op straat, jongens die met hulpmiddelen baseballden. In elke deuropening zat wel iemand. Elk open raam swingde me tegemoet.

De lokker van mijn Chinese restaurant begroette me met: ‘Hey, writer, good to see you.’ Schrijver, ik schrijver. Daar moest flink op gegeten en gedronken worden. Tsjingboem, tsjingboem, cimbalen, een grote trom, draken, ik veerde op. Ja hoor, door de smalle hoofdstraat van Barrio Chino kwam een Chinese minioptocht voorbij. En precies voor mijn terrasje hielden ze halt, waarna jongens en meisjes de prachtigste Tai Chi en Kung Fu vormen lieten zien. De straat op stelten. Iedereen groepte er omheen. Andere kinderen keken met glanzende, grote ogen gebiologeerd toe. Driftig klapten ze na iedere act. En ik klapte mee.

Ik draai op mijn terras met de zon mee, vandaag wél, en neem mijn notities verder door.

Geen beter medicijn tegen der dagen zat zijn dan rondslenteren door Havana. De oude mannen die dag na dag de dag van vandaag er eentje noemen die ondanks de shit van het systeem toch maar genoten moet worden.

De manier waarop Maria me iedere morgen moederlijk een goede dag toewenst. De fietstaxi waarin de eigenaar in het dakje een beul van een geluidsinstallatie heeft gebouwd. Op de maat van pompende salsa trapt hij zijn armoede bij elkaar.

Die neger die van de week valser dan vals viool spelend langs de tafeltjes ging. Ik noteerde ‘vals’ en ‘als neger speel je al vlug de eerste viool’ Maar twee kleurgenoten wilden nóg wel een deuntje horen. ‘Shit, man, you play damm good violin.’

De fruitman moet ik niet vergeten die dagelijks door de straten trekt en met mooie galmende stem met telkens weer andere ritmiek en accenten dezelfde woorden tegen de gevels aan zingt.

Het lijstje ‘levenslust’ is groot. Van Viñales vind ik weinig notities. ‘Slaperige geldkloppers’ zie ik staan, wat te ver gaat, want Rosa was lief, in orde. Maar hier in Havana wordt in elke buurt, elk moment van de dag door de Habeneros driftig geprobeerd om mij te doen denken dat het allemaal wel meevalt met het leven. Ik schamper: ‘Het is genoeg geweest zo, jongens. Leuk gedaan, ga nu maar eens acteren naar de omstandigheden.’ Maar dat zit er dus niet in.

Laat ik ter vergelijk het meest vervelende gesprek beschrijven dat ik tot nu toe voerde in Havana. Eind van de middag, Hotel Nacional, ja, het zij zo, in het begin wilde de patser in me naar dat decadent luxe hotel. Er zaten Duitse gasten naast me, moeder met dochter. Enfin, je bent van huis, je zit om een praatje verlegen, vooruit. Waar ging het over. Ik kijk mijn aantekeningen na. ‘Tweede huis Frankrijk, lastig, poes.’ Oh ja, aan dat mooie huis aan de Côte d’Azur had ze niet veel. De poes liep er weg. Thuis had ze een elektrisch hek om de tuin laten plaatsen.

‘Wij vrouwen moeten ons laten verzorgen. Vind je niet, Lena, dat mannen voor ons moeten zorgen. Laat ze maar betalen, hoor.’ Dochter zat onderuitgezakt, verveeld, ontevreden, nam de moeite niet eens te antwoorden. Om haar op te vrolijken hield ik haar voor dat ze in hetzelfde hotel vertoefde als ooit Walt Disney, Winston Churchill en andere maffiosi. “Wie is dat, Churchill?” “Cuba socialistisch? Nog weinig van gemerkt.”

Ik sukkel op huis aan – wie er de sokken in zet wordt nagekeken – en probeer de levensopvatting van de Cubanen verder te doorgronden. Tegenover het lijstje ‘positief’ staat een even lange reeks ‘pijnpunten’. Die taxichauffeur stond met zijn ontboezeming verre van alleen. Bij velen die ik sprak schuilt onder de lach de wanhoop. ‘Het leven is niet gemakkelijk’ wordt verzucht. Of de lach en traan vallen samen in een grap. Castro veranderde de slagzin’ Patria o Muerte’, ‘het vaderland of de dood’, een keer in ‘socialisme of de dood’. Waarom zegt hij dat, vroegen Cubanen elkaar, dat is toch hetzelfde.

Langs het huis van Jesus loop ik. Die verwoordde het kernachtig: ‘Het leven komt als stront op ons af, maar we doen het ermee en maken van elke dag het beste.’

Het klinkt logisch, als onvermijdelijk, die acceptatie, maar iets in mij blokkeert. Er is dat deel dat denkt dat het anders kan. Regelneef is geen Cubaan. Als ik erover nadenk, raak ik kriegelig. De een vraagt zich af hoe alle leed in de wereld te minimaliseren valt. Die heeft alles, maar hij denkt, maakt aantekeningen, gaat ontrafelen, de mand met verrotte ideeën legen, legt zich nogal wat op. De ander, om wie het gaat, zit op de stoep. En als hij niet zit, swingt hij, chargeer ik.

In mijn Casa sta ik stil bij het hoofdstukje ‘muziek’, omdat die voor Cubanen bij ‘het leven nemen zoals het komt’ zo’n grote rol speelt. Het is een aanstekelijke rol. De hele dag overal muziek. Vannacht ging ik na een bezoek aan het Casa de la Música in Miramar laat naar bed, maar ik werd tegen dageraad alweer gewekt door een man die spelend op een gitaar zingend door de Calle waggelde. Niet der dagen zat, maar alle dagen zat, zoiets.

De beste muziek hoorde ik op straat. Geen betere band gehoord dan in de Calle Obispo in die pijpenla. ‘s Avonds moet je weten waar je moet zijn. Niet in de gangbare zaken. Gato Tuerto? Gelikt. Casa de la Trova? Bedaagd. Viñales? Ruggengraatloos toeristenvermaak.

Havana Café? Twintig CUC, ook als je niet wilt eten. Een soort ‘Piste’. Acts, minutenlang aaneengesproken door een spreekstalmeester die keer op keer alle gasten uit alle landen welkom heette in het geweldige Cuba en die om middernacht de hele zaal persoonlijk feliciteerde. Het wachten was alleen nog op de goochelaar. Vlak voor wat moet lijken op de Bueno Vista Social Club kwamen er vliegtuigen laag over. ‘Laat die dan tenminste nog onder applaus en tekst van Fidel op een dia de Twin Towers invliegen’, noteerde ik.

Gisteravond dus het Casa de la Música. Het lange wachten was veelbelovend, de band viel vervolgens als een muur, wat zeg ik, als een tankwal over de zaal heen. En muren swingen niet, ook niet in Cuba.

Ik zet een CD op. Met alle swingende herrie in de hoogste versnelling nog in de oren heb ik heimwee naar muziek die de oren streelt. Muzikaal, melancholiek, rustig, leeg, contemplatief, ach, wat ben ik je dankbaar, Anouar. Nog een Havana Club, luisteren, rust voor de Westerse geest, zacht worden, kijken en noteren dat ik steeds meer vertrouwd raak met de verdorde omgeving. Dan te bed.

Zondagmorgen. Toch jammer, van die herrie vrijdag, er moet goede muziek zat zijn. Met dat gevoel slof ik naar de Callejón de Hamel, in de gids omschreven als ‘in deze doodlopende steeg met muurschilderingen van Salvador González vindt elke zondag van elf tot drie een Afro-Cubaanse manifestatie plaats.’

Vanaf minuut één overtreffen de bezoekers de bonte muren met verve. Buitenissig uitgedost is een te geringschattende betiteling. Zwart is mooi en wil het weten ook. Rasta en santería en alles wat daartussen zit. Ik tel niet mee. ‘Santería: volksreligie, mengvorm van katholicisme en het door de slaven uit Afrika meegenomen geloof. Neem de godin Ochún, die leeft in rivieren en komt overeen met de Virgen del Cobre.’Laat verder maar. Kijken, kijken, kijken én luisteren.

Heet, druk, zinbegoochelend, kleuren, geuren, iedereen die je aanklampt met ‘amigo’. Eerst zitten, veilig, dekking in de rug. Ze heet Marguerita, spreekt anderhalf woord Engels, wil wel twee biertjes halen en, belangrijk, stuurt haar broer van zijn stoel af.

Aan mijn andere zijde twee Belgen. “Hoor ik Nederlands?” “Ik spreek geen Nederlands.” Veel diknekken in dat deel van ons land, liever ga ik met buurmeisje verder. ‘You, my mother see?” “Het moet niet te snel te serieus worden, maar daar is ze al.

Moeder is santeríapriester. Een kazuifel vind ik al een flinke verkleedpartij, maar dit is een hele kermis op twee benen. Haar kont is opgeblazen tot nog grotere porporties dan haar boezem. Met gebaren maakt ze seksuele toespelingen. Direct daarna gaat ze op schoot zitten en test met de hand hoe de handel erbij hangt. En ik dacht veilig te zitten.

Ik moet in haar kaarten mijn toekomst lezen, maar met moeten heb ik weinig. Dan pakt ze me de forse sigaar die ik rook af, steekt hem achterstevoren brandend en wel in haar mond en blaast de rook er tegendraads uit. Het moet niet gekker worden.

Heremetijd, wat een plek. En dan is dit, hoor ik later, nog een geciviliseerde versie van santería. Ik krijg het er nu al benauwd van. Het zweet gutst me van het lijf. Daar heb je moeder weer, even lopen. Naar de muziek toe. Rumba. Strak, pompend, hé, hé, muziek. Het dansen komt neer op de paringsdaad met kleren aan. Dat kan ik ook.

Dan maak ik een fout. Ik blijf te lang. En zomaar, van het ene moment op het andere, vind ik het een hoop gedoe. Een zondagmiddagontsnapping met veel drank, herrie, vreemde kleren, het haar toegetakeld en neukinsinuaties. Toepasselijk dat het in een doodlopende straat wordt gehouden. Als de boel leegloopt en de euforie het definitief aflegt tegen de meestentijds uitzichtloze werkelijkheid sla ik aan de overkant het ontbinden van de bonte optocht gade en weet opnieuw zeker dat opsmuk slechts verhult. Waarom zie ik onder elke schmink altijd de groeven?

Dan, ik voel het, staat hij weer naast mij.

“Een gevallen glas wordt nooit meer een drinkglas.”

“Ik ben onschuldig. Ik trof alles in scherven aan.”

“Een zin die ontleed is, heeft geen betekenis meer, zegt dat je wat?”

“Was de vloek van de taal maar nooit over ons uitgesproken.”

“Niemand spreekt uit. Wie vervloekt zichzelf?”

7

De klootzak

Het laatste stuk vanuit Centro naar de Avenida 5 loop ik. In alle rust, het is alweer zondag. De brede laan ligt in Miramar, een kalm stuk welgesteld Havana. Van oudsher woonden hier de mannen en vrouwen die het gemaakt hebben. Nu huizen er in de statige panden veelal ambassades en Cubanen die ‘privileges’ genieten. De vorm wijzigt zich soms, zelden de inhoud.

Santa Rita bevalt qua interieur. Lichte, vrolijke kerk, daar ga je heen, zeker als er ook nog eens hoop wordt geboden. Het beeld achterin van de heilige Rita, gemaakt door Rita Longa mag er zijn.

De mis uitzitten is heel wat voor een ongelovige. Het duurt en duurt, terwijl ik kom voor de ‘Dames Blanco’, de echtgenotes van gevangen zittende dissidenten. Vrijdag had ik al poolshoogte genomen. ‘El Padre’ bevestigde dat de ‘witte vrouwen’ nog steeds actief zijn. ‘Maar, let op, buiten de kerk. Hier wordt alleen gebeden en geen politiek bedreven.’

Hoe lang is het wel niet geleden dat ik een hoogmis met drie heren bijwoonde? Lang genoeg, de band van schuld en boete is verbroken. En ik heb tijd genoeg om dat met zekerheid vast te stellen gegeven de bijna twee uur die alle rituelen in beslag nemen. Mooie zang, meerstemming met een fijne mannenstem die het geheel draagt.

Midden in de mis nodigt de hoofdpater zijn gelovigen uit elkaar een zalig Pasen te wensen. Een hartstochtelijk en gelukzalig omhelzen vangt aan. Ik zit in mijn eentje terzijde. Op de toeschouwerpost. Toch ontkom ik nadat onder handgeklap de vertegenwoordigers van de heer zijn afgemarcheerd niet aan een ferme hand van de koster. Alles in me roept om een reactie. Nog niet. Later.

Alleen noteren, het is zo, ik verzin er niets bij, dat bij de uitgang een bedelaar staat. Een enkeling geeft wat. Het overgrote deel der gelovigen schuifelt langs de broodmagere, stinkende man zonder hem een blik te gunnen, laat staan een paar pesos.

Daar staan de ‘Dames Blanco’, CIA-agenten volgens Tomas. Ik tel er niet meer dan acht, negen. Witte kleding, een bos bloemen en op de revers een foto van hun man. “Mijn man heet Adolfo Fernandez-Sainz. Hij zit 15 jaar omdat hij andere ideeën heeft dan Castro. Dat is zijn enige misdaad.” De vrouwen ogen vrij, niks meer te verliezen. Wat ze doen, zich na de dienst op het pleintje voor de kerk verzamelen, wordt gedoogd zolang het gedoogd wordt. “Is jullie samenkomen gevaarlijk?” Een vriendelijke, schampere lach legt me uit hoe stom de vraag is. Dan duikt er een man op. Vanuit het niets? “U bent journalist, is het niet?” “Nee, nee, leraar”, haast ik me. Jesus zegt later: “Ze zien dit één keer door de vingers. Ga niet nog een keer. Dit leggen ze uit als toeval.”

Die mannen, weggezet achter tralies, die zeiden ‘tot hier en niet verder’, wat vermogen die? Niet veel. Het leven draait door in Cuba. Twee miljoen Habaneros zijn druk met zich door de dagen heen te wurmen. Dissidenten? Er is respect, ze zullen er soms iets over vernomen hebben, maar brengen die opstandige en moedige geesten ook iets waaraan zij vandaag, morgen wat hebben? De daden van al die mannen die om hun mening gevangen zitten of daarom het land moesten ontvluchten, sorteren beperkt effect, al was het maar omdat de overheid de nieuwsvoorziening volledig reguleert en er voor afwijkende geluiden in Cuba net zoveel plaats is als voor vloeken in de kerk.

‘Witte vrouwen indrukwekkend’ schrijf ik op voor ik verkas naar Vieja. Daar passeer ik struinend door de straten weer het broodloket. Een rij, een eeuwige rij. Sloeber is veroordeeld tot op zijn beurt wachten. En de dienst van deze morgen heeft mijn idee niet aangetast dat de laatsten nooit de eersten zullen zijn, of vooraan mogen zitten als iedereen aan de hemelse dis wordt genood.

Aangekomen in oud-Havana hoor ik twee hoeken verder een fanfare. Er op af. Het hart slaat sneller. Misschien zal ik dat ooit als de meest gelukzalige momenten aanwijzen, die uren dat ik als jong ventje in mijn geboorteplaats achter het machtige muziekcorps aan mocht lopen. Kunst en Genoegen vertrok en eindigde voor het ouderlijk huis, niks verdwalen, toch fietste moeder onopgemerkt liefdevol achteraan. Op dat Christelijke corps mocht je niet als katholiek mannetje.

Doet me denken aan de Hollandse rugzakstudente die ik vorige week bij mijn Chinese huisrestaurant ontmoette. Haar kat speelde altijd met de poes van de gereformeerde buren, behalve op zondag, dan zat die verlangend voor het raam maar mocht er niet uit. Geen idee of Christus daarvoor aan het kruis gestorven is.

Ik nestel me tegen het hek en geniet. Gewone lui, bakkers, groentemannen, die wat kunnen. Mijn plaatselijke slager slaat de grote trom in een drumband, zijn waren prijs ik hoe dan ook hoog. Ja, het gevoel van mededogen met de man van de straat, de arbeiders, of de arbeidsloze sjofelen ken ik. Als ze zich verenigen raakt mij dat. Je had vroeger waar ik woonde nog een andere fanfare, Werkmans Wilskracht. Alleen die naam al.

Ik kijk en voel een oude, bijna vervlogen woede opwellen. Waarom zijn deze kerels minder waard? Waarom ligt de gewone man altijd onder? Zie hier in Havana, hoe hard je als arbeider moet bikkelen en hoe karig je daarvoor beloond wordt. Maar als er gevochten wordt, weten de hoge heren deze mannen te vinden en te paaien, dan wél.

Oud sentiment? Ja en nee. Op de hoge heren had en heb ik het niet. ‘God laat ze gedijen, hij is ook God maar.’ Hoe mooi. ‘Maar altijd zitten ze over iets in hun rats. Je zou haast denken dat God ze een deugd deed als hij hun het leven nam.’ Ook prachtig, maar ik zie die welgestelde lui toch vooral welgesteld leven. Ze eten en drinken er goed van, doen wat aan verheven cultuur en verzinnen verhalen over normen en waarden om het voetvolk toch vooral in het gareel te houden. Soms bedenken zij een vijand om de eenheid te bewaren.

Dat vuur van die arbeiders die voor hun recht op wilden komen. Die begeesterde intellectuelen die hun kant kozen, het had wat, het had veel, maar het leidde tot niets.

Wie had er geen zwak voor die oprechte communisten die ook Nederland ooit kende, toen die ideologie haar mensonterende, dramatische failliet nog moest beleven?

De mannen nokken ermee. Zouden ze een clubhuis hebben, waar zij in eendracht nog een cerveza of wat achterover slaan? Zoals op Malta, waar ik in Marsaxlokk op uitnodiging een avond doorbracht in de zaal van de fanfare. Wat deerde het dat de snacks bij navraag ringetjes koeiendarm bleken te zijn, ik genoot van de sfeer, van die mannen en jongens en die meiden die er omheen vlinderden. Kracht, vitaliteit.

Het ging mis met dat idealisme. In de uitvoering. Wie heeft iets tegen het idee van gelijkheid? Te velen, o.k. Maar dat raakt de kern niet. Die zit hem in de onmogelijkheid voor de muzikanten om dat hemels klinkende stuk van ‘alle mensen worden broeders’ uit te voeren. Daarom is het een waardeloos stuk. En een gevaarlijk stuk, daar kunnen we miljoenen doden verder de ogen niet voor sluiten. Zoals ik in Cuba dagelijks zie dat ook het socialisme dat hier gepraktiseerd wordt op de schroothoop der ismes kan.

Ik ben in de Calle Obispo een eettent ingetrokken. Herrie en uitzicht op een nare man. Sommige vrouwen noemen dat een pleonasme, zo gek is dat niet. Hij maakt ruzie. Mond én ogen (en die kogelharde gelaatstrekken) verraden zijn ‘klaar om te doden’ inslag. Dat komt van pas. Noteren als de belangrijkste reden voor de onuitvoerbaarheid van het ‘eerlijk zullen we alles delen’.

Alles moet gezegd. De kracht om te overleven, die kracht om met muziek en drank als dope de eindjes op een vrolijke manier aan elkaar te knopen, heb ik beschreven. Nu de zwarte zijde, ook het standbeeld voor de eerzame, hardwerkende arbeider in zijn eeuwige slachtofferrol moet neer.

Nog een bier? Nog een bier. Onuitvoerbaar dus dat stuk van ‘allen gelijk’. Je had de richtingenstrijd. In menig communistisch partijkader zijn uit goede bedoelingen karaktermoorden gepleegd. In welke partij niet trouwens? Verder moest bij de uitvoering macht verdeeld worden. Niet genoeg lui zijn er met het hart op de juiste plaats. En macht corrumpeerde op termijn de rest.

Toch zit de hoofdoorzaak van het échec misschien wel schuin voor me. Hij belichaamt de vaststelling dat de arbeider, de gewone man niet alleen maar slachtoffer is. Ook in die ‘eenvoudige, ruwe bolster met blanke pit’ schuilt een dader. Hij komt alleen capaciteiten tekort in het gevecht. Praat en denkt minder goed. En spierkracht is vooral nuttig bij het verslepen van kanonnen. ‘Hij oogt als een lieve, zorgzame huisvader, je zou van hem kunnen houden, maar kom niet te dicht bij, dan slaat de hond aan.’

Maar uitgesloten is het niet, dat van goede wil zijn, die bereidheid het brood te delen. Ik ken Haar. Verweer heb ik niet. Tegen Liefde bestaat geen verweer.

Hij heeft lege, liefdeloze ogen.

Hij is de klootzak.

Hij speelt de baas over zijn vrouw.

Hij mishandelt haar, soms uit naam van zijn geloof.

Hij kankert, op dit, op dat, op alles en iedereen, nooit is het goed.

Hij maakt ruzie met de buren.

Hij liegt.

Hij jat van de baas. Tijd, geld.

Hij vreet zich vet.

Hij vindt dat zijn chef niet deugt, roddelt hem kapot.

Hij legt zaken waarvoor hij zelf verantwoordelijkheid draagt op andermans bord.

Hij zuipt.

Hij rookt.

Hij gaat vreemd.

Hij haat, maakt niet uit wie of wat, hij haat.

Hij wantrouwt de ander als zichzelf.

Hij is er voor zichzelf.

Hij boert.

Hij schijt.

Hij leest amper, als hij dat al kan.

Hij likt naar boven en trapt naar onder.

Hij draagt de agressie van de onvrede in zich.

Hij is altijd bereid tot het gevecht.

Hij sloopt desnoods een argeloze voorbijganger.

Hij laat zich gemakkelijk de oorlog insturen.

Hij verschilt, dat leert leven met de ogen open, qua inborst in niets van de hoge heren die hij haat.

Het restaurant is de tip niet waard. Ik schrik van wat ik de laatste minuten heb opgeschreven, maar alles moet gezegd, luid, duidelijk, niet te voorzichtig, niet mis te verstaan.

En jij dan, stomme sukkel? Ik kijk in de smekende ogen van de bedelaar. Is hij zijn trots kwijt? Welgesteld woord ‘trots’. Ik stop, geef wat, koop af en check. Zou? Zou ook in deze voetveeg, deze verworpene de ‘klootzak’ schuil gaan? Ik wil er niet aan. Ik wilde er lang niet aan. Ja, ook hij zou, mits welbespraakt en machtig, voor het eigenbelang kiezen. Misschien wel aan zichzelf voorbij lopen.

Hij zegt tenminste nog wel ‘bedankt’ als ik hem wat toewerp. Hoe anders was dat ooit in Calcutta. Jongetjes, vele met door vader en moeder eigenhandig geamputeerde ledematen want dat bedelde beter, keken je smekend aan, liepen desnoods de hele stad met je rond, tot je het geld in je hand had. Dan gristen zij de flap eruit en renden weg. Zo ondankbaar.

Avond, balkon, rum, muziekflarden en gelach dat omhoog komt. Reuring op de hoek van de straat. Er lijkt een buurttoernooi domino aan de gang. Mocht ik wel schrijven wat ik schreef? Ja, ja, niet terug deinzen, elk gordijn moet open gerukt. Ik overtuig mezelf met moeite. Een erg zwarte zwarte heeft me ontdekt in mijn driehoog toren. “Kom.” Ik kom.

De trappen af gloeit het hart. Vervuld van een oud herkenbaar gevoel, dat van ‘gezellig samen op straat spelen’. Het oude straatleven van vroeger, heimwee heb ik er zo vaak naar gehad. Nu verpieteren we, loerend naar dat vuige nepleven dat ons dag na dag door het oog geduwd wordt.

De man die me twee dagen geleden al over de drempel de buurt in trok, duwt me weer een Bucanero in de hand. Daar sta ik als enige witte. Voel me goed. In Atlanta vroeg ik een neger eens naar een locatie met goede muziek. “You don’t mind if you’re the only white one?” Was ik niet en de muziek was werelds.

Vroeger zette buurmannen rustig een hele straat af als er buiten op straat getafeltennist moest worden. Lachen, gieren, duiken op de keien, de kleinste kinderen met blote billen achter elkaar aan en de vrouwen ondertussen voor hun deuren groenten schoonmaken voor de conservenfabriek. Het is een voorrecht als je wieg aan de rand van een achterbuurt staat.

Ik moet meedoen. Nee, ik speel niet mee. Eens toeschouwer, altijd toeschouwer. Vergroeid met die rol ben ik. Ik lurk aan de fles bier en zie in de hoek op een lage kruk een oude man met een verloren blik tegen de muur aanhagen. Hij kijkt mij aan en zegt: “Ik heb je betoog over de klootzak in mij wel begrepen. Het klopt. Maar wat kon ik daaraan doen? Had ik daar hand in dat ik was wie ik was? Heb ik ergens om gevraagd? Mij hadden ze over mogen slaan bij de schepping.”

Het avondlijke spelen stopt. Een ieder druipt af naar zijn wankele bed. Ik naar boven. De slaap vat ik moeilijk. Heb ik met genoeg respect mijn punt gemaakt? Ik wilde slechts zeggen dat het niet alleen aan de metselaar ligt dat de muur van elk systeem telkens instort, maar ook aan de schots en scheve stenen. Kan zijn, maar de gevangenismuren rond de dissidenten blijven staan en zijn koud en vochtig. Uitgerekend die paar van goede wil zijn hier opgesloten. Misschien wel daarom.

8

Haal die hand eraf

Of ik maar plaats wil maken. Ik sta de vrouwen in de weg die de stoep van het Museo de la Revolución aan het poetsen zijn. In het kader van de gelijkheid zou het aardig zijn als na decennia revolutie zo’n werkje nu eens door mannen gedaan werd.

Drie passen voorwaarts en ik kan kalmpjes de tank aanschouwen. Wie zat er ooit in, vanuit welke overtuiging schoot hij op wie?

Draai ik me om dan zie ik een fraai ogend paleis. Presidenten huisden er vanaf 1920, maar nadat de laatste dictator uit eigen naam, Batista, verjaagd werd om plaats te maken voor een dictator uit naam van het volk werd het gebouw, symbolisch sterk, bestempeld tot Museum van de Revolutie.

Het volk dat er is, spreekt meestentijds Engels. De studente met aantekenblok naast me niet. Zij komt uit Argentinië en draagt de baret van landgenoot Che. Te jong om te weten. Zij vertaalt een stuk tekst in de vitrine van de eerste kamer op de looproute. ‘De Spanjaarden hebben de oorspronkelijke cultuur vernietigd en de slavernij gebracht.’

Er hangen zwaarden, geweren en er staat een kanon. Zaken om voor te vechten zijn er altijd geweest. Foto’s van veldslagen, van eigentijdse ridders te paard in uniform. Die overleven meestal de strijd wel, waar zijn de platen van het voetvolk dat als onbekende soldaat een heel leven voor zich zag eindigen in een bajonet?

Volgens de vitrine is in 1902 de neokoloniale republiek geboren. Amerika had Spanje verdreven en tot aan de Revolutie zouden de Yankees het eiland als hun achtertuin beschouwen, een fijne plaats om te genieten van de rum, de sigaren en vooral de vrouwen. Zoals nu de toeristen weer doen als in financiële zin reddende engel van Castro’s bewind.

Ik loop door die zalen, volg de pijlen en de desinteresse groeit. Een jasje en een pyjama met bloedvlekken. Zonde van zo’n leven, dat is wat ik denk. Het werkt niet zo. Met een bijl slijp je geen diamant. De motieven voor welke gewapende strijd dan ook, wat moet je ermee? De winnaar schrijft de geschiedenis en heeft gelijk. De enige lui die ik koester zijn de mannen die zich lieten bedotten en die stierven. Of die zich hier in Havana in de houdgreep bevinden van die idealisten die ooit vol goede bedoelingen, laten we dat dan nog aannemen, de boel overnamen.

Meer Fidel dan Che is mijn indruk in het museum. Was Che Guevarra, oerrevolutionair, oprecht guerrillero, niet uit op macht, waar Fidel er als de kippen bij was om president te worden, zat het zo? Wat doet het ertoe. Je moet, ook als je Che heet, eerst denken voordat je handelt. En als je dan tot de slotsom komt dat de derde wereld alleen gewapenderhand kan worden ‘bevrijd’ dan heb je slecht nagedacht. Dat kan nog wel kloppen en een idee barstens vol goede wil zijn, maar wat dan? Wie gaat de boel inrichten? Wie krijgt de macht in handen? Zijn er genoeg oprechte idealisten? En als die er niet zijn door wie worden dan al die andere machtsposities ingenomen?

Daar een lijstje met cijfers van verworvenheden van de revolutie. Natuurlijk zijn die er ook. Vrijheid van onderwijs, het analfabetisme aangepakt en gratis medische verzorging. Goede zaken, al zegt het weer veel dat je als rijke Cubaan of als buitenlander in betere ziekenhuizen wordt opgenomen dan ‘Jan met de baret’.

Wat zeggen die cijfers mij? Niets, een mens kan niet wantrouwend genoeg zijn. Pas als er ook bij zou staan hoeveel dissidenten er in de gevangenis vertoeven, hoeveel Cubanen het land al ontvlucht zijn of omgekomen bij hun desperate boottocht naar Amerika en waarom het Rode Kruis en andere hulporganisaties het land niet inkomen neem ik die geweldige prestaties serieus.

Amerika, vluchtelingen, de woorden zijn gevallen. Er huist al een grote Cubaanse kolonie in Miami. Die maken geld over naar familieleden in hun geboorteland, ook een kurk waarop de Cubaanse socialistisch ingerichte economie drijft. Soms zelfs extra geld als een familielid een vergunning wil aanvragen voor een uitreisvisum. Dat kost nogal wat. Honderdduizenden vragen de visa aan, slechts twintigduizend trekken jaarlijks een winnend lot. Ook hieraan verdient de Castro-kliek dik.

Ik wil weg, hoef die heroïsche kogelgaten in de trap van de studenten die Batista aanvielen niet meer te zien. De Granma, de boot waarmee Fidel en de andere rebellen in 1956 overstaken van Mexico naar Cuba en de andere memorabilia van de Varkensbaai-invasie, het kan me allemaal gestolen worden.

Ik ben op zoek naar de grote lijnen. Naar waarom er eeuwig gevochten wordt. En altijd blijken de goede jongens later weer de slechte. Weg, weg.

Dat dien ik ook te wezen als ik de rode betonnen loper wil betreden bij het bos zwarte vlaggen voor het kantoor van de Verenigde Staten. Geen ambassade uiteraard, de landen staan elkaar (grotendeels voor de vorm) nog steeds naar het leven. Een fluittoon in de gebiedende wijs en een dito armbeweging op afstand zeggen me te gaan. Ik maak aantekeningen, pet kijkt. Drie spreuken staan er: ‘Het vaderland of de dood’, ‘Eeuwige glorie voor de martelaren’ en ‘We zullen overwinnen.’

Ook de stoep voor het met zwart spiegelglas geblindeerde gebouw mag ik niet op. Op de gevel had Amerika groot, digitale boodschappen geplaatst en om die aan het oog van de Cubaan te onttrekken, werden de vlaggen geplaatst.

Jesus had het een kindergevecht genoemd. Ik zie kwade, strenge mannen met pistolen in holsters die mijn gangen nauwgezet volgen. Ook hier weg.

Hoe oud zal ze zijn, net even twintig? Haar lichaam is welgevormd genoeg om in haar eentje een jaar lang een mannenblad te vullen. Ik kan het werpen van een extra blik niet laten. Fout. “You casa?” “Si.” Nog fouter, we zitten al bijna in een taxi. Ik leg haar uit dat ik met een andere missie in Havana ben. Zij sist iets en loopt verder.

Toch maar weer even de rust van Hotel Nacional opzoeken. Me opladen voor mijn laatste, niet te onderschatten taak, het opmaken van de rekening. Bier, nootjes, een sigaar, net thuis. Alleen warmer hier en palmen en gelikt spelende, maar goede muzikanten in de hoek van de tropische tuin.

Grote koffers worden naar binnen gesjouwd voor een verblijf in de periferie van Cuba. Twee dandy’s slenteren nonchalant richting zee. Shirt open, de wasborden zichtbaar, zonnebril in het haar, verveelde trek op het gezicht.

In de zaal achter mijn rug vindt een receptie plaats. Het almaar in sterkte toenemend gekakel verraadt dat de drank rijkelijk vloeit. Waar niet? Drugs hebben we nodig.

Buiten loopt Zij, haar lichaam voor nagenoeg niets in de aanbieding. Het klopt niet, het deugt niet, het zou niet zo mogen zijn. Mijn vuist bal ik in de broekzak. Hoe groot kan soms de woede zijn, de behoefte om te slopen. Om voor één keer van één tronie die zelfvoldane grijns af te timmeren. Dat er al zoiets bestaat als een wieg die op de goede plek staat is ellendig genoeg, maar dan kijken alsof dat jouw verdienste is! Dat God straffe en voor één keer niet apathisch toekijkt.

Ik reken meer af dan Zij vraagt voor een week.

De middag vordert, maar de zon brandt nog stevig. De hitte is welkom na de regen en het onweer van de laatste dagen. Het plein bezoek ik straks, eerst het José Martí-monument aandoen. Martí verloor in 1895 het leven bij een veldslag tegen het koloniale Spanje. Pas 42 was de vechter, schrijver toen, maar hij had al genoeg aan het papier toevertrouwd om hem qua gedachtegoed de belangrijkste wegbereider te noemen voor de Revolutie van ’59. Zijn buste en monument – een 139 meter hoge toren – sieren logischerwijs de Plaza de la Revolución.

Op de binnenmuren van het monument prijken teksten van Martí. ‘Het huis en het gedrag van een man moeten ‘schoon’ zijn.’ ‘Denken is dienen.’ ‘Vergeven is triomferen.’ ‘De glorie van een man is niet compleet zonder de glimlach van een vrouw.’ ‘Er stierf ooit een man aan het kruis, maar wij moeten ieder leren elke dag aan het kruis te sterven.’ ‘Het bloed van de ‘goeden’ wordt nooit verspild.’ ‘Het land eren is een manier om ervoor te vechten.’

Moralist, Martí, had ideeën over hoe het zit, hoe het moet. Twijfelde niet, wilde ervoor sterven, een geweer pakken en een ander mens doden omwille van wat hij dacht dat waar was. En wat is ervan terecht gekomen?

Te denken dat er ‘goeden’ en dus ook ‘kwaden’ zijn. Wie bepaalt dat? Dat er mensen zijn die louter goed handelen waar anderen bezeten zijn van het kwaad, van de duivel, zo u wilt. Valt dat met droge ogen staande te houden? Ik zou die jongen die vecht voor de ‘vijand’ niet een slecht mens willen noemen. In wie van ons huist niet een deel klootzak? Ik houd de eerste steen op zak.

Het ‘goede’ druipt van Martí’s teksten af, maar sloeg hij thuis zijn vrouw, maakte hij haar ongelukkig door er naar goed Cubaans gebruik meerdere minnaressen op na te houden? Smeekte zijn zoon hem die laatste fatale veldslag niet in te gaan?

De lift brengt me naar de top van de toren. Uitzicht rondom over Havana. Ik proef Martí na. Voel zijn goede bedoelingen. En, ja, soms moét er ook gestreden worden. Als essentiële zaken met geweld worden aangevallen. Maar heiligt één doel het middel van de moordzuchtige aanval? Wat is 111 jaar, een korte tijdsspanne, meer niet. Een luttel aantal uren is verstreken sinds jij sneuvelde, José. Je goede goed is gestolen en door Fidel Castro gebruikt om er lelijke kleding van te maken voor het volk dat jij liefhad. Kleding als dwangbuis.

‘Vrijheid is het recht van ieder mens om eerlijk te kunnen zijn, om zonder hypocrisie te mogen zeggen wat hij denkt.’ Dat schreef Martí. Ik kijk uit over Havana en de geur van de leugen, vermengd met die van het angstzweet om vrijuit te spreken slaat me op de keel. José Martí, en met jou zovele andere ‘strijders voor de goede zaak’, vocht jij je hiervoor dood?

Eenmaal beneden pak ik mijn viltstift en plaats mijn drie spreuken onder die van Martí. ‘Denken leidt tot niets.’ ‘Geen doel heiligt het middel van de moordzuchtige aanval.’ ‘De wereld verandert pas als de mens verandert.’

Het Plein van de Revolutie. Gras schiet her en der door de stenen heen. Nog maar af en toe wordt de immense vlakte gebruikt. Dat was in de beginjaren anders. Regelmatig draafden ruim een miljoen Habaneros op om militaire parades te aanschouwen of om de betogen aan te horen van Fidel Castro.

Het lege Plaza de la Revolución vormt nu het moeizaam kloppende hart van bestuurlijk en cultureel Cuba. Martí heeft, hoe kan het anders, oogcontact met de beeltenis van Che Guevara aan de andere kant van het plein. Zijn befaamde beeltenis siert de gevel van het ministerie van binnenlandse zaken. Eronder: ‘Hasta la victoria siempre.’ ‘Blijf streven naar de overwinning.’

Hoe zou Che zich ontwikkeld hebben op hogere leeftijd? Hoe zou nu zijn conclusie luiden na een wandeling door Havana? Zou hij uiteindelijk een revolutie tegen Castro ontketend hebben?

Ik blijf kijken naar die muurgrote Che. In het bruin had ik je hangen op mijn slaapkamertje, kameraad. Iets ging ik bevechten, net als jij. Maar misschien doe ik dat nu pas echt, nu ik alle waarheid bevecht, elk idee waarvan de een denkt dat het geldt voor de ander, elke luttele zin die oproept tot strijd, elke overtuiging die niet gedoogt.

Je wist dat je een waardeloze dood ging sterven toen je naar Bolivia trok. Waarom? Toen je jouw vrouw voor het laatst kuste, toen je die afscheidsbrief schreef, hoe zeker was je toen van jouw gelijk? Van je recht om de mens naar de vooruitgang te schieten? Ook doden voor de goede zaak heet moord. Misschien was jij daar ook wel op gekomen als je had leren zien hoe kortstondig en vluchtig de gloed van een nobele gedachte is. Dat hij al bij het begin van de uitvoering dooft, verstikt raakt door ’s mensen onkunde.

Een stukje naar rechts staat het gebouw van het ministerie van communicatie. Zouden daar alle in het kader van de vooruitgang afgeluisterde gesprekken binnen komen? En in de belendende nationale bibliotheek, welk boek staat daar wél, welk niet, zijnde verderfelijk voor de geest van het volk? Achter me het Teatro Naciónal. Toen ik gisteravond van de Barrio Chino terugliep naar mijn Casa zat halfweg tegen de muur in de stromende regen een man ineengekrompen op de stoep. Kleiner, minder kon niet. Zou er voor hem ooit, al was het maar één keer, plaats zijn in het theater?

Ik zweet ondertussen. Hoe lang sta ik hier in de zon? Heel even nog maar vergeleken bij de soms dik zes uur die de mensen moesten luisteren naar hun Chef.

Plotseling, als op bevel, stroomt in recordtijd het plein vol. Ik sta vooraan, maar ingepakt nu door honderdduizenden Cubanen. Naast de buste van Martí is een spreekgestoelte neergezet en om me heen gonst het dat Meneer ziek en wel toch nog gaat spreken. En jawel, daar is hij.

“Landgenoten, kameraden, zolang ik nog leef zal ik trots zijn op wat wij als Cubaans volk bereikt hebben. Vandaag vind ik het nuttig jullie nog maar eens te wijzen op alle vooruitgang, op alle goeds dat de Revolutie ons gebracht heeft.

“Laten we niet vergeten uit welke situatie we zijn gekomen, dat Cuba een land was dat door de Grote Vijand, dat verderfelijke Amerika, als lustoord aan de rand van de bedelstaf was gebracht! En zie hoe ons land er nu voor staat!

“Wordt in de imperialistische en kapitalistische wereld de arbeider uitgebuit, hier is hij de baas. Jullie, het volk, hebben het hier voor het zeggen! Zolang ik er was, zo lang ik er nog zal zijn, altijd was en ben ik slechts jullie nederige dienaar. Niets anders doe ik dan ervoor zorgen dat ons land voor de rest van de vaak vijandige wereld een toonbeeld is van geluk en voorspoed voor de gewone man.

“Maar niet alleen over materialistische zaken moeten we praten, kameraden. Er zijn meer zaken van belang die ons volk tot grote eer strekken. Hebben wij niet de vrijheid van onderwijs geschapen? Waar vind je dat? En zijn de medische voorzieningen niet op een voor de wereld ongekend hoog plan? Welk derde wereld land kan ons dat nazeggen?. Dankzij de Revolutie, dankzij de kracht van jullie, het Cubaanse volk.

“Ik zal er straks langdurig op in gaan en ook op nog andere geestelijke verworvenheden van de revolutie, zodat jullie zonder maar de minste twijfel naar huis terug zullen keren en verder leven, ook als ik er niet meer ben.

“José Martí, Che Guevara, onze grote helden, die dachten niet alleen in stoffelijke zaken. Die koesterden ook hoge geestelijke idealen. Als dat iedereen gelijk is. Kleur telt niet in dit land, noch je afkomst, noch of je man of vrouw bent, allemaal verworvenheden van de Revolutie.”

Er wordt Castro een glas water aangereikt. Hij nipt, bevochtigt de lippen en maakt zich op om aan de verdieping en verbreding te beginnen van alle heil en goeds dat hij net omschreef.

Dat is het moment waarop ik heb gewacht. Ik pak mijn kans en roep dat ik het oneens ben met de Chef en dat ik het woord wil. Veiligheidsdienders vliegen op mij af, gewend als ze zijn om elk dissident geluid in de kiem te smoren. Maar Fidel taxeert en gebiedt mij boven te brengen, naast hem. Fout jongen, fout.

“Mijn gast, waarschijnlijk een indringer van de Kern van het Kwaad, het vuile Amerika, wil aanvechten wat ik zei, al die positieve zaken waarvan jullie weten dat het waar is. Spreek, steek je kansloze betoog af, vreemdeling. Ik zal alles wat je beweert weerleggen, dat beloof ik je nu alvast.”

“Nee, een yankee ben ik niet. Ik kom uit het land met het gezegde dat praatjes geen gaatjes vullen, Nederland. Je oreert, je schetst met woorden een euforisch beeld, maar de werkelijkheid is totaal anders. Je liegt willens en wetens. Je weet hoe het echt zit. Hoe arm zijn de armste der armste hier niet! Hoe hard moeten die werken voor hoe weinig geld en hoe weinig is er dan weer voor hun pesos te koop? Krijgt de staat van kapitalistische buitenlandse bedrijven met wie je samenwerkt per uur niet het veelvoudige van wat je uitkeert? De arbeider, uit wiens naam jij zegt te regeren, is slecht af. Dag na dag moet hij met kunst en vliegwerk zien te overleven. Heb je wel eens één nacht met twee gezinnen, met acht mensen in twee kamers geslapen? Moest jij langdurig vergeefs hopen op een eigen huis en aankloppen in de kathedraal bij Maria de Loreto? Valt bij jou in het paleis ook regelmatig de stroom uit? In welk ziekenhuis vertoef jij? In dat voor de arbeider dat nauwelijks nog over medicamenten beschikt, of in het betere hospitaal voor de hogere klassen? Want ja, klassenverschil is er volop in deze ‘allen gelijk’ samenleving. De een rijdt een goede auto, de andere een riksja. Ik zie welgeklede hoge heren en bedelaars. Mensen smeken in armoede om één kapitalistische pen. Vrouwen prostitueren zich. Laat jij je ook de schoenen poetsen in het oude centrum, of heb je daar je eigen mannetje voor?”

“Je kent de feiten niet, leugenaar, want dat ben je als je bij het beschouwen van de economische situatie moedwillig niet meeneemt dat het duivelse Amerika, dat grote gezwel van de wereld, ons land nu al ruim veertig jaar treft met een handelsembargo.”

“Jij gelooft alleen jezelf nog, Fidel. Jullie handelen in het geheim al lang met Amerika. Maar het komt jou en het partijapparaat goed uit om een vijand te hebben. Als bliksemafleider en als alibi voor jullie failliete beleid.”

“Maar Cuba draait, amigo, Cuba draait, de mensen hebben dagelijks te eten. In welk derde wereld land is dat zo?”
“Je moet een rotte appel niet vergelijken met een rotte peer en dan zeggen dat het wel meevalt, als je begrijpt wat ik bedoel. En dan nog dit: almaar hoor ik je schimpen op de kapitalisten, de imperialisten. Laten zij nou de boel hier nog draaiende houden. Vertel mij geen leugens. Hoeveel geld stroomt er wel niet vanuit dat vermaledijde Amerika naar hier? En is niet dat kapitalistische toerisme de grootste bron van inkomsten voor jouw utopisch geschetste Cuba? De waarheid – ik schrik van het woord dat ik gebruik – is dat jouw hele revolutie door dat zieke buitenland overeind wordt gehouden. Geef dat toe. Zeg nu je het nog kunt tegen het volk hier en thuis voor de buis dat het mislukt is.”

“Ik zeg niks op bevel. Ik geef hier de bevelen, hond. Die toeristen komen hier uit respect voor dit land, om dit volk te steunen. Omdat zij weet hebben van onze grote stoffelijke en geestelijke vooruitgang in weerwil van het kwade Amerika.”

“Je acteert goed, Chef. Dat je die zinnen kunt bezigen zonder in lachen uit te barsten. In aanvang mankeerde er niets aan jouw goede wil. En nog, als ik naar je kijk en luister, zie ik die bevlogenheid. Maar de moed die nodig is om de nederlaag te erkennen kun je niet opbrengen. Ik zal je uit nóg een droom helpen: voor het volk, om wie het draait, ben je al lang een machtswellusteling. De mensen hielden van je en een groot deel doet dat nog. Uit eerbied. Zij willen je de tragische mislukking niet eens aanrekenen.

“En dan nog dit: jij begon tot twee keer toe over die immateriële zaken. Daarin schuilt nog het grootste kwaad, weet je dat? Waarom iemand leren lezen om hem vervolgens voor te schrijven wat hij wél mag lezen en wat niet? Maar het is erger: mensen voelen zich beknot, machteloos, gevangene van een systeem dat zij in meerderheid niet meer willen. Jij hebt het volk uit naam van het volk geknecht, zoals het altijd gaat. Macht, het gaat je al lang alleen nog maar om macht. Daarom wil je grip hebben op de arbeider om wie het zou moeten draaien. Je controleert zijn gangen. Je luistert af. Wie niet trouw op massabijeenkomsten als deze opdraaft, wie niet trouwer dan trouw is in de leer, wordt via de wijkcomités verraden en aangepakt. Geen baan, wachten op je huis, dat soort dingen. Je hebt de ene Cubaan tot luistervink van de ander gemaakt. Omdat jij jouw machtsspel wilt blijven spelen vertrouwen de mensen elkaar niet meer. Een groter kwaad kun je een volk niet aandoen.”

“Je weet niet waarover je praat, indringer. Ik lag in hinderlagen. Ik vocht met gevaar voor leven. En jij, laffe redenaar? Hier vriendelijk ontvangen worden en dan denken dat je mij de waarheid kunt vertellen. Als het volk deels in armoede leeft, is dat onvermijdelijk, snap je dat? En als de vrijheid beperkt is, is dat even onvermijdelijk, begrijp je dat ook? Mijn intenties waren en zijn goed, beter dan het nu goed gaat, kan het niet gaan.”

“De gave van het woord kan ik je niet ontzeggen, Fidel. Lang ben ik hier nog niet. Maar lang genoeg, want er ging een leven lang leven met open oog aan vooraf. Ik richt me nu tot jou, het had ook Stalin kunnen zijn, of Mao, of één van die andere volkspotentaten. En nu jouw opmerking over het volk. Opnieuw zeg ik: jouw verhaal klopt niet. Als het onvermijdelijk gaat zoals het gaat, waarover geredetwist kan worden, had dan het volk allang de vrijheid terug gegeven. Zou je die zware hand eraf willen halen?”

Iemand tikt op mijn schouder, ik schrik op. Of ik een foto wil maken. Daar heb je haar uit Argentinië weer, jong, onwetend, met baret. Had ze maar mee kunnen luisteren.

Het is na elven, mijn laatste avond, het zit erop. Ik zit op mijn observatiepost drie hoog en de stroom is weer eens uitgevallen. Rum, sigaren. Ik kijk naar de verduisterde wijk, naar de huizen alom waarin ik pretentieloze schoonheid ben gaan zien. De mensen erin, de Cubanen, zal ik missen. Hun vermogen tot goedgemutst improviseren. De liefde voor de muziek. Laat het morgen maar gebeuren. Laat er definitief een streep gezet worden door dat hoogmoedige idee dat het goed is als je de mens ter zijner voordeel zijn vrijheid afpakt.

Ik denk weer. Ik wil even niet meer denken. Zitten, kijken, daar genoeg aan hebben. En wachten op hem.

“De vogels zingen altijd eender en nooit een triest, melancholiek lied.”

“Ik zing niet, ik weerleg.”

“Zoek niet hier en daar als het al voor de voeten ligt.”

“Ik breek af.”

“Alleen dwazen en zij die onvoorzichtig zijn, vallen in hun eigen wapen.”

“Ga. Ik moet verder.”

Deel II

VRIJHEID BLIJHEID?

1

Paddestoel

Woest rood haar boven een verwilderd gezicht en een verlopen legeroutfit. Het nazomert nog, maar hij draagt op de rug een omgekeerde stofzuiger, waarmee hij denkbeeldige bladeren van het Damrak blaast. Af en toe overschreeuwt hij zijn machine. Niemand neemt aanstoot. Zijn bede, als je me ooit tegen komt, verloren, ver weg van mezelf, de controle kwijt, zou je dan niet willen lachen, wordt verhoord. Uit onverschilligheid.

En ach, hoeveel wijkt hij af van alle passanten? Iedereen rept zich met grote noodzaak ergens heen. Wie gaat waar wat halen?

Dikke negerinnen, blanke dennen; een vrouw moet deinen, niet bonken, weten ze dat niet. Aktetassen naast rugzakken. Een rabbijn, een gesluierde moslima op witte, hoge hakken. Dienders. Witte mensen, zwarte, gele, bruine en alles ertussen. Mannen, vrouwen, jongens, meisjes, gewild koket, gewild onaangepast, elegant gekleed, of hoerig. Allemaal op weg. Een enkeling sleept een koffer mee. Kan probleemloos, hier geen kraters van kuilen, dit is Havana niet, dit is de hoofdstad van een rijk en vrij land.

De voort schuivende stroom zoekenden is stil. Spreekt er iemand dan vang je flarden op van alle mogelijke talen. Een enkeling spreekt Amsterdams. Allemaal leggen ze het ruim af tegen de bladerenman.

Mooie gevels, statige panden, goed onderhouden, hoeft geen Unesco aan te pas te komen. Alleen is de benedenverdieping vergeven aan voor elk wat wils. Snel eten, souvenirs, terrassen, goedkope Italiaanse deegwaren, Argentijnse biefstukken, een Indiaas restaurant dat de naam draagt van de man die de vrede bevocht door juist níét te eten, Gandhi, een wisselkantoor dat liefdadig geen commissie vraagt en ter vermaak een amusementshal. Gokken. De een zoekt dit, de ander dat. Je hebt veel, je wilt meer. Niemand verlaat het hol vrolijk.

Aan de overzijde kun je in een stukje van de Beurs van Berlage fietsen huren, ter bevestiging dat de gratis te gebruiken witte fietsen verleden tijd zijn.

Boven een van de trappen van het Centraal Station staat in het wapen van Amsterdam ‘heldhaftig, vastberaden, barmhartig’. Zo ongeveer wil ik de blik laten dwalen over een van de onderling uitwisselbare grote steden en landen van het vrije westen. Twijfel kan er hooguit zijn bij de barmhartigheid, of dat er van komt.

Hoe gaat dat hier? Andere observatiepost. Gaat er armoede schuil onder alle rijkdom? Wat maken we ervan? Je mag zeggen wat je wilt, alles doen, laten wat je wilt laten, je volvreten in deze hoorn des overvloeds. Je kunt hier uniek en gelukkig zijn. Alles ligt voor de grijp. Of ligt het anders? De mensen die passeren zien er bij nader beschouwen allen eender uit, wrevelig, ongeduldig. Het is zoeken naar ogen die goed staan.

Het seksmuseum biedt ‘seks door de eeuwen heen’. Weinigen wagen zich naar binnen. Waarom ook als je er twee straten verder jouw uitvoering aan toe kunt voegen? Zou er in het museum ook aandacht zijn voor de onverzadigbare wanhoop die soms aan de daad ten grondslag ligt?

Aan de overkant de Beurs. Rode letters jagen geheimschrift over de gevel. Dat is dus flitskapitaal. Ik sta stil, kijk en direct vraagt een riksjajongen of ik vervoerd wil worden. Ik kijk naar de modieuze knaap die weldoorvoed achterover hangt in zijn trapkar en moet terug denken aan de professor die ik ontmoette in Havana Centro en die zich zestien uur per dag, zes dagen per week in het zweet fietst om per maand aan net iets meer te komen dan een hongerloon. ‘Nee, nee, ik ben op weg naar het warenhuis aan de overkant.’

Naar de enige echte tempel van onze eredienst. Hier is de dans om het kalf op zijn hevigst. Oude ogen, strakke huid. Een frase uit hun bijbel van genot: ‘Het valt niet mee bij die rok in dat nieuwe winterbruin de juiste laarzen te vinden.’ Merktassen van honderden, horloges van duizenden euro’s. Wie delft voor hoe weinig de grondstoffen? Wie zet dag na dag voor 1 euro per werkdag ver weg die sportlegging in elkaar?

De dienst is ordelijk, niemand geeft aanstoot. Hier is het om te doen. Een jong ding, verworden tot louter buitenkant, lokt gelovigen met een gratis restylen van het gezicht. Haar stem is die van het kindmeisje. De vrouw van de laarzen gaat in conclaaf. Het zou mooi zijn een lipstick te gebruiken die ‘matcht’ met het haar. Alles glimt, alles riekt overdadig. Ze gebruikt de nieuwste geur, Anxious, met erin verwerkt een vleug opwindend angstzweet. Achter het oor afdrukken van de tand des tijds.

Vrouwen die arm in arm meisjes opvoeden in de leer. Nichterige verkopers in te strakke hemden, vette mannen, slappe wangen, kromme lijven, stramme benen, ritselende kredietkaarten, bedompte conversaties, de rituele intercom, je voelt het, je ruikt het, de hele machinerie, dat hele raderwerk is afgestemd op het opwekken van de lust tot kopen. Heb je het, loop je ermee het pand uit, dan is het achterhaald. Altijd anders, altijd meer.

Waar ben je kartonnen man? Komend uit Bloomingdales, Manhattan, stapte ik op je, verscholen als je lag onder de verpakking van onze verpakking. Je vloekte niet, je deinsde terug, je stond met de rug tegen Gods blinde muur en voelde je rot. Hoe kon je mij, hooggelovige, de armen gevuld, zo ontrieven. Contact, naar elkaar kijken, wie torst wat mee, wie van ons zou toegelaten worden? Waar ben je?

Zelfs niet één lotgenoot waar overheen gestapt moet worden bij het verlaten van de korf. Ook geen slapers op het monument, die zijn nu zelf marinier. Mensen staan in de rij om een wassen afdruk te bekijken van lui die bij leven al een valse afdruk van zichzelf waren. Ik ben verdwaald in een hels circus.

Jongeren, burgerlijk wild, camera’s, overal zoemende lenzen. Terwijl God is opgehouden zijn alziend oog te laten spieden. Hij trekt het niet meer. Aan het eind van elke dag restte hem slechts één ding: deleten, weg dat aardse gepruts van de Harde Schijf.

The Amsterdam Dungeon. Botten, een schedel waaruit vuur ontsnapt. Dat is wat we hier doen, ‘we fucking burn our fucking brains.’ ‘De griezeligste geschiedenis van Amsterdam. Durf jij dat aan?’ Moeten we daarvoor naar binnen. Open de ogen en huiver.

Zondag rustdag is zondag bruindag geworden. En wil je die gang naar niets, die geënsceneerde zoektocht naar de Gore Graal elders voortzetten, vlieg er dan eens uit. Maar laser eerst de ogen. Wie wil er zicht hebben en houden op onze leegloperij?

Pulp koopt pulp en fictie is het niet. Tatoeages. Drankzuchtige koppen, leren jacks, snelle sneakers, hooghakkige wijven, blote navels, lage broeken, vette heupen, blikken vol leegte. De boot zinkt, maar op het dek scharrelt de massa vol verlangen om de laatste koopjes. Onze essentie.

In de winkel van de verzamelde kleuren zijn alle poppen blank. Hoe alles aan te schaffen? Gelukkig, om de hoek kun je tot acht maal je bruto jaarsalaris lenen. Genoeg om in de ‘smart shop’ magische paddestoelen te kopen. Ik droom van een andere, alles beëindigende paddestoel.

Even verder een boekwinkel. Wijze woorden die nooit meer vermogen dan troosten. Hoe balsem ik de wond? Zelf schrijven en dan resideren in American en mijn naam om laten roepen, zou dat de duivel uitdrijven? Het spel moet gespeeld worden, zegt u. Maar als de deelname nou bestaat uit niet meedoen, uit toekijken? Als kansloze, dat wel. Uiteindelijk staart het Boze Oog zich blind en marcheert de optocht in alle vrijheid verder naar de illusie van gelukkig bezit.

Langs het witwaspaleis rep ik mij naar de straat van de nieuwe rijken. Nee, geen proleten, recente winnaars zijn. Hier koop ik mijn trendy koffiezetter. Bij de lunch, broodje gezond uiteraard, wegkijken van alle verbrande, perkamenten koppen. De krant. Het blijkt de dag van het kind. Ergens stikt nu een ventje voor weinig de sportschoenen in elkaar waarop ik straks het vet van de drankzucht weg train.

Naar huis. Terug naar mijn hol van zelfverkozen eenzaamheid, de damphut waarin alle vuil eruit moet, mijn uitvalsbasis, van waar ik erop uit zal trekken om te ontmaskeren, te fileren, want ook de hand die op óns ligt en die in alle vrijheid het leven uit ons perst moet worden gelicht. Nee, nee, minder is de taak niet.

Op weg naar de woonbeurs. In mijn paardenhandelaarwagen. Ik weet nog hoe ik ooit op een herfstige zondagmorgen over de rijksweg schreed met een heerlijke, langdurige erectie. Mijn eerste tocht betrof het dan ook in de daags tevoren aangeschafte nieuwe, oude Taunus. Die neus, dat gevoel van macht, geil, dat voelt nog steeds zo, al wordt het natuurlijk met de jaren minder met die verstijvingen.

Bij de ingang een stoelendans. Er valt wat te winnen, iedereen doet mee. Ons huis, die tweede huid, die moet behagen, mag niet knellen, moet verdoven. Buiten is de harde, koude wereld, binnen wentelen we ons in ontwerpstuff. Ergens moet je veilig zijn, moet je de boel naar je hand kunnen zetten, je eigen Onassis zijn. Liefst staat onze vluchthut op zichzelf, of anders toch op zijn minst gescheiden door spouwmuren van de buren, zodat niemand onze kreten van wanhoop, onze verbeten ruzies, ons heilloos, kortstondig hijgen kan waarnemen.

Wie vierhoog leeft, of eigener keuze op straat, bezoekt deze beurs niet. Of het moet zijn om zich te verlekkeren, om te dromen van wat onbereikbaar is, want die afwijking is er van jongs af aan ingeramd.

Gezichten waar de heb- en koopzucht vanaf straalt. Armen vol folders. Iedereen en alles is bijdetijds. Het gaat er ernstig aan toe. Logisch, over het dempen van verdriet, van zinloosheid gaat het hier – en op elke andere koopbeurs – en niet over vreugde, als iemand nog weet waar die op te diepen.

Televisies worden almaar platter. Vorm gaat gelijk op met inhoud.

Bedden die lonken. Wat gaat er boven die uren van er niet zijn, van niet vorm hoeven geven? En dan ontwaken na een goede nachtrust, na eens een keer niet wakker liggen van zenuwen die gieren door het lijf en hoogspanning onder de schedel, na zo’n heilzame nacht dus, wakker worden en één enkel moment zin hebben in de nieuwe dag, als was je nog jong en wist je nog van niets.

‘En toch daagt het weer en legt het ochtendlicht een veelbelovende schijn over al wat kapot en versleten is.’

Strakke meubelen, orde, geen frutsels, op zijn minst om ons heen geen chaos. Veel natuurproducten. Geeft een gevoel van echtheid, van puurheid, dat we toch dicht bij de natuur staan en omringd door een dure designentourage toch sober leven. Een inrichting met een betonuitstraling, maar wél van Italiaanse snit, ja. Steigerhouten stoelen. Een roze Boeddha in een uitverkoopstand die onverstoord de mallotige stoet voorbijgangers gadeslaat. Gelikte verkopers. Gladde praatjes. Aanhoord door veel dertigers, soms modieus gebrild, die hun droom nog moeten inrichten en er nog achter moeten komen dat het dempen van de onvrede een verloren gevecht is en dat zelfs door de duurste gordijnstof uiteindelijk het kille licht van de werkelijkheid naar binnen valt.

‘Textielkunst als poëzie.’ ‘Maak vrienden met geluid.’ ‘Waar wonen genieten is.’ ‘Een stoel die je balans geeft.’ ‘Laat je wanden dromen.’ ‘Het is een dunne lijn tussen beauty en design.’ ‘Mindfurniture.’ ‘Laat uw slaap-DNA testen.’ ‘We dromen ons een huis, mooi en bijzonder.’ En het centrale thema: ‘Enjoy living.’ Amsterdamse beurs, Nederlandse bezoekers, Engelse werving, cool. Op alle manieren wordt de taal, grenzeloos hoerig en leugenachtig als zij is, gebruikt. Slogans, dure bladen vol verlekkertroep, serieuze mensen die taal bezigen als: ‘Visie is niet het zien van de dingen zoals ze zijn, maar hoe ze zouden kunnen worden.’ Dit met betrekking tot het al dan niet aanschaffen van ‘oude materialen meubelen’. Het zien zoals het is? Verlakkerij. Zoals het zou kunnen worden? Een verbod op het aanbieden van dit soort valse hoop tot welzijn. De centrale gedachte: ‘Koop, laat u verleiden, vul onze beurs.’

Het zien van de dingen zoals ze zijn. Een ziekte is het, een afwijking. De woede, de teleurstelling, de uitzichtloosheid. Slopen, willen slopen. Met een bulldozer door die hal razen en alle troep op een grote designhoop vegen. Dat is mijn balans. Ik droom me een wereld die vrij is van dit soort koopdrugs. Maar altijd wordt de adrenaline, die zucht naar brekend glas ingetoomd, zijn er de wetten en praktische bezwaren. Resteert de teleurstelling, weten dat er geen uitweg is.

Tijd om uit te rusten. ‘Het genoegen uw hoofd neer te leggen op het ergonomisch verantwoorde kussen en op een matras dat de druk overal wegneemt.’ Maar niet daar waar het moet, in het hart.

Hoe lang geleden is het niet dat zelfs de hardhouten brits van het Leger des Heils in Calcutta voor een zachte nachtrust volstond? Om te worden gewekt door hemels gezang. Ach, blinde man, hoe onvolprezen mooi zong jij de warmte van de ochtendzon toe.

Dat waren de dagen van weinig. Maar van meer dan overvloed. Je at en dronk karig, je deed weinig tot niets. Het opsnorren van moeders brief bij de poste restante was een dag werk en een douche die bestond uit een emmer water op het gaatjesdak opgewarmd door de zon was al heel wat.

Nu verlekker ik me bij de gedachte aan een badkamer die, zoals de meegenomen folder zegt, ‘een plek is om te relaxen, tot jezelf te komen, middels stoom, bubbels, beeld, muziek en lekkere geuren.’ Vaderlief hing iedere ochtend om half acht met zijn hoofd onder de koude kraan, een best medicijn tegen al te zeer met jezelf begaan zijn.

Goed, geen stoom, bubbels of andere verwennerij, maar wél water, veel water. Afspoelen. Waar zat het breekpunt? Wanneer leidde dat douchen voor het eerst niet meer tot me herboren voelen? Weg laten stromen wat vast zit op de nek en het hoofd weer fris en ledig masseren, het lukt nog wel, maar niet vaak meer. Meestal gaat het afdrogen alweer gepaard met denken aan iets en een zucht. Heeft u dat nou ook? Dat ga ik vanavond eens vragen, op die party, pardon, dat partijtje.

Hoe voor de dag te komen? Voor de verandering een pak aan? Met een ‘kleur bij kleur’ hemd? Dat de eerste indruk deugt. Hangt dat in mijn kast, mode waarin stijl en comfort samen komen? Te weinig. Terwijl dat hele spel om de macht – en macht erotiseert, dat weet je – begint bij de kleding, de buitenkant. Als je uit de kleren wil, moet je er eerst goed in, jongen. De hoogste tijd is het om te gaan shoppen. Pak dat ‘themanummer over mannenkleren’. Daarin staat: ‘Stalin mocht Machiavelli op zijn nachtkastje hebben liggen, een nieuwe generatie begrijpt dat de Italiaan een vlijmscherpe analyse geeft van machtsverhoudingen. En bij macht hoort uiterlijk vertoon. De macht van een politieke positie dient, juist in kleding, te worden uitgedragen. Niet uit ijdelheid, maar om het effect op anderen én op de machthebbers. Ook Machiavelli handelde daarnaar. Uit respect voor het schrijversambt trok hij, als hij de pen ter hand nam, zijn mooiste kleren aan.’ En jij zit hier, kwajongen, met een schipperstrui aan.

Houd eens op, man, met het dragen van je wereldverbeteraarkloffie. Waarom hangt hier geen pak van Italiaanse snit? Had je die toeter er niet eens af moeten zweten? Geef eindelijk eens geld uit. Niet aankomen met een uitverkoophemd. Niet een bij de pomp gekocht automerkhorloge dragen. En stel dat het zover komt. Waar blijf je dan met die oude witte onderbroek met gulp? Koop van alles, kleed jezelf aan, vergeet de schoenen niet, belangrijk detail, en maak het af met een stevige, mannelijke geur.

Zo sta ik voor die kast, zo praat ik op mezelf in en almaar wordt de heimwee groter naar mijn legerjasje, mijn Mao-outfit. Niet meer om de ideeën, maar om het shockeren, het er niet bij willen horen, buitenstaander zijn. Allemaal nepsolisme, man, ijdeltuiterij van jouw zogenaamd verheven geest. Dat jasje heb je verbrand, samen met die hamer en sikkel en rode roos. Het is ieder voor zich, weet je dat nu nog niet. Je mag voor de dag komen met jezelf, best wel. Doe eens mee. Gewoon klootzak onder de klootzakken. Ben je sowieso. Geef toe dat je, gewoon om het verlekkeren, deze week de showroom van Ferrari en Jaguar hebt bezocht. Geef toe dat je ooit in je jonge idealistische jaren er in arm Katmandu op kickte om bloedkoralen van een gevluchte Tibetaan te kopen, waarop je bergen winst ging maken, wist je zeker. Geef toe, dat je alleen tot schrijven komt met een goed glas Châteauneuf-du-Pape binnen handbereik, lurkend aan een Cohiba.

Het komt er niet van, van dat opgewekt participeren in de waan van de dag. De conversatie gaat over tweede huizen en te weinig tijd, over afvallen, stress die kanker verwekt en het verloren continent, Afrika. Als dan een vrouw, mooi opgetut, strak truitje, korte rok, heerlijk geurend, het haar vanmiddag nog gekapt, begint over de rust die je uiteindelijk toch alleen in jezelf kunt vinden, haak ik af, in weerwil van haar borsten. Ver heen zijn, afwezig, afgehaakt, er niet meer bij, wat is er met hem, hij is peilloos verdrietig om het besef dat alles is zoals het is en nooit anders zal zijn. Daar sta ik in mijn geestelijke legerjasje, als een domme, hooghartige puber. Steeds holler klinkt alle conversatie, almaar zuiverder valt de totale waanzin waar te nemen. Iets doen. Een schreeuw? Een brul van overgave. Kakel niet, jullie allen, zo vaardig, zo sociaal bewust, zo inlevend. Het woord kunst valt, ook dat nog. Het feest swingt om mij heen. Meer drank. Helpt niet. Langzaam loopt het aquarium vol. Nu kan het nog, ik moet klanken voortbrengen, de stilte moet verbroken. “Zeg, heb jij dat nou ook,” vraag ik mijn gespreksdame, “dat je gevoelsmatig, zeg maar, steeds vaker niet fris onder de douche vandaan komt?” “Stond je daarover te peinzen. Goeie vraag. Alleen als ik mezelf klaar maak met de straal, haha.”

Terug in mijn hok. Dat voelt veilig. Nog een glas. Zitten, me overgeven aan de verslaving van het somberen. Muziek: de broers, met hun schurend gehuil, hun gebed. Weemoed. Op de grond zwerven de folders van de beurs. Naast me op de bank de mannenmodegids. Hoe laat zou het nu in Cuba zijn? Staat hij nog uitdrukkingsloos starend achter die tralies? Langzaam tot je verdrietige zelf komen en wel weer op het feest willen zijn. Altijd afwezig waar ik aanwezig ben, zit het zo? Niet zo zoeken. Het zit niet van binnen. In de dingen die mensen doen en niet doen zit het gif. ‘De rijke rent zich rot voor waardeloos genot, terwijl de arme zich kapot werkt of half zot.’

Ik heb afleiding nodig, want ik heb vandaag weer veel te veel gedacht. Lag er niet nog een verhaal over de kindman die na de emo-man en de überseksueel nu het vrouwenhart het snelst verovert. Ik lees: ‘De man als accessoire van de vrouw, die kant gaat het op. Door de feminisering van onder andere het onderwijs mag mannelijkheid dan steeds meer een onderbenutte kracht in de samenleving zijn, vrouwen maak je daar niet bang mee, integendeel. De vrouw is reeds het dominante geslacht, hard op weg naar de definitieve economische en biomedische onafhankelijkheid, en zodra die eenmaal een feit is zal de man nog slechts een rekwisiet zijn in haar leven, als een van haar kinderen, nee, niet eens, als een huisdier.’

Kind zijn, weer een onbeschadigd nog niet duf gedacht aardig ventje. Huisdier, nog mooier. Maar het liefst toch nog vogel in het veld. Niet zaaien, niet oogsten, nooit behept met dat het anders moet, een warm kloppend hartje onder de pracht en praal van de verentooi.

Te bed, vogeltjesman, domme tobber. Vergetelheid en morgen dat ene moment dat de nieuwe dag veelbelovend lijkt.

Zuchten, woelen, slopen, proberen om los te laten, een draaiend en draaiend rekwisiet, wie slaan?, wie slaan?, niet slapen, onbereikbaar voor de vrede van de nacht. Waar zou hij zijn? Hoe mij hier te traceren, in deze schuilhut?

“Veraf ben ik nooit.”

“Van nut ben je niet.”

“Wie niet vraagt.”

“Zeg eens, wiens rekwisiet ben jij?”

“Al wat ik ben is rekwisiet.”

“Ik neem de schade op. En stel aansprakelijk.”

“Hoe verslaafd ben je? Hoe hoog moet de dosis zijn?”

2

Zoveel mooier

Zie de mannen razen. Als ze niet stilstaan, op weg naar werk. Bezig, altijd bezig, plichtsgetrouw, zeg dat wel. ‘Druk, druk, druk is de herendrug.’ Het kindstemmetje van, godbetere, ‘Weather News’ meldt slecht weer. Dat was niemand ontgaan. Dus een ongeluk hier, een ongeluk daar en alle aderen zullen zo dichtgeslibd zijn met blik. Er komt nog eens een dag dat er definitief geen beweging meer in komt.

Hier sta ik dan. Het spraakgebrekmannetje van de files heeft het over een ‘zijnstoring’. Toepasselijk. Even sleept de sliert zich nog stapvoets voort, dan is de vaart er helemaal uit. Een enkeling stapt uit om te zien wat de stilstand veroorzaakt. Iets moet iemands schuld zijn. Troost: in dit geval is stil staan gelukkig niet achteruit gaan. Zou niet te overzien zijn.

Uit de auto voor mij dreunt muziek. In het gras naast me ligt een blikje. Dat ligt daar goed zo, hoeft nergens heen, kan zonder schuldgevoel blijven liggen. Waarom denk ik dat? Blijkbaar zit ik ook nog eens op de verkeerde weg, want de sensuele stem van de routemevrouw, Petra, heb ik haar gedoopt, blijft er maar op aandringen om te keren. Maar hoe?

Het verkeer raast overal ter wereld, altijd, elke dag weer. Tot de vaart eruit is. In Jakarta heb ik eens 22 minuten staan wachten op één onveilig moment om een zesbaansweg over te steken. En zelfs de skyline van Manhattan gaat vervelen als je er avond aan avond stilstaand op een van de aanvoerwegen naar kunt kijken. Dat beeld staat nóg op mijn netvlies, maar klopt niet meer.

Wel eens midden op de dag een vliegtuig willen halen in New Delhi? De périphérique in Parijs tijdens de ochtendspits betreden? Of eind van de middag een rondje Eindhoven gemaakt? Terwijl ik de aanleg van de eerste rijksweg nog heb meegemaakt. Ja, de tijden veranderen. Dat bedoelde Bob dus.

Een extra mededeling: ‘In de files rond Amsterdam zal de eerste uren geen beweging meer komen.’ Blijven zitten in ledigheid? Dat lees je wel eens dat ‘zitten’ tot inzicht in jezelf leidt. Wie wil dat niet? Maar na tien minuten zitten en vergeefs loeren of in een van de belendende auto’s de bestuurder het oog kan vermaken, besluit ik van de nood een deugd te maken. Het is al even in de avond en in de kantoorreus waar ik voor sta brandt achter de meeste ramen nog licht. Weten ze niet dat de werktijd erop zit, dat ze eruit mogen? Wat houdt die mannen en een enkele vrouw nog binnen? Erop uit!

De receptioniste kijkt naar drie schermen, voert vier gesprekken en geeft met een hoofdknik aan dat ik door kan lopen als ik meld van de dienst Inspectie Arbeidsverslaving te zijn en dat ik een werkbezoek kom afleggen.

Het gebouw oogde van buiten al kunstig, ook binnen hangen kunstwerken aan de muur. Je moet er wat van maken, niet? Er is meer, wordt gesuggereerd, je dient hier een hoger doel, we zijn niet alleen bezig met verdienen, de maatschappelijke verantwoording wordt genomen. Maar de mannen die er nog zitten hebben er geen oog voor. Het is einde dag en er moet nog zoveel. Een deel kan hier afgerond, de rest moet mee naar huis.

Gangen, werkkamers, overvloedige verlichting, her en der een plant, overal beeldschermen en daartussen vermoeide gezichten, waarvan vreugdeloze ogen de vervolmaking zijn.

En morgen zijn ze er weer, werkend aan hun target, om opnieuw lang na te blijven. ‘Kan niet anders, schat, het moet eind van de maand af.’ De dag daarna komen ze later op kantoor, omdat er eerst elders een rayonvergadering is. Fijn, afwisseling, andere tronies, andere files, maar hetzelfde keurslijf.

Een telefoon rinkelt. “Ik geef u terug aan de receptie.” Op de schermen wordt in spreadsheets gewerkt. Een printer ratelt, kant en klare rapporten rollen eruit. We zullen wel niet zonder kunnen en dan moet ook die lijst van 88 emails vandaag nog worden doorgenomen. Eén betreft een kort statement van de leiding. Vrijdagmiddag centrale bespreking van dat stuk waarvan hij weet dat jij het nooit voor die dag klaar kunt hebben. De klootzak.

Ik snuffel ook in de leegstaande kamers, achter stellingen. Nee, zelfs voor seks in kantoortijd is geen tijd meer. Ach zo, wat vrouw is notuleert in de grote vergaderruimte de ‘meeting efficiency’. Extra bedrukte koppen als de Grote Leider meedeelt dat het goed gaat maar beter moet, dat er van gedwongen ontslagen sprake zal zijn. Helaas, zegt hij er dan ook nog bij. Iedereen hoopt dat hij straks de dans ontspringt, niemand ziet de vrijheid lonken.

Waarom doen die mannen dat, zich hun ziel uit hun lijf werken? Lichaam en geest willen rust, maar de wekker jaagt hen een leven lang vroeg het veilige bed uit en, hup, etend onderweg de drukte in, op tijd als ze moeten zijn voor het vroeg geplande overleg, waarvoor echt geen andere tijd te vinden was.

Door, door, door, dag in dag uit, jaar in jaar uit, de mooiste uren van hun leven gaan verloren aan arbeiden om het arbeiden. Sommige weten wel beter, maar ja, die mallemolen, hé. Anderen zijn zelfs nooit aan enig zelfinzicht toe gekomen, wat nog maar beter is. Weten dat je bezig bent je leven in het teken te houden van ‘meer van wat nooit genoeg zal zijn’ en het toch blijven doen, dat is het ergste.

Ooit deed je iets als aanloop naar zalige ledigheid. Bollen pellen, bollen rapen, op een bromfiets met een rieten bak voorop geneesmiddelen rondbrengen, verhuizen, glazen plintenladders bestellen, babyvoermachines vast laten lopen, slapen op de aardappelzakken, koffieautomaten vullen, ooievaarskuitenvet kopen, dat waren nog eens tijden. En dan met je loonzakje direct de snackbar aandoen en van de rest liftend naar Spanje.

Maar uiteindelijk gaan we allemaal in alle vrijheid de wringer in van werken, kopen, genieten, ongelukkig zijn, vluchten, nog harder werken, verdoven, zuchten, woelen en opstaan alweer voor een nieuwe werkdag. Een enkeling voor wie in de ochtend de dag nog even lonkt. Is het zo erg? Er zullen uitzonderingen zijn, maar die bevestigen de regel, die ontsnappen aan de tredmolen waaraan we geketend zijn.

Ai, ai, hoe zeer doet het om de mannen, in hun kracht, geblinddoekt door angst hun rondjes te zien maken. Zijn ze sterk, lopen ze hard en lang. Anderen gaan op halve kracht, aangetast als ze zijn door maagzweren, migraine, een verstoorde stoelgang, zenuwtics, of andere drugs. Velen storten eerder neer, de accu leeg, uitgepierd, gesloopt door de zinloosheid der dagen, door al die jaren die alleen maar energie kostten en te zelden energie terug gaven. En waarom, omdat die idiote machinerie zo draait. Meer willen hebben, erbij horen, bang om buiten de boot te vallen, indekken, bezit nastreven, altijd meer bezit, hebben om niet tekort te komen, hebben om het hebben, en nog meer willen hebben, want uiteindelijk zijn we daaraan godsliederlijk verslaafd. Werken als doel, als levensvervulling, als opvulling van de leegte die juist ontstaat door alle werken. We zuchten onder de onzichtbare dictatuur van de plicht tot altijd meer arbeiden en altijd weer meer consumeren. Een ongeluk werken we ons. Amen.

Dan besluit ik in te grijpen. Kalm doch beslist betreed ik de vergaderruimte en onderbreek de opperuitvoerder: “Jij bent nu genoeg aan het woord geweest. Jij praat zo hard, bang voor de stilte, jij verkoopt angst als goed verhaal, jij schreeuwt zo hard dat je de vraag niet hoort, liever leugens dan de waarheid aan het woord.” “Wie ben jij? Wat doe je hier? Hoe weet je dit allemaal? Wie stelt mij welke vraag?” “Maar als je bijkomt, de roes faalt en de angst in jou sluipt, wie vraagt je, wie smeekt je ‘verwaarloos mij niet.’ Jij weet dat, iedereen weet dat, wees stil, luister goed, hoor je die stem, herken je hem nog? En wie ik ben: de Grote Ontrafelaar, ik kom om af te rekenen, te ontluisteren, af te breken, niets heel te laten, alle loze praatjesmakers het zwijgen op te leggen. Je weet dat het moet. Mannen, jullie weten dat het moet. Het moet gedaan zijn met overal aan en voor te werken, behalve aan wie jullie zouden kunnen zijn. Jullie hadden zoveel mooier kunnen zijn. Bangeriken, wezels, altijd bezig het loon van de angst te derven en tussendoor verdoven, sta op en wandel de deur uit. Geef het op. Kap met die nonsens. Doe wat je weet dat je moet doen.”

Iedereen blijft zitten. Iedereen kijkt met ogen die het weten, niemand stapt op de baas toe en zegt: ‘Ontsla mij liefst als eerste.’ Verlepte praalwagens in een trieste, eindeloos cirkelende optocht zijn het, maar ze blijven meerijden. Aan de kant een enkele toeschouwer die boe roept en schreeuwt dat die hele vrijheid, zelden blijheid processie de aarde onherstelbaar omploegt. Er komen lui om tussen de wielen, de bestuurders karren zonder om te kijken chagrijnig verder. Enkele mensen hebben zich afgekeerd en zitten met de rug naar de rampspoed, de blik gericht naar het oosten, dan wel naar de navel.

Getoeter, ik schrik op, we rijden weer. Nog even kijk ik achterom, het werkgebouw staat er nog, onverminderd branden achter veel ramen de neonbuizen. Het loopt tegen achten. Zal één van hen vanavond tegen vrouwlief reppen over mijn toespraak? Wellicht. Maar het zal leiden tot niets. En lang zal het gesprek ook niet duren. ‘Hoe vaak hebben we het hier nou al over gehad,’ zegt zij. ‘Laten we gaan slapen, morgen weer vroeg dag, zet jij de container buiten, het brood voor de kinderen ligt in de koelkast, ik ben al eerder weg, zullen we nog wel even de agenda doornemen? Vrijdag uit eten, zaterdagochtend naar de reiswinkel, ’s middags kleren kopen, ’s avonds naar het theater en misschien als je zin hebt, kun je zondagmiddag samen met Patrick naar het voetbal.’

‘Tot hier en niet verder’, het komt niet over zijn lippen. Een slappe nachtzoen. Op basis van de wijn zal er enkele uren van een uitputtend coma sprake zijn, daarna volgt het waken, het zich gevangen weten, totdat hij, godzijdank, dat verdovende ritme weer op mag pakken.

Uit eten, hij heeft het geld, hij kan vaak en chique uit eten. Opdoffen, zeggen dat hij er zin in heeft, de hele litanie van ‘dit is genieten, hier doe je het voor’ dreunt hij op. En die opgetrokken schouders dan? En dat samenknijpen van de lippen? Veel wijn is nodig voor het ontspannen van die harde lijnen om zijn kaken. Kaken die malen, die steeds minder zeggen. Waar het nog over te hebben? Man en vrouw, stil aan een copieus diner. Nóg een keer doornemen dat het anders zou moeten? “Zullen we dessertwijn doen?” Bij de koffie met iets erbij zegt zij: “Maar over de vakantie moeten we het nog wel even hebben.”

Over de bestemming waren man en vrouw het niet eens geworden. Ruzie was er zelfs over ontstaan. Die agressie moet ergens heen. Dat is een voordeel van samenleven, je hebt elkaar als bliksemafleider. Maar goed, blanco werd de reiswinkel betreden. Een opgewekt meisje bemerkte dat en drukte haar klanten snel een brochure in handen die in de natuurlijk avontuurlijk ogende ruimte aan de lange, uiteraard uit onbewerkt hout bestaande leestafel doorgenomen kon worden.

Brochure? Zeg maar boek, op geld is niet gekeken. Maar hij is dan ook bedoeld voor cliënten die dat ook niet hoeven te doen.

Wat wordt het: Egypte, met zijn zeilen op de Nijl, de piramides van Gizeh, zijn eeuwenoude moskeeën, de koraalriffen, de schatten van Toetanchamon en de Vallei der Koningin? Nee, toch te gewoon. Kan altijd nog. In IJsland een duik nemen in een dampende beek die ontspringt in een nabije bron? Zou dan een combinatie mogelijk zijn met Antarctica, nu dat er nog is? Of toch maar diep het Amazonewoud in? Tenslotte zal dat er ook niet lang meer zijn en kun je zeggen dat jij er nog geweest bent.

Bij de borrel verneem ik die avond dat het een reis naar Bolivia, Chili en Paaseiland geworden is. Met de kids, wel prijzig, 2895 euro de man, maar je kunt het geld niet meenemen, ja toch, de laatste jas heeft geen zakken en na een heel jaar werken, zo druk, zo vol, breek je er dan even helemaal uit.

Erbij blijven is weer moeilijk. De gedachten dwalen af. Naar vroeger. Die eerste treinreis naar Spanje, helemaal aan het andere eind van de wereld. De loomte, de flessen goedkope wijn, het dronken en gaar in de vroege ochtend toezingen van de opkomende zon: ‘What shall we do with the drunken sailor.’ En hoe geheimzinnig en beangstigend was die treinreis niet, hoog de Joegoslavische bergen in, richting Plitvička Jezera, toen de bliksem in de trein sloeg en we in de stromende regen op een verduisterd, verlaten, aardedonker perron gedropt werden, met in de verte de door de regenvlagen nauwelijks waarneembare schamele lichtjes van het dorp, dat toch alsjeblieft wel slaapplaatsen zou herbergen?

Ja, ik wil nog wel wat drinken. Altijd was die lust tot reizen er. Op zoek naar wat? Rust? Zal zo zijn, vroeg al was er de honger naar kalmte, naar uithijgen, naar stilstaan bij. En vooral ook naar er niet zijn, verloren zijn. Die aparte sensatie om je opgelost in het niets te wanen.

Hannover, avond, een wandeling door een koude buitenwijk, straat in, straat uit en het verlangen om daar maar te blijven lopen, dat was de eerste keer. Wandelend in de Himalaya keerde dat gevoel terug. Op de buik, schuivend over een hangbrug met meer gaten dan latten. Honderden meters omlaag kijken, weten dat je niet meer gevonden wordt als je valt. Maar het sterkst ervoer ik die vreemde, treurige zoetzure verlatenheid op een avond in Tokio. Ik verkende de wijk Shinjuku, ook toen regen, onafgebroken. Glimmend asfalt waar neonlichten in weerschenen. Een enkele uitbater wilde die gajin toch wel in zijn etablissement hebben, maar ik liep en liep en werd natter en natter en bleef lopen, op weg naar niets, naar het einde van de nacht misschien, zo lang liep ik door, en iedere stap was vervuld van gelukzaligheid. Het hoofd was er toen nog leeg genoeg voor, het hart nog niet het zwijgen opgelegd.

“Waar denk je aan?” “Dat de enige reis die er na al die verloren jaren nog toe doet, die naar de diepste krochten van je ziel is.” “Toe maar, de diepste krochten. Heb je een slok op?” “Ja, maar die onzin braak ik ook nuchter uit.” “Ach man, die praatjes zijn zo versleten.” “Maar we doen er geen moer mee.” “Verdwaal jij nou lekker in jezelf, dan gaan wij wel voor jou naar Paaseiland.”

Aan de nabespreking van het theaterstuk waag ik me niet. Bang voor woorden. Wat stelt het voor, zo’n intellectuele happening waarover je je achteraf het hoofd moet breken? Om ons heen wordt serieus geïnterpreteerd, wél met een glas bij de hand, altijd een glas erbij. Mij zeggen die vertoningen weinig tot niets meer. Alleen al omdat wat zich verheft, vernederd moet worden.

Vorige week sprak ik een dame die een galerie runt. Dat dédain. Kunst als sublimatie. Eerst kunst, dan een tijd niks, dan het leven, zei ze. “Ik zeg, alle schilderijen van Rembrandt op het vuur om één leven te redden, wat jij?” “Vind je het erg dat ik op een onzinnige vraag geen zinnig antwoord kan geven?” ‘Onzinnige vraag’, zegt ze. Het mes erin. Op zoek naar die aardappel, de hoogmoed eruit snijden, zou dat niet een staaltje van mooie ‘levende kunst’ zijn?

“Kunst vermag niets, weet je dat,” hield ik haar voor. “Niets vermag iets, maar als ik iets mooi vind, vind ik dat mooi.” “Dat omgekeerde schilderij hier op de grond, afgedekt met plastic en bakstenen mag jij mooi vinden, maar wat draagt het bij? Lijdt er één mens een fractie minder door, is de loop van de geschiedenis er één millimeter door verlegd? Elkaar bezig houden is het. De een houdt van kitsch, de ander van kunst, voor zover er verschil is. Mag allemaal, maar haal dat aureool eraf.” “Jij snapt het niet.” “Weet je wat ik niet snap, hier, dit stukje tekst, opgepikt in Arti: ‘In Kunstcentrum Achteruit presenteert Onbegrensde Arbeidsruimte een interactieve installatie op het snijpunt van architectuur, digitale kunst en gametechnologie. Enerzijds ingebed in de realiteit, beperkt de installatie zich anderzijds niet tot realisme, noch tot de continuïteit van plaats en tijd. Ze speelt de tegenstellingen uit tussen reëel en virtueel, interieur en exterieur, verbeelding en perceptie, zien en zijn en bevraagt de constructie van identiteit en de grenzen van representatie.’ Kijk, daar snap ik nou niks van. Jij begint over schoonheid, is goed. ‘Van de Schoonheid en de Troost’, een ieder heeft er recht op. Maar ik praat over de link met buiten. Over de bijdrage van de kunst aan het algemeen nut. En nu nog een vraag: je bent schrijver en hebt een wit vel voor je. Wat kun je anders opschrijven dan dat het geen pas geeft om zes miljoen joden te vergassen? Nou?” “Ik zou als ik jou was die woede eens omzetten in wat moois.”

En Tamasz dan, hypocriet? Je kent de troost, de schoonheid. Wat is zijn link? Een foto in de krant, naar de galerie, één dag twijfelen, te laat, dan maar zelf halen. Daar liep ik midden in de winter door Szentendre, de sneeuw krakend onder de voeten. Ach, Bella, boekbindster op die sereen kalme zolder. Voor altijd daar te mogen blijven, starend naar jouw gezicht, dat voorhoofd, die heldere blik en, ach, die lippen. Maar ik moest naar Tamasz en jij zou tolken.

Een beeltenis van Franciscus op de poort, een nederig onderkomen. Zijn vrouw, geestelijk gestoord, wees ons de weg. Een houten ladder leidde naar een aartskoude zolder, zijn heiligdom. Iedere avond verborg hij zijn ‘kinderen’ op een andere plek. Arm is Tamasz, maar het verkopen van een doek ervoer hij als een verlies. Uitgenodigd voor grote kunstbeurzen, weigerde te gaan. Het was de vraag of ik genade zou vinden in zijn ogen.

“Eine, kleine Süsse?” “Hij wil wat drinken met je.” Vóór elf uur in de ochtend hadden we een fles zelfgestookte zoete likeur genuttigd. “Gut, er kann ein kaufen.” Hangt nu op de schoorsteen. Ernaar kijken is zacht worden, heimwee krijgen, een millimeter geholpen worden.

“Hé, ouwe pik, kom erbij, wat sta je hier nou de hele tijd in je uppie een beetje treurig voor je uit te staren? Toch niet boos op mij, hé? Je weet beter. Was maar een grapje, hoor, van dat Paaseiland. Weet ik toch ook wel, van die gang naar, hoe noemde je dat, onze krochten, dat we dat zouden moeten doen. Vertel mij wat, maar ja, joh, het is weekend en nu staan we hier. Wat helpt het om te miezeren. Laat me nog wat halen voor je.”

Verder was het gezellig, zoals zaterdagavonden dat horen te zijn. Gedronken, gebabbeld, nergens woorden aan vuil gemaakt, zeg maar. Maar nu hang ik hier onderuit, op mezelf, met nog een glas en adem ik in kalmte. Beter zo. In de spiegel keek ik zo-even naar een moe en zorgengrijs man. Eigen schuld? Altijd eigen schuld. Welke verkeerde afslag nam ik? Het zij zo. Gebeurd, gedaan. Maar alles weloverwogen, ja, dat mag gezegd. Leef je om te denken? Denken mag wel. Hier mag ik alles, in deze hut. Muziek opzetten. De broers, schurende samenzang, de ogen lopen vol, telkens weer.

Een glas, een glas, een glas.

“Heilige Maria, moeder, zie toe, hier zit een ongelukkig man. Hij is dronken, dat is zijn eigen schuld, maar verder treft hem geen blaam, vindt u ook niet? Hij is zoekende, hij vraagt zich af, maar waar staat dat dit verboden is? En u moet het toch ook met mij eens zijn dat je elk antwoord tegen het licht moet houden alvorens het te licht te bevinden, grappig niet? Ik zal u eens wat zeggen: alle antwoorden zijn weggestorven, het is stil nu. Kijk, huiver, en zet er maar een kruis doorheen, om in uw termen te blijven. Zo erg is het niet? Ho ho, u bent al even niet meer op aarde, hé. In uw tijd stond je niet met duizenden ezels achter elkaar te wachten, wanneer je als timmerman naar je werk ging. Het is allemaal erg veranderd. Timmerlui zijn sowieso schaars. En ezels ook. Onbevlekt ontvangen worden is er sinds u niet meer bij, al nadert die tijd snel. Dan wordt de man rekwisiet, hoe vindt u die? Hoe zou dat nagelen? Ach, ik zeg ook maar wat. Ik mis u wel, weet u. Wat is een man zonder af en toe een moederlijke hand op zijn hoofd?

“U vindt het hopelijk niet erg dat ik een praatje met u maak. Ik zit erom verlegen. Gelijk heeft u, zitten, beschouwen, oordelen, veroordelen, daarvan bedompt en in de war raken, dat schiet niet op. Elk mens moet zijn of haar kruis opnemen? Zwaar, zwaar, krijgen we het later nog over. Maar wát doen, dat klopt, we moeten wél wat doen. Zelf ben ik deze week een kantoorgebouw binnen gegaan en heb alle mannen die zichzelf in weerwil van hun schoonheid aan het kastijden zijn toegesproken. Maar luisteren, niets van dat al. Ja, kan zijn, dat ik ze er met de zweep uit had moeten rossen.

“Toch, dat u niet denkt dat het tegenwoordig alleen narigheid troef is hier, gebeuren er ook wel goede dingen, hoor. Op een wolk ten hemel varen, wat zo gek nog niet zou zijn, dat zit er nog niet in, maar we gaan wel hoog door de lucht naar andere plekken op deze wereld. Bent u wel eens op Paaseiland geweest? Of in India? Of Japan? Zal ik mijn plakboeken erbij pakken? Kijk, hier kuier ik temidden van de heilige koeien, toch een beetje uw collega’s. Dit meisje, Teresa, noem ik haar, dat was een goed ding. Sprong in Calcutta op station Howrah op de nog binnenrijdende trein en wilde mijn rugzak tillen. Ik wilde me niet laten tillen, u merkt, er huist nog humor in me, en stuurde haar tot drie keer toe weg. Buiten kwam ze voor een vierde keer op me af. Mijn verloren toilettas bracht ze me na. Ontvang haar goed.

“Komt u nog eens terug op aarde, doe dan ook Japan eens aan. Zal u deugd doen. Meesters zijn ze daar in hoofs veinzen en dat is toch waar ook u het van moet hebben. En de badhuizen, hé, die niet overslaan. Bent u gedoopt eigenlijk, staat me iets van bij. Maar hoe dan ook, schoon van lichaam ben je daar nog niet mee. In zo’n traditioneel waslokaal, mannen en vrouwen gescheiden, geen zorg, daar leer je de kunst van het afspoelen. En héét dat bad. Ja, aparte snuiters zijn het. Als de baas blijft zitten tot negen uur, doen de klerken dat eveneens, ook al was hun bureau om vijf uur al leeg. Ik moet nog eens terug om ook daar een toespraak te houden. Hemeltjebeschonken ben ik er nog eens geworden, waar niet. Man geeft fles bier, ik een terug, hij laat opnieuw aanrukken, daarna ik weer. Pas na de vijfde fles begreep ik mijn onhoffelijkheid, ik gaf hem geen kans iets te geven. Erg Japans van origine bent u niet, besef ik nu. U wilt aanbidding terug voor wat u geeft en wat meer dan illusie geeft u ons eigenlijk? Nee, nu niet afhaken, u niet teleurgesteld afwenden. Geef toe, die hand die wegneemt, laat u die ooit rusten op mijn warrig hoofd? Doe dat dan! Die spanning kent u natuurlijk niet. Maar ik verkies het dan ook om niet afzijdig te blijven. Het mag plots een koud slot zijn van onze conversatie, maar ik spreek mijn creaties toe zoals ik wil, is dat duidelijk. Als ik wil, keer ik u om en bedek u met plastic en bakstenen.”

3

Wat echt is

Een man die een tank tegenhoudt, een kind dat wegrent van het napalmvuur, de president die stottert, de grote stap voor de mensheid, het eerste gekloonde schaap, uitzinnig juichende voetballers, verminkte, verkoolde lijven, bevallende vrouwen, een man met een micropenis, de nieuwe James Bond, wat liposuctie met een lijf kan doen, wat botox met een gezicht, de schoen van Chroesjtsjov, rode lopers en wat erop beweegt, een bevende Ali, dat witte laken met die man eronder, bos dat bedreigd wordt, dieren die er straks niet meer zijn, neukenden, die vrouw die niet meer wegloopt voor het naderend onheil, hoe een meisje een paard bevredigt en omgekeerd, de pauselijke zegen, het komt allemaal middels de kijkbuis, de kranten, de bladen, het internet, de film, tot ons. We leven in de Tijd van het Beeld. Echt beeld, gedroomd beeld, vertekend beeld. In ieder hoofd een beeldarchief. Deleten is er niet bij. Het had qua beeld bij Suske en Wiske en heer Bommel moeten blijven.

De aanleg van de eerste snelweg, het bouwen van de buitenwijken, ik weet ervan. Jawel, zo oud, dus ook de opkomst meegemaakt van de televisie. Op woensdagmiddag voor een stuiver met zijn allen kijken bij de olieman naar Dappere Dodo en tante Hannie. De eerste voetbalduels, gespeeld in het verre buitenland, zagen we zomaar om de hoek bij de aardappelboer op de buis. Dagen tevoren was je er al opgewonden van. Gedachten had je er nog niet bij, maar als je de ooms en tantes op verjaardagen hoorde oreren over deze ‘zegen voor de mensheid’ snapte je dat wel.

Inmiddels is duidelijk dat alle moderniteit niet te stuiten valt en eerder een doem dan een zegen is. Verzin het en het zal er ooit zijn. De knecht van de aardappelboer grapte al eens dat de piepers ooit net zo duur zouden zijn als in die tijd een sinaasappel. Een profeet was het. Zo zal ook wel iemand al snel hebben geroepen dat die nieuwlichterij vooral kwaad zou brengen, maar die hebben we niet gehoord, want roependen sturen we meestentijds de woestijn in.

De vervanging van het paard door de wagen is op niets uitgelopen, je kunt wel zeggen dat we het paard achter de wagen gespannen hebben, want hoeveel sneller ben je ergens als je stil staat en als je er wél sneller bent, kun je meer doen, waardoor je er opgeteld qua vrije tijd op achteruit gaat.

Nou, met die televisie is het eender. Meer dan we aankunnen komt beeldmatig, correct woord, tot ons. De blik die we kunnen werpen op wat her en der en overal gebeurt, heeft onze kijk op de werkelijkheid alleen maar verduisterd.

Je ziet een uitgemergeld kind, wat moet je ermee? Een vrouw die overspelig is die tot de dood aan toe gestenigd wordt, wat moet je ermee? De paus, die het woord condoom niet uit zijn strot kan krijgen in een werelddeel dat geteisterd wordt door aids, wat moet je ermee? Vliegtuigjes die je, met de kinderen verdomme naast je, de Twin Towers in ziet vliegen en het besef dat hier het startschot gegeven kan zijn van wat uiteindelijk uitmondt in wereldoorlog III, je neemt het tot je en het hart verkilt, want waarom gaat alles zo onomkeerbaar zoals het gaat?

Dag na dag, televisie-uur na televisie-uur wordt de chaos in het hoofd en de vrees in het hart vergroot. Totdat je niets anders kunt doen, dan je neerleggen bij de onbeheersbaarheid van ons hier. Na ieder journaal, na ieder ‘achtergrond bij het nieuws’ programma zou je een telefonische hulpdienst moeten kunnen raadplegen.

Wie bepaalt er welk beeld tot ons komt? In wiens handen is dat machtige medium? Waarom is wat avond aan avond de kamers in wordt geslingerd vooral het product van geld willen verdienen, kijkcijfers scoren?

Het is avond, thuis, nauwelijks nog energie over. Ik hervind mezelf te moe om nog tot iets anders te komen dan de greep naar de afstandsbediening. Waarna vruchteloos zappen volgt. Zelfkastijding is het.

Moeder en dochter die elkaar na jaren hebben opgespoord en huilend in de armen vallen. Hoepel toch op met die labbekaktranen. Doe dat buiten beeld, val mij daar niet mee lastig. Maar al lang refereert de buis aan de vunzigste onzer verlangens. Emo-tv scoort.

Het is nog vroeg op de avond, kinderkijktijd nog, maar programma’s als Big Brother en de Gouden Kooi vallen de jonge geesten, die nog geen verweer hebben, zomaar aan. Niemand die het verbiedt. Mensen die elkaar het huis uit treiteren, de hoofdpersoon van de serie ’24’ die moordt en toch sympathiek blijft, jongeren die zich ongans zuipen, stelletjes die in beeld vreemd gaan, talkshows over het liften van tieten, wie het met wie doet, wie er ernstig ziek schijnt te zijn, cursussen slikken en spuiten, geweld om het geweld waar wij van moeten genieten, mensen die elkaar aan flarden schieten, alsof we aan het journaal niet genoeg hebben, jongeren die ter kick een levende rat opeten, vrouwen die zich als niks meer dan kont en kut aanbieden, pardon, het blijken zangeressen, het wordt ons geoffreerd als ontspanning na een weer een lange, slopende werkdag. Niemand die ingrijpt.

Ik zit, zucht, wat doe je hieraan? De wereld draait door. Een weg terug is er niet meer. De geest van de mens is voorgoed vervuild. Wie weet weg met de werkelijkheid die op ons af komt? Wie kan ontleden wat er ziek is, wat er vertekend is aan al die beelden, aan zoveel televisie? Met de diepste menselijke gevoelens wordt gesold. Een begrip als liefde wordt verkracht. Vals exhibitionisme van onze zielenroerselen zien we. ‘Zo hoort het dus blijkbaar’, denk je, onbewapend, argeloos.

Wel eens gekeken bijvoorbeeld naar Oprah Winfrey? Zet het geluid uit en bestudeer haar gezicht. Net doen alsof, over de ernstigste zaken. Als God al een negerin zou zijn, dan niet deze wolvin in designkleren. Verworden kijkvoer is het uit een verworden land, hier aangekocht om kijkers te lokken. Want kijkcijfers zijn reclame, is geld, en dat u en ik het bezuren, ach.

Moe gewerkt, je suf gezapt. Is er nog hoop? Kan het anders? Jawel, daar heb je de helden, de winnaars! Topacteurs, topvoetballers, gevierde schrijvers, vijfsterren koks, modellen, we vergapen ons eraan. De moderne goden zetelen niet meer op de Olympus, berijden geen wolken meer, vermenigvuldigen het brood niet meer, maar komen via de antenne tot ons.

En, let wel, die helden zijn van vlees en bloed, zoals u en ik. Als we er maar hard genoeg aan werken, er diep genoeg in geloven, dan kunnen wij het ook.

Televisie is telkens weer een aanslag op het gemoed. Bij uitzondering is er een documentaire die deugt of een film die door de ballotage komt. Maar net als de aandrang tot zappen dan wegebt, is er reclame. Ik probeer om zappend vijf kanalen achtereen zonder wervende spotjes te halen. Vergeefs.

Er schiet me wat te binnen, opschrijven: ‘De grootste zuil onder Het Systeem is de televisie.’ Kopen, we moeten kopen, groei moet er zijn, ter meerdere financiële glorie van wie al veel heeft. Al die reclame. Heb je dit niet, schaf je dat niet aan, ben je daar niet geweest, dan hoor je er niet bij. Van kinds af aan worden de geesten doordrenkt met de gelijkschakeling van geluk en genot. Als tante Hannie dat had geweten.

Zaterdagochtend, de krant, koffie, alles aan kant, genoeglijk moment. Ja, een trouw lezer ben ik. Foto’s zijn nog ondergeschikt. Beeld vult in de krant het woord vaak mooi aan.

Maar mijn goede luim wordt ook altijd weer bedorven. Er overheen kijken? Kan ik niet. Er overheen lezen? Wil ik niet. Nu slaat een artikel onder de kop ‘Tv heeft amusement niet platter gemaakt’ de lucht eruit. Argument: het zogenaamde moreel verval is niet nieuw, maar borduurt voort op tradities uit de volkscultuur. Als je iets onderzoekt, doe het dan goed. Zolang de mens rondloopt, is er sprake van moreel verval. Open deur dat er geen vooruitgang is. Maar de televisie versnelt, vergroot, vernieuwt de verloedering omdat het valse dagelijks urenlang de huiskamers in wordt gesmeten. Echt en onecht lopen niet te ontwarren in elkaar over, geesten worden gemold. Als je in de zeventiende eeuw verdriet had, ging je er niet op het marktplein mee te koop lopen. Jan Klaassen en Katrijn hetzelfde als Jerry Springer? Dat is waar, in essentie zijn een speldenprik en een dolkstoot ook gelijk, de huid gaat kapot.

Schouders ophalen, afschudden, ik moet werken aan een fijn zaterdagochtendhumeur. Ha, goed nieuws over de beeldvorming van de vrouw: ‘Graatmagere meisjes mogen catwalk niet op.’ Ook zo wat als het om beelden gaat: hoe alle glanzende vrouwenbladen door de jaren heen de vrouw verbeeld hebben. Slank, welgeparfumeerd, haar modern gestyled, blik zwoel, benen lang, daartussen geschoren, borsten niet te groot, niet te klein, oren niet uitstaand, neus niet te groot en de mond niet te smal, als je dit alles niet in de aanbieding hebt, wat stel je dan nog voor als meisje? Maar ‘beeldig’ zijn is nog niet alles. Je ‘body language’ moet kracht verraden en tegelijkertijd dat je er open voor staat.

Onwillekeurig pak ik de bladen erbij die de vrouw als buitenkant en lustobject neerzetten. Als jonge geesten door de televisie met zijn ‘total make-over’ al niet de weg kwijt zijn, dan toch door de troep die door glossy’s in de ontvankelijke hoofdjes wordt gepropt. ‘Dik en de dupe, de praktische problemen van overgewicht.’ ‘Dilemma: jong gezicht of slank figuur.’ ‘Bied op een date met een single.’ ‘De nieuwste beauty trends: licht, lieflijk en luchtig.’ ’101 beauty trucs.’ ‘Vindt hij je wel leuk genoeg.’ ‘Undercover make-up trucs.’ ‘Wat maakt een vrouw aantrekkelijk.’ ‘Jouw lover, op maat gemaakt.’ ‘Hoe scoor jij een suikeroompje?’

Omdat gepsychologiseer, knutselen aan je eigen ik, je ware zelf ontdekken, het restylen van de ziel, als wingebied is ontdekt, valt ook daar voor de prille vrouw niet aan te ontsnappen. ‘Zo ben je nu eenmaal, maar veranderen kan altijd. Als je maar wilt!’ Broodtekst: ‘Iemand is op een positieve manier plooibaar, kan zichzelf optimaal ontplooien, maar valt in de kuil van de roekeloosheid. Actiepunt: om deze positieve houding vast te houden, is het belangrijk dat je regelmatig momenten van rust inlast. Reserveer in je agenda bewust tijd voor jezelf. Zo blijf je goed met jezelf in contact en is de kans groot dat je lekker in je vel blijft zitten.’

Het is geestvervuilende stuff tussen de advertenties door. ‘Gepolijst, opnieuw stralend: renoveer uw huid in 2 minuten.’ ‘Liftactiv pro nacht.’ ‘The hypnotizing fragrance.’ ‘Aquasource non stop, sterk hydraterende oligo-thermale huidverzorging met de kracht van 5000 liter thermaal water.’ ‘Geïnteresseerd in liposculpture, borstvergroting, of een andere cosmetische correctie?’ ‘Pure Poison’. Ja, dat is het, puur vergif!

Fabrikant wil poen, maakt crème, adverteert in blad van uitgever die ook niets dan poen wil en dat zij zucht in alle vrijheid onder de dictatuur van een verknipt zelf- en levensbeeld is bijzaak.

Koffie, koffie, snel terug naar de krant. ‘Chimps willen oudere vrouwtjes.’ Nee, sorry mevrouw, het biedt geen soelaas. In de laatste alinea wordt uitgelegd waarom de mensman voorkeur voor ‘het jonge ding’ heeft ontwikkeld.

Eerlijk is eerlijk, ik kan dat niet ontkennen. Enige kans? Ik voel aan mijn torso. Het bestaat ook voor mannen, borstvergroting. Als ik alle geploeter nu eens terzijde schoof. Borstkas laten aanmeten, daarna natuurlijk pas het maatpak en daaronder een modieuze boxer met halflange pijpen. Misschien moet ik dan ook maar in één zucht de piemel op negerlengte laten brengen. Het humeur klaart op.

Totdat ik het bericht lees van Obeid: ‘”Ze hebben mijn laatste zonen gedood. Ik ben nu alleen. Ik heb geen zonen meer,” zei Abd al-Sattar Obeid buiten het ziekenhuis, waar hij de dood van zijn twee zonen had geregistreerd. Hij laadde hun kisten op het dak van zijn auto om ze te begraven.’

‘Ali, 28, en de 27-jarige Thaer zijn zondag doodgeschoten tijdens een herdenkingsdienst voor hun jongere broer Mohammed. Die was met zijn oom en twee neven vorige maand omgebracht. Veertig dagen geleden, vandaar de dienst. ‘s Avonds, tijdens de rituelen, arriveerden ongeveer twintig gewapende mannen. “Ze hadden niet eens de moeite genomen hun gezichten te bedekken. Ze droegen kalasjnikovs en pistolen. Ik smeekte ze: ‘Alsjeblieft, dood niemand. We hebben niets gedaan.’ Maar ze luisterden niet. Ze doodden mijn twee zonen en renden weg.”

‘Obeid, een gepensioneerde soenniet, zei dat hij geen idee had waarom ze waren aangevallen. En hij is niet van plan om ooit nog naar huis terug te gaan. Zijn wijk, Dora, in het zuiden van Bagdad, is een van de gewelddadigste van de stad, waar bendes bewoners geld afpersen en uit hun huizen jagen om te wijk etnisch te zuiveren.’

‘“Iedereen die bij de dienst was, vluchtte weg en ik bleef alleen met de lijken. Ik belde de politie, maar die kwam niet,” zei Obeid. “Ik was de hele nacht alleen. Nu ben ik drie zonen verloren. Een had vijf kinderen, de ander twee en de derde drie. Ik ben nu alleen. Ik weet niet wat ik met die kinderen aan moet. Ik heb geen zonen meer.”

En de televisie biedt vanavond een oorlogsfilm ter verpozing, tot vermaak van onze murw genoten zielen.

Denk niet na over een oplossing. Je zult uitkomen bij de onvermijdelijke constatering dat de man een chemische vergissing is. Doe iets. Obeid moet vast veel huilen, slecht voor zijn gezicht, stuur hem een crème met de kracht van 5000 liter thermaal water. Zeg hem dat ‘licht, lieflijk en luchtig’ de nieuwste trend is hier. En houd hem ter troost voor dat je pas als je pijn hebt, weet wat echt is.

Die laatste zin staat als kop boven een artikel over een boek van T.C. Boyle. Kern: ‘In ons digitale tijdperk raakt het ‘zelf’ zoek.’ Internet. Consumeren we de beelden van de buis nog passief, op de elektronische snelweg spelen we mee. Wie schiet er op wie in welke game? Ben ik dat? Welk deel van mij? En op wie schiet ik? En mijn verliefdheid op de digitale dame, waarvan de foto zeker bewerkt zal zijn, die is reëel, ik voel het toch, maar wat is zij waard?

Ik communiceer onder valse naam met anderen die ook digitaal vermomd gaan. Ach, wat is het verschil met de ‘social talk’ op het werk? En wat voor soort vrienden heb je op Hyves? Is alles niets anders dan een spel met de eigen fantasie, met afsplitsingen van jezelf?

En dat retoucheren, manipuleren van wat ik voel, wie ik ben, doe ik dat niet de hele dag? Is er onderscheid tussen mijn beeldleven en de werkelijkheid? Ben ik de man die nept op het net, of is dat een werkelijker, wezenlijker deel van mezelf dan dat deel dat braaf ja knikt als de chef zegt dat voor vrijdag dat rapport af moet? Als je geen honger hebt, geen pijn, maakt het dan iets uit in welke werkelijkheid, de echte of de virtuele, je acteert?

De verwarring is compleet. Een man is alleen in de kamer, geen hand op zijn hoofd. Moe van een week doorjakkeren, genoeg drank in het lijf, rukt hij zich af op een digitale mevrouw die zich op zijn scherm ontkleedt Op de achtergrond wauwelt Oprah, op tafel ligt de folder over penisverlenging, verderop maken man en vrouw hun rituele weekendruzie, de galeriemadam kan zich een leven zonder kunst niet voorstellen, een meisje in de disco voelt zich dik en lelijk en staat alleen, op rotten.com kun je zien hoe een gefrituurd babylijkje wordt genuttigd, de poenmakers van de crèmes en de glansbladen verzuipen bijkans in hun bubbelbad vol champagne en Obeid huilt zich de nacht door. Het beeld van die slachting krijgt hij niet meer van zijn netvlies. Obeid weet wat echt is, zeg dat wel.

Stop het stinkende gemijmer, jongen. Neem niets meer tot je dat zelfs na een levenlang herkauwen onverteerd in de ziel achterblijft. Naar buiten. Kom in beweging. Denk aan Frederikje: ‘Er zijn elke dag vijftig redenen om verdrietig te zijn, maar ook vijftig om te lachen, dan kies ik maar voor het laatste.’ Vort dus. Zo’n vaart zal het toch niet lopen met die verwarring van beeld en werkelijkheid. Denk terug aan die openluchtfilm in een buitenwijk van Patras. Had alle aandacht, totdat op een balkon van de naastgelegen flat een man en vrouw de liefde gingen bedrijven. Keek er nog één hoofd naar dat scherm? Nou dan.

Als je in het donker in de bioscoop een film bekijkt ben je teruggebracht tot louter oog, tenzij de buurman chips gaat eten, dan blijkt ook het oor het nog te doen. Had ik niet moeten gaan? Onweerstaanbaar was ik door de aankondiging van ‘Paris, Texas’ in het kader van de Duitse filmweek naar de bioscoop getrokken. Terwijl ik wist er niet vrolijker van te worden. Toch gedaan. En nu zit ik hier en moet opnieuw na luttele minuten film al slikken. Ook beelden, maar aangrijpend, van de man die zwijgend door de woestijn trekt, gestopt met praten als hij is. Wat rest er anders? Hij vindt zijn vrouw terug in een erotieketablissement, achter spiegelglas. Zij kan hem niet zien, praten kunnen zij wel. ‘Elke man heeft jouw stem.’ En later, ai, als hij toch weer vertrekt, dat nog één keer omhoog kijken naar zijn vrouw en zoon voor het raam.

Terug op mijn nest ontkurk ik een fles en drink de brok in mijn keel weg. Liefde. ‘Never cryed for pain, allways cryed for love.’

Integriteit is het woord. Soms deugt het woord, hoe ontoereikend en leugenachtig haar aard ook is. En soms deugt het beeld. De mens vermag ook het goede. Daarom juist is alle verlakkerij zo slecht te verdragen, omdat het anders kan, beter. Niet versagen jongen, houd hoop. Blijf praten. Zoek water in die woestijn. En als de ellende op je af komt, niet blijven staan, maar rennen voor je leven. Ik moet denken aan een ander filmbeeld dat me bij is gebleven, dat van de vrouw, die terwijl de frontgevechten naderen niet meer wil vluchten en in berusting blijft staan in de voordeur. Waarom beklijft iets? Waarom zit die ene zin nog in mijn oor? Man bezoekt regelmatig prostitué, er groeit liefde, hij kan trouwen met de dochter van de baas, carrière maken, maar moet het bezoeken van de publieke vrouw van wie hij houdt dan opgeven. Nog één keer gaat hij langs, zwijgend vrijen ze, maar dit keer moet hij betalen en als hij de deur uitloopt spreekt zij die onverbiddelijke woorden: ‘Je had zoveel mooier kunnen zijn.’

Had u mooier kunnen zijn? Had ik mooier kunnen zijn? Hadden we met zijn allen mooier kunnen zijn? Oh ja, nou, welzeker, geen twijfel mogelijk. Alles ligt voor het oprapen. Maar we kiezen ervoor slaaf van onze angst te zijn. Gevangen te blijven in onze gouden kooi. Ja, daar hoort een schuldgevoel bij. Dat we verdomme onszelf, elkaar en de aarde slopen om ons ongelukkig door de dagen heen te slepen. Je zou haast denken dat God ons een deugd deed als hij ons het leven nam, nietwaar?

Vanuit zo’n schuldgevoel jezelf gaan beschadigen, dat schiet ook weer niet op. Kan hoor, schijnt een trend onder meisjes te zijn. Voelen zich niet goed, schuldig, eigen schuld dat er dingen fout gaan, eigen schuld dat ze te weinig liefde krijgen, dat soort gevoelens. Gaan dan zichzelf straffen, pijn doen, zich snijden. Sommigen doen dat om er mooier van te worden, maar dat is heel iets anders, dat heet tatoeëren.

Ik neem nog een slok en druk een nagel diep in mijn vel. Toch maar niet. Hallo zeg, om pijn te voelen heb je toch aan de omgeving genoeg. Intussen komt automutilatie in ons vrije, blije westen steeds vaker voor. Maar ach, zo zwaar moet je er ook weer niet aan tillen. Je kunt er zelfs je voordeel mee doen, dat bewijst de foto van de bedelende jongen op Kuala Lumpur die ik vanmiddag ook nog even wist te scoren op Internet. Die snijdt zichzelf iedere dag tot op het bot open om beter te kunnen bedelen. Beroepsernst.

Toch vind ik het persoonlijk een beetje een slappe hap met die zelfkastijding. Doe het dan goed. Jezelf met benzine overgieten en de fik erin, zoals wanhopige vrouwen dat soms schijnen te doen, dat is andere koek, nietwaar. Lijkt me bij herbeschouwen trouwens een eenzame zaak, dat is het nadeel ervan. Dan zijn die Japanners daar socialer in. Die gaan met zijn allen in een auto zitten waarvan de ramen luchtdicht zijn gemaakt. Vlak voor de verstikking misschien toch nog even seksen, schijnt lekker te zijn. Verder een efficiënt gebeuren. Dat had de chef ook gezegd: ‘Het moet efficiënter, er gaan mensen uit.’ Loyale werknemers waren het die een helpend handje uitstaken.

Soms hoeft een meisje trouwens niet zelf voor de mutilatie te zorgen, maar doen de buurvrouwen dat. Religieus ritueel, nu ook overgewaaid naar hier. Die oudere vrouwen snijden dan met de clitoris jouw vervelende lustgevoelens eruit. Vond ik vanmiddag op het net ook nog een opbeurend bericht over. ‘Het meisje wordt beetgepakt door vrouwen, die met een scheermesje de schaamstreek verminken. De seksuele verminking in Gods naam kan op verschillende manieren gebeuren. Van een deel van de clitoris wegsnijden tot het verwijderen van de gehele clitoris plus de kleine en de grote schaamlippen. Deze laatste vorm wordt infibulatie genoemd, te vertalen als dichtspelden. Het gat wordt immers dichtgenaaid. Sommige vrouwen, een klein aantal, gaat uiteindelijk naar de dokter. Het wegsnijden is namelijk vaak in slechte omstandigheden gebeurd, met een scherp voorwerp zoals een scheermesje. Er zijn streken waar de clitoris zelfs met hete kolen wordt weggebrand. Bij sommige vrouwen is de vaginale opening niet groter dan een pink, omdat ze is dichtgenaaid.’

Er stond ook een fijne foto bij van een meisje van negen in Somalië dat de benen samengebonden weet, zodat de verminkende ingreep beter kan helen. Liefdevol, dat daaraan gedacht is.

Ik neem nog maar een glas. Voorrecht toch dat je dit tegenwoordig via Internet allemaal tot je kunt nemen. En dat we via die andere zegen van deze tijd, de televisie zo goed konden volgen hoe we omgingen met een vrouw die de moed had dit onderwerp aan te kaarten.

De nacht nadert. Buiten is het stil. Vanbinnen niet. Het was een dag die niets aan de verbeelding overliet.

“Waarom doe je dat? Zie je de schade niet?”

“Dat heb ik niet gedaan, dat hebben zij gedaan.”

“Verwar je niet betrokkenheid met zelfmedelijden?”

“Ga, ga.”

“Of met zucht naar applaus?”

“Wie bepaalt hier of ik mag opensnijden?”

“Wat opensnijden? Wie? Waarom?”

4

Definitief afdekken

Zondag, men laat zich uit. Veel auto’s op het parkeerterrein. Dat is niet erg, het duingebied is groot. Zeker als je niet op het rechte pad blijft, is rust gegarandeerd. Relatieve rust, want het constante vliegverkeer heeft met het stiltegebied niets te schaften. Zou niet alle luchtvervoer plaats kunnen vinden in van die zweefvliegtuigjes die sierlijk boven mijn hoofd hun stille cirkels trekken?

Er eens uit. Ik hoop op wind, liefst een koude, stevige bries, eentje die het voorhoofd verkoelt, de boel schoon blaast. Uitwaaien, laten waaien. Hoe harder het buiten giert, hoe meer het vanbinnen luwt.

Eerst is er de nervositeit, onthecht als ik ben. Het valt als betonkind, als uitlaatgasjunk niet mee in het groen, het eerste uur. Maar dan komt de overgave. Lopen, lopen, tot er zowaar weer verlangen ontstaat om richting mensen te gaan.

Alleen het lichte, frisse voorjaarsblad ontbreekt, verder zie ik alle tinten groen, her en der al mooi gelardeerd met het goudbruin, roestbruin, grijsbruin en diep donkerrood van de herfst. Best jaargetijde, kalm. Het voorjaar is te onrustig, te veelbelovend, hoewel het ook wel weer opbeurend is dat de bomen en planten er ieder jaar toch weer heil in zien om te ontbotten. De zomer is te uitbundig, nee, het najaar, met alles zo tegen het rotten aan, past mij het best.

Blijven kijken naar alle schoons valt niet mee. Alleen het oog laten noteren, het lukt nog geen vijf minuten. Een hek, dat zal zijn nut hebben. Nieuwe paddenstoelen. Een passant met eigenwijze alpinopet. Man zingend met kind op de schouders, moeder er glunderend achter. Rode bessen, sjonge, wat een kleur. Het kanaal loopt recht, mensenhanden. Ja, goochem, als liep hier een rivier. Vernattingproject. Schapen tegen de import Amerikaanse vogelkers, die duineigen soorten bedreigt. Eigen duinsoorten eerst. Blijf kijken, jongen.

Grote koeien worden ingezet tegen de verruiging met lange grassen. Kun je ook olifanten voor nemen. In Assam was het dat een reusachtige olifant mij door een natuurpark voerde. Bij iedere stap sloeg hij zijn slurf om een bos gras, of riet, daar wil ik vanaf zijn, ging met zijn andere poot erop staan, zodat het afrukken gemakkelijk ging, sloeg de aarde er in één beweging vanaf tegen die poot om de hele handel al sjokkende naar binnen te stouwen.

Dieren zijn goedig. Als ze honger hebben eten ze iets op, daar kun je niks van zeggen. Maar neem die olifant. Na enig overleg met de mededieren had hij mij als straf voor hoe mijn soort met de aarde en zijn bewoners omgaat kunnen voederen aan de tijgers die rustigjes lagen te wachten. Of anders aan de neushoorns. Een speciale reden zou hij ook nog kunnen hebben. De avond tevoren was ik er getuige van hoe bij een levend varken tot vermaak van de omstanders een paaltje door zijn mond en lijf werd geslagen tot dat er bij de staart weer uit kwam. Dat doodsgillen moet die enorme olifantenoren toch ook bereikt hebben.

Passanten. Een ieder kijkt recht voor uit, praat voor zich uit. Doel: overstemmen. Van wat?

Blijven kijken. Fijn, de houtsnippers zijn grijs geworden, ingelopen, ruiken ook niet meer zo. Daar een spoor. Kan van de duintijger zijn. Nieuwe natuur. Onderscheid maken tussen een muizenspoor en dat van een rinoceros is me nog teveel gevraagd. Kijk, daar, zei de gids in wildpark Ranthambore in Rajasthan, zie je dat, tijgersporen. Drie ochtenden om vier uur de jeep in om tijgers te spotten. Later vertelde iemand dat die er lang niet voorkomen. Afgeschoten. Door de gidsen zelf?

Zo flitst het hoofd. Onvermijdelijk maak ik de wandeltocht in gedachten verzonken. Is wel goed. Niet weer iets willen. Aantekening maken met betrekking tot de tour door Rajasthan: ‘Goed bedoeld.’

De zandstenen gevels van Jaisalmer, de hobbeltocht per kameel de woestijn in, de verwaaiende zandduinen, de zon die bloedrood afscheid nam, de danseres bij het kampvuur, die ene blik die ze toewierp, het zal er allemaal aan bijgedragen hebben. Maar het middernachtelijk op de rug aanschouwen van de sterrenpracht leidde tot, ik kon het niet tegenhouden, de verzuchting dat het ooit allemaal goed bedoeld was.

Ooit ja, tot wij ons ermee gingen bemoeien. Hoe kan de evolutie leiden tot een diersoort die zijn leefomgeving vernietigd? Tot zijn eigen ongeluk, ook dat nog. Als het uitmoorden van diersoorten, het leegvissen van de zeeën, het verstoren van het klimaat, het kappen van regenwoud, het opblazen van koraalriffen, de totale verkrachting van moeder aarde zou leiden tot een kortstondig uiterst gelukzalige mensheid, zou er nog mee te leven zijn. Zelfs dat niet.

Hartgrondig zei de mens vervloekt. Wel eens films gezien van het kappen van het regenwoud? Ik wandelde daar waar groen blauw ontmoet, bij de Great Barrier Reef. En snorkelde. Die kleurenpracht. Later hoor je dat het vernietigen van het woud leidt tot extra afvoer van slib door de rivieren, wat weer het rif aantast. Duizenden voorbeelden zijn er te geven van hoe wij ons milieu slopen.

Zeg niet dat het meevalt. Wel eens urenlang door India gereden, door honderden kilometers, kaal, verloren land? Ooit floreerde er natuur, maar de mens vrat als een sprinkhanenplaag alles op, brandde de boel plat. Vergiffenis bestaat niet. De dieren en de aarde zouden goed af zijn met een virus dat ons wegneemt.

Ach, nog een laat bloempje. Heb je met bloeien gewacht tot ik langs kwam, lieverd? Klein rood sieraad. Pluk het, ontleed haar tot in het hart, nader tot haar schoonheid kom je niet. Mooi is zij in eenheid met de omgeving. Voor de mens geldt dat niet.

‘Als je de mens kent, houd je van de dieren’, gaat dat te ver? Het zou niet hoeven, maar er is alle reden toe.

Hier boven op het duin sta ik altijd even stil en geniet van het uitzicht. Dat schilder je nooit. Dan heb je God overal behalve waar jij hem hebben wilt. Waarom willen schilderen wat er in zijn overweldigende schoonheid al is?

Zo gaat dat maar door, onophoudelijk, sneller dan de voeten stappen, ratelt het hoofd. Vergeten net bij India: dat in die onmetelijke woestijn ergens in het land, tussen de verdroogde klonten in de kokende zon een man op zijn hurken voor zich uit zat te staren. Ik gebaarde de chauffeur te stoppen en keek, minutenlang. Ik naar hem, hij naar nergens. Hij wandelde niet meer, maakte geen aantekeningen, schreef niet, zat daar maar. Zo te zien had hij geen koude wind om het hoofd nodig. Boetedoening? Het had mij niet verbaasd als hij voor mijn ogen ten hemel was gestegen. In werkelijkheid kwam hij plots op me af en vroeg vriendelijk doch beslist om geld voor al het kijken.

Soms houd ik halt in het duin. Om nog verder te bedaren. De geuren, de kleuren en het geruis van de zee in de verte in laten werken. Overgave aan het nu. Nu toch echt even gelukkig zijn. Tot opstijgen komt het niet, ook is er niet iemand in de buurt om kijkgeld te vragen. Alleen is er die hommel die kloot om mijn hoofd, grapje, moet ook kunnen. Verder lopen maar weer.

Van de week was ik bij het Wereld Natuur Fonds in Zeist. Dat zetelt in een gebouw dat op geen enkele manier vervuilt. Veel goeds doet die club. Mag ik het u zeggen: het hart werd zacht. Er zijn nog lui die werken aan het enige dat ertoe doet, het behoud van de natuur. En de mens dan? Joh, al duizenden jaren moorden we de eigen soort uit, toch neemt ons ongedierte alleen maar toe. Maar die Bengaalse tijger die er straks definitief niet meer is, sta toch eens stil bij die gedachte. Een miljoenen jaren durende evolutie leidt tot een rijk geschakeerde planten, bomen en dierenpracht, dan komt het meest agressieve dier bovendrijven om de boel uit te roeien, kapot te maken. Gletsjers die smelten, zeehonden die dood geknuppeld worden, ontbossing, ijsberen die er nog maar even zijn, stropers die even zo gemakkelijk schieten op zeldzame poema’s, of die olifanten bij tientallen afmaken omwille van het ivoor, te erg allemaal. Heremetijd, wat zou ik graag opziener zijn. En dan mét machinegeweer. Ratelen met die handel, wegvagen die stropers!

Met die teksten kon ik bij het WNF niet aankomen. Wél kon ik aanstippen wat mij dwars zit, zeg maar rustig, verlamt. “Kom je als je de natuur wilt beschermen niet automatisch uit op de manier waarop wij als mens leven? Zie, ik was in Cuba en zag met eigen ogen het failliet van de socialistische, communistische manier van de boel organiseren. Die mislukking bracht miljoenen doden met zich mee. Maar een nieuw antwoord is er niet, dus verspreidt onze westerse consumptie- en genotcultuur zich onder het mom van de zogenaamde vrijheid die democratie brengt over de hele wereld. Een hele mond vol, maar er iets tegenin brengen gaat niet. Gevolg: de natuur is de dupe (en wijzelf, maar ach). Mag ik u vragen, slaat zoiets bij jullie de lucht er niet uit? Moeten jullie niet onherroepelijk uitkomen bij de noodzaak van een ander bestel, wereldwijd nog wel? Ik bedoel: valt het vraagstuk van de natuur niet grotendeels samen met het armoedevraagstuk? En moeten we de ‘groei’ niet afschaffen?”

Er kwamen nog antwoorden ook: “Dat van die armoede klopt. Waar dat kan, denken we mee met overheden. Verder geloven wij in ‘van binnenuit bijsturen’, in maatschappelijk verantwoord ondernemen en ook dat er sprake kan zijn van wereldwijde, duurzame groei.”

Duintje af proef ik die woorden na: ‘duurzame groei.’ Als dat zou kunnen! De scepsis die ik in mezelf aantref, bevalt me, hoe terecht en gefundeerd waarschijnlijk ook, van geen kant. Niet in relatie tot wat ik ervoer in Zeist: het optimisme van die lui, iets doen, het welgemoed vechten tegen de bierkaai, de resultaten die geboekt zijn, het geloof in de goede afloop, de wanhoop die er soms ook zal zijn, waar men overheen weet te stappen.

‘Kijk, apathische zeiksnor, het zit zo: er zijn dagelijks duizenden, nee, miljoenen botsingen. Jij stelt je tot in alle zwartgallige eeuwigheid amen de vraag hoe al die aanrijdingen met dodelijke gevolgen voorkomen kunnen worden, de ander verleent hulp, doet iets, plaatst her en der een rode driehoek.’

‘Moet het niet allebei gebeuren,’ sputter ik tegen. ‘Moet er ook niet iemand nadenken en op zijn minst de verkankerde, antwoordloze verwarring beschrijven die de bron van alle ellende vormt?’

Ik passeer het kanaal weer en ga nu op het pad erlangs lopen. Makkie. Op Madeira is dat andere koek. Kun je wandelen op de paden, zeg maar paadjes, naast de irrigatiekanalen, de levada’s. Overweldigend groen, met het diepe blauw van de oceaan nooit ver weg. Maar om je heen kijken kan soms alleen vanuit stilstand. Gevaarlijk! Honderd meter voetje voor voetje schuifelen over een natte richel van amper dertig centimeter breed, met naast je een peilloos diep ravijn. Eén slippertje betekent einde wedstrijd. Bang? Nee. Leerzaam? Ja. Hoezeer je hangt aan wat je lief is, aan het leven, daar was het goed voor. Eén keer daalde ik van een vijfhonderd meter boven de zee gelegen uitkijkpunt af naar beneden, onhandig, voorzichtigjes, zwetend, maar, het kan niet ontkend worden, gelukkig. In de verte ging de zee onzichtbaar over in de strakblauwe hemel en ik mocht daarnaar kijken.

Als ik dit duin opklauter kan ik de Hoogovens zien. Grote rookpluimen, maar de man van Milieudefensie legde uit dat het met de vervuiling tegenwoordig meevalt. Er zijn heter hangijzers om actie voor te voeren. Het gebouw van MD is anders, ademt meer de kraakpandsfeer. ‘Van de straat’ is deze organisatie. Hier werken activisten. Ook goed. Iemand moet iets doen. In de hal staat een knalgroene ligfiets in bolidevorm, komt een medewerker drie keer per week op van Utrecht naar hartje Amsterdam.

Op mijn vraag naar één van de meest vervuilde plekken van Nederland volgde een verwijzing naar de Volgermeerpolder.

Daar stond ik dan, met zicht op wat ik niet zag, tienduizend vaten zwaar gif, hier ooit gedumpt door het bedrijfsleven, al dan niet in vrijwillige samenwerking met de gemeente Amsterdam.

De allereerste klokkenluider moest aanvankelijk zijn mond houden en werd later ontslagen. In 1980 kwam het gifschandaal aan het licht. De gifdumpers gingen vrijuit, omdat niet te bewijzen viel dat men er weet van kon hebben dat de giftige stoffen slecht konden zijn voor mens en dier. Tsja.

Het duurde daarna twintig jaar aan plannenmakerij voordat in 2003 begonnen werd met de schoonmaakoperatie. Nou ja, schoonmaak, het gebied is zo groot (100 ha) en het gif zit zo diep (8 meter) dat het wordt afgedekt met een toplaag. De sloten om de polder heen worden tot in de eeuwigheid gecontroleerd op eventueel lekgif. Wie neemt die honneurs waar als wij er niet meer zijn?

In 2011 wordt het als natuurgebied in gebruik genomen. Mooi poldermodel. Niemand is veroordeeld tot iets. Waarom ook, kun je wel bezig blijven. Er schijnen, zo weet de ambtenaar van de gemeente Amsterdam, in Nederland grofweg 600.000 vervuilde plekken te zijn. Zet het op vier schuldigen per plek, zit je al gauw op 2,4 miljoen daders.

Afdekken is het woord dat is blijven hangen. Hier ligt een blikje, zand erover. De menselijke geest kun je ook vaak beter afdekken. Wat kom je allemaal wel niet tegen als je graven gaat. Zolang er niks doorsijpelt, leven we toch lekker verder. Iedereen zijn deklaag, wie zit ermee?

Zijn we schuldig en verdienen we een veroordeling? Maak voor de Hoge Raad van de Natuur maar eens hard dat wij een gevaar voor onszelf en de dieren zijn. De kans dat de mens wordt veroordeeld is verwaarloosbaar. Hooguit in dit privé-tribunaal. Uitspraak: ‘Laten we de hele handel definitief afdekken, zodat niemand in het heelal nog aanstoot aan ons kan nemen.’

De zee, de zee. Nietige stippen ver weg op het brede strand, aan de horizon een boot, die pas bij een volgende oogopslag blijkt te varen, dichterbij wolken die zich voorbij spoeden. Zand en aan weerszijden van het pad houten paaltjes met prikkeldraad. Zo was het toen ik hier als kind stond, zo is het nu, zo moet het blijven.

Eén nacht varen is het van Penang naar Medan. Van slapen kwam het niet meer toen moslims midden in de nacht aan het bidden gingen, waarop mijn Amerikaanse reisgenoot er met zijn gettoblaster op vol volume Jimi Hendrix tegenaan gooide. Ik ging op de brug zitten, gaf me over aan het inktblauwe water en begreep tegen de ochtend waarom zeelui het land ontwennen.

Ook heb ik eens langs de Stille Oceaan gelopen. Het donkerde, onweer dreigde, zwoel was de lucht, fluoriderend lichtten de golven op, maar oog had ik er niet voor, de stap was wankel. Is het waar van die innerlijke leegte, vroeg ik me af. Peilen, schrikken, de eerste gewaarwording dat het hemd definitief ontrafeld was.

Strand, de wollen zwembroek, de blauwzilveren schep, waarvan de buurjongen, jandorie, het puntje krom had gemaakt, de spritsen met zand, de zoute slokken, nog ruik ik de uien en daarna de schelpen, achterop de fiets. Zie ik daar moeder in haar glorieus blauwe jurk met witte stippen? Hoe lang zit ik hier, de kou trekt op, langzaam kondigt het verlangen zich aan de weg terug in te slaan.

In de afzink kruisen een man en vrouw mijn pad. “Dan kom ik er niet uit. Dan zit ik er almaar aan te denken,” zegt zij. Zijn oplossing: ‘Dan moet je ergens anders aan gaan denken.”

Daarna weer de stilte, die nóg wijzer is. Twee bochten verder blokkeert een hert de weg. Aanstalten om doorgang te verlenen maakt hij niet. Het eerste teken van de opstand der dieren? Natuurlijk is er geen hert. Nooit zie je er een. Ja, die nieuwe koeien, of een hele kudde schapen, die ontgaan me niet. Maar een hert, of vos, ik zie ze zo vaak als de duintijger.

Mijn verlangen dieren te spotten gaat zo ver dat ik bijna zelf een kalkoen had uitgezet. Om hem dan voor de kerst weer te vangen uiteraard. Schijnt lekker te zijn, een duinkalkoen. Ik verzeilde namelijk op een kalkoenfokkerij en kreeg een aanvechting er dan toch ééntje te redden.

De boerin, een klein potig ding, liet eerst de aardappelen de band oplopen, waarna zij mijn verzoek inwilligde om een blik te mogen werpen op haar stal met negenduizend kalkoenen. Door glas, hé, hygiëne. Ze kunnen de kont amper keren, maar gunnen elkaar dat kleine beetje levensruimte. Komt door de kalmerende, blauwe lampen en bovendien, als je ‘buiten’ niet kent, mis je het niet. Na acht, negen weken zijn ze rijp voor de slacht. Dat schijnt snel en pijnloos te gebeuren, je zou je zo’n slot wensen.

“Ik heb gehoord dat een kalkoen vlak voor de pijnloze dood zelfs een dankbare zucht slaakt, blij dat hij ons zo van dienst kan zijn.” Een dergelijk grapje is niet besteed aan de boerin: “Ze hebben het beter dan de meeste mensen.” Zit wat in. Ik las vanochtend pal voor de wandeling nog een opbeurend bericht over de grootste aanslag ooit in Irak. Honderdachtenzestig lijken, aan stukken gereten, de hele straat bezaaid met lichaamsdelen, plassen bloed en verkoolde kinderlijken. Wat voor leven en slot is dat?

Boerin: “Wij fokken volgens de regels en dat zijn er wat. Mensen willen goedkoop vlees, in die behoefte moet voorzien. Doen wij het niet, dan wordt het import uit Brazilië, of Maleisië. Weet u hoe dieronvriendelijk het er daar aan toe gaat? Als die protesteerders daar nu eens heen gaan.”

Een medewandelaar, dikke kop, zeker weten een vleeseter. “Hallo, goedemorgen. Ik wil uw wandeling niet verpesten, maar u moet bij WNF, Milieudefensie of Wakker Dier eens checken hoe er met dat kippetje wordt omgegaan voordat u hem gezellig afkluift. Ik zeg u één ding: de meeste mensen verzorgen de geranium in hun vensterbank beter.” “Waar bemoeit u zich mee, meneer.” “Oh, ik bemoei me overal mee. Ik kan het namelijk niet zo goed zetten, hoe wij met de aarde en de dieren omgaan.” “Ach, hoepel toch op, man. Ga eens kijken in een biowinkel naar al die witte, afgetrokken koppies. Nee, dat is gezond.”

Ja, er gaat veel om in een hoofd. Ziet u mij ooit door het groen schooieren, weet dan dat er in algemeen belang gepeinsd wordt. Ha, daar heb je alpinopet weer. Zegt geen gedag, kijkt nors voor zich uit, vastberaden tred. Waar zou híj aan denken?

Met de gedachte van een dierenopstand blijf ik spelen. Wel eens door acht wespen tegelijk aangevallen? We zouden nergens blijven. Als die nieuwe partij dat nu eens entameert. Zware klus, hoor. Houd je de mens een worst voor, ben je boven Jan. Maar dieren interesseert het gemeenschappelijke dierenbelang niet. Onverschillig slaat de natuur ons gepruts gade. Tijdelijk ongemak. Doen we het goed, fout, ploegen we de boel om niets om, moorden we elkaar uit, leidt onze zucht naar vlees tot oceanen aan dierenleed, vissen we diezelfde plas leeg, doen we soorten welgemoed uitsterven, het zal de apen of de mieren allemaal een zorg zijn. De bomen maakt het ook niet uit. De natuur kent geen oordeel.

In deze bosjes hier, waar ik nu voorsta is vorig jaar een meisje verkracht en vermoord, toch staan de struiken er nog fier bij, van verdriet vergaan zijn ze niet. Sommigen verklaren het struikgewas zelfs schuldig, dat gaat te ver. Maar hulp, correctie zit er niet in. Op geen enkele manier. We zullen het karwei echt zelf moeten klaren.

De voeten doen zich voelen. Nog even. Het laatste stuk nu toch echt het hoofd leeg maken. De wind, de koelte, het verfriste voorhoofd. Ik ben er, ik loop hier. Moeder Aarde, ik omarm u.

Terug in de auto even geen radio. Bang voor het nieuws. Wél muziek, zachtjes, mag de vrede nog even met de geest zijn. Fijn ook dat de speculaastijd weer is aangebroken. Ziet er goed uit, verder, deze zondag. Heb voor vanavond nog een fijn artikel liggen waar optimistisch boven staat: ‘De natuur beschermen is heel eenvoudig.’

De cijfers probeer ik nog welgemoed tot me te nemen. ‘Van de 20 miljoen vierkante kilometer tropisch regenwoud is nog maar 7 miljoen over. Als we zo doorgaan is het Amazonewoud over 50 jaar weg. De zeeën vissen we leeg. De helft van de wereld is te droog om er een boom te laten groeien. Van elke zeven vierkante kilometer gekapt oerwoud wordt slechts twee vierkante meter (!) omgezet in landbouwgrond.’

Maar gelukkig, er is een simpele oplossing. ‘Als je iedere houthakker honderd dollar per jaar geeft, houdt hij ermee op.’ Ik bewonder elk initiatief, zelfs tegen beter weten in, maar die 100 dollar is zo verdomd onhaalbaar. Op vrijwillige basis? Verplicht? Gezien waar elke verkiezing over gaat? Over de portemonnee, wat daar vandaag in komt, liefst meer dan gisteren.

‘Lieve ‘Heel Eenvoudig’. Heb je even gemist dat de meeste houthakkers in Brazilië in slavernij van de landeigenaren leven en die 100 dollar van jou direct af moeten staan? Het groeimonster vreet alles op, joh. Heb geen hoop. Zo leven dat we gelukkig zijn, wat hand in hand zou gaan met leven op een manier die duurzaam is, sober, we zijn er verder van weg dan ooit, terwijl de definitieve teloorgang van de natuur juist dichterbij is dan ooit.’

En boven liggen de kindjes. En boven liggen de kindjes.

“Lieve jongen, je huilt.”

“Omdat ik het niet kan uitstaan.”

“Kom, laat me je toestoppen.”

“Wie ben je?”

5

Overal van weten

De ruiten zijn beslagen. Woordvocht. Gecondenseerde ijdelheid. Het is het café waar hotemetoten schrijvers samenklonteren. Nooit komen we verder dan halve gedachten, valse beweringen, niet te staven, niet te verdedigen meningen, vooroordelen, leugens, gespeelde betrokkenheid, waardeloze geleerdheid, verachtelijk dédain, intellectuele bemoeizucht, denkbeeldige verbondenheid. Alles wat kan denken, kan zien, hoort met de mond vol tanden te zwijgen, te klappertanden van vrees om wat komen gaat, terug te deinzen met het schaamrood op de kaken. Maar dit schrijft, dit spreekt. God, wat een herrie hier.

Schenk nog eens in, zuip op. En nog eens. Jij daar bij het raam en jij thuis bij je geestverlammende openhaard. En jij, stomme zwerver in dat pisportiek. Haast je, verdoof, drink, drink, de vulkaan staat op uitbarsten.

Ik stap op mijn stoel en leg die hele godverlaten kroeg het zwijgen op: “Jullie met je kutpraatjes. Ik ben die hele kakofonie van drogredenen zat. Mijn rijk is van het niet weten, van nederig buigen. Wie er ook wat schrijft, altijd is het valsheid in geschrifte.”

En het was nog vroeg op de avond.

In de loungebar tref ik nog meer kletsverslaafden. Er slingert een krant op tafel. ‘Mensen die maar wat kletsen zijn elk respect voor de waarheid kwijt.’ De onderzoeker vermoedt dat het maximum aan gelul al vijftig jaar geleden bereikt is. ‘Het hoort bij het kapitalisme; iedereen probeert iets aan de man te brengen. En het hoort bij de democratie. Het lijkt wel of je alleen iemand bent als je lult over alles.’

“Waarom drink je zoveel?” “Om dronken te worden, waarom anders?”

Het zal allemaal wel. Vanavond proberen nu eindelijk eens een keer niet de onderliggende partij te zijn. Onder haar zou ik wel willen liggen trouwens.

“Wat schrijf je op?” “Wat ik zie.” “En wat zie je dan?” “Benen, waartussen ik zou willen verdwijnen, maar geen lippen die uitnodigen.” “Kun je alleen maar schrijven als je dronken bent?” “Nee, ik drink omdat ik schrijf.” “En waarom schrijf je?” “Omdat ik zie wat jij niet ziet.”

Suffe hap, hier verder. Het zit, het relaxt, weet je wel, cool. “Hé, waarom staat hier geen muziek aan?” “Maar er staat muziek aan, meneer.” Zalig zij, die de vingerwijzingen niet begrijpen. En dat ‘meneer’. Tijd om te verkassen. Alles meenemen, nooit een spoor achter laten.

Of het niet tijd wordt een rondje over te slaan? “Wie is hier koning? Ik dacht ik. Kan ik met gemak, mijn glas laten staan. Kijk, nu laat ik hem staan en nu neem ik weer een slok. Makkie, niet? Maar ik snap jou wel, als ik hier van mijn kruk donder, schiet dat ook niet op. No worries, mate. Ik ken mijn taks. Hooguit doe ik alsof ik dronken ben. Nou ben jij de expert, zie je die veiligheidspal in mij dan niet? Die gaat er nooit uit, ja. Komt door die buurjongen die ik tegenkwam in het gesticht, die was de baas niet meer, een week later ging-ie, hup, met een steen om zijn poten de plomp in. Zo doet Koning Roes dat met ondergeschikten.”

Die laatste zin ontnuchtert weer even. Tijd voor onverdoofd geslacht vlees, mét knoflooksaus. Lippen die lonken kom je in dit district toch niet tegen.

Verder bij zinnen komen kan in de coffeeshop. Is veel geestverdovend, of verruimend zo u wilt, spul te krijgen, maar geen alcohol. Bronwater maakt de blik weer scherp. Door de rook om de hoofden kijk ik zo heen. Vale gezichten, meest doffe, soms glinsterende ogen. Magere koppies.

‘Special cake’ te koop. Ooit in Kathmandu schafte een Amerikaans reisgezelschap zo’n speciale taart aan ter opluistering van een verjaardag. Grote punten werden er uiteraard van gesneden. Sommigen zijn nu nog niet bij zinnen.

Vier televisies, maar de meeste jongens, en een enkele meid, hebben vooral oog voor de joint die met de grootst mogelijke precisie in elkaar wordt gestoken. Zondigen is lekker, dat geeft het ritueel iets extra’s. Er zit ver weg een daad van opstandigheid in. Verheven voelen ze zich ook, boven dat bange gepeupel dat zuipt. Ach, het is maar wat schaars en aanlokkelijk is. In India trof ik ooit een man einde ochtend al ladderzat aan in een hangmat, terwijl naast zijn huis de drugs uit de grond schoten. ‘Echte cognac’ dat was het pas.

Maar ik ben ook bang dat de rook nooit meer om mijn hoofd zou verdwijnen. Dat heeft weer te maken met die verloederde jongeren die ik in datzelfde India en Nepal zag wegteren. Ze zochten geluk, maar rookten en slikten zich een ongeluk. Blootsvoets was hij, zweren op zijn benen en armen, stinkend, het licht in de ogen al gedoofd, als resultaat van zeven jaar ‘op weg’. ‘Wil je nooit eens naar huis,’ luidde mijn burgermansvraag. ‘Home is where I am, baby.’

Of met de vrouw die mij in de NY-ondergrondse aansprak, toen zij mij zag staren naar haar betraand gezicht. ‘Ga nooit aan de crack, jongen. Het sloopt je, binnen twee weken ben je ‘hooked for ever’. Twee zoons ben ik kwijt. En wat doet de regering? Die kaart het marihuana- en cocaïnegebruik aan, witte drugs. Crack is voor zwarten, die mogen verrekken.’

Of met Hendrik, die ik nog eens een ochtend lang bezig zag met het uitspugen van zijn adamsappel.

Daarom maar weer, wat verder richting Zeedijk, een kroeg opzoeken. Een kopstoot kun je beter drinken dan krijgen. De roes moet opgepakt worden en snel. Er zit niets anders op. Verdoven. Soms moet dat. Weg met dat somberen. ‘Krijg toch allemaal de kolere, val van mijn part hartstikke dood’, jawel. ‘Vluchten kan niet meer, ik zou niet weten hoe?’ Nou, vanavond wel.

“Zeg, waar ben jij aan,” vraag ik aan de vrouw naast me, “aan de antidepressiva, of aan de drank?” “Dat zie je toch wel, bijgoochem. Pillen? Mij niet gezien.” “Dus jij hoort niet bij die 850.000 Nederlanders die jaarlijks kampen met een dip, dat ze alles grijs zien. Goed van jou.” “Nee, maar van jou zou ik erin raken. Als ik grijs zie is dat jouw kop, ja. Het is zaterdagavond, man, zuip door, of ga anders hier om de hoek een keer flink neuken, misschien knap je daar van op.”

“Ik val op lippen.” “Hoort hier, die malloot met zijn schrijfblokje komt naar de wallen en zegt dat-ie op lippen valt. Daar moet je je jongeheer tussenschuiven, joh. Nou, schiet op, ga ergens anders vervelend doen.”

Een meisje van zestien vingert zich voor het raam. Oud grijs kijkt toe.

Als ik later terugkeer, is het gordijn toe. Wetenschappelijk bewezen, de man valt op jong.

Daar een Braziliaanse, van het soort dus dat een cirkel om je heen trekt als op het Copacabana strand zit. Iets te lang gekeken. Ze doet de deur open, klikt met de tong, roept ‘cheap, cheap’ en schreeuwt ‘fuck you’ als ik dat niet met haar wil.

Een harde onderhandeling aan de deur. Hij wil zonder voor hetzelfde geld.

Sinds de middelbare schooltijd hier niet meer geweest. De geur van verrotting is onveranderd.

Over de vlucht in seks gaat dit. Vierentwintig uur per dag, alle dagen van de week, altijd overal, speelt seks een rol. Het denken zat, genoeg vraagtekens achter genoeg zaken gezet, je zeven slagen in de rondte gewerkt? Denk aan seks als uitweg. ‘Just fuck the brains out.’

Geil, ja. Neuken, ja. Maar tieten in de aanbieding om de verkoop van boter, gehoortoestellen en rollators te bevorderen? Teveel. De vrouw is de smeerolie van het Systeem geworden.

Maar, het moet gezegd, deze meiden zien er goed uit. Alleen val ik op lippen.

Zou dat kunnen, zou je naar binnen kunnen gaan voor alleen die eerste, sidderende zoen? Misschien, maar waar doe je de vereiste verliefdheid op?

Studenten joelen als hun studiegenoot naar buiten komt. ‘En Jozef heeft geneukt. En Jozef heeft geneukt, ja, ja. In d’r kut, in d’r mond en in d’r reet ja, ja. En Jozef heeft geneukt, ja, Jozef heeft geneukt.’

Seks als zingeving, als vlucht voor die anders akelig opdoemende leegte.

Te beschonken ben ik om nog enige orde in de notities en gedachten te houden. Dit is de zaterdagavond schrijfhik.

Een glas hier, een glas daar en weer rondlopen.

Wat wil de vrouw? In ieder geval niet haar lichaam in een venster te koop aanbieden, mag je aannemen. Het is wel het Vrije Westen, maar toch. Achterin zo’n zaak zit natuurlijk haar pooier. Waarom gaat die niet met zijn vette pens voor het raam staan? En dan tien matrozen naar binnen om hem eens flink in zijn kont te neuken. Zónder uiteraard.

Ik moet goed blijven kijken, de blik mag niet vergeilen. Het is laat en de drank is in deze man.

In een portiek wordt gedeald.

Direct ernaast een spuitmager meisje. Een jongen gaat voor haar raam staan, wijst en schreeuwt: ‘Biafra, Biafra.’ Zij deinst terug, bedekt zich, angst en tranen vullen de ogen. Dan ga ik bij haar naar binnen. “Nu niet direct in de slachtofferrol kruipen na één krijsaap. Doe wat aan je situatie. Vanochtend heb ik nog uit de mond van een Engelse denker, en die kunnen er wat van, vernomen dat verslaafd, arm of crimineel zijn allemaal eigen keus is. Nou?” “Sorry, dat ik besta, meneer.”

Een neger komt op me af. “Het is een verwarrende wereld, jongen. Maar er is redding mogelijk. Heb je vijf minuten voor me?” “Noem mij geen ‘jongen’. Luister jij naar mij. Redding van wat? Door wie? Ik ken jouw verhaal. Dat draagt hooguit bij aan de verwarring, denk daar eens over na. Die chaos, dat keurslijf van werkdruk en vals genot, die ellende overal, die ontvluchten we, wat rest ons anders. We geven ons over aan drank, nog harder werken, telkens een nieuwe kut, waanbeelden. Pik eruit wat van je gading is. Een goede nacht en zeg tegen die redder alvast dat het een prutser is.”

Later, agressiever, luidruchtiger. Een beschonken vetbuik maakt ruzie met een vrouw die weigert open te doen. Door schade en schande wijs waarschijnlijk. De man opent de gulp en begint tegen de deur te pissen. Tien druppels verder gaat die deur open. Eén klap is genoeg. Omstanders joelen: ‘Hij kan niet meer op zijn benen staan.’

Respectabele provinciaalse echtparen zie je de Bananenbar betreden. “Moeten we echt doen. Ik weet zeker dat jij het ook leuk zult vinden.”

Tieners bespreken de kwaliteit van het aangeboden vlees. Delibereren luid over de grootte van de borsten en de lengte van de benen. “Moet je kijken wat een mond, man. Die kan pijpen, jongen, je hoeft ‘m direct niet meer schoon te maken.”

Besmuikt, je hoort er besmuikt te lopen. Het is in alle nuchterheid beschouwd een genante vertoning. Maar niemand beschouwt meer in nuchterheid, de massa trekt de schaamte voorbij langs de vensters.

Kijken, niet kopen, dat karakter heeft het wel, noteer ik. Blijkt aan het tijdstip te liggen. Als ik na weer een kroegstop nog een rondje maak zijn veel gordijnen gesloten. Nog een rondje? Ja, bij één venster kruiste mijn blik heel even de hare. Ik zag ogen die daar niet thuis horen.

Jakarta, de Hete Mannen Bar. Kansloos was ze, want ouder dan achttien. “Waarom doe je dit soort werk nog steeds?” Foutere vraag kon niet. “Ik heb nog niet gegeten vandaag.”

Haar gordijn is toe nu.

Vergetelheid, daar gaat het om. De scherpe kanten er vanaf drinken. De beker moet leeg vanavond.

De disco. Het werkt niet meer. Mannen met gatenkousen. En dat lawaai. Veel moeite doen om binnen te komen en na één duur bodempje whisky weer buiten. De Zeedijk op. Mooi, dit café oogt als een niet te drukke uitzakplek. Het hoeveelste glas is het? Ik drink en weet dat ik dicht tegen het omslagpunt aan zit. Dan verkeert de warme roes zomaar, van de ene slok op de andere, in een heldere, meedogenloze staat van nuchtere alziendheid.

Na sluiting van de vensters loopt de zaak toch vol. Met vermoeide vrouwslijven. Drank, wellicht een snuif, peppers, nachtvlinders dansen er omheen. Een walm van bederf en wanhoop komt tot mij. Zie het zo: een man die zijn beste jaren aan de zaak geeft, die zijn geest murw werkt, zijn lijf sloopt, levert ook veel in om aan poen te komen. Maar er is één verschil met die meiden hier: het gebeurt niet uit naam van de liefde, ons houvast.

Zij houden van elkaar en vrijen, het summum. Zij houden niet van elkaar, maar vrijen toch, want vallen op elkanders lichaam, ook goed. Zij houden niet van elkaar en zij valt op niets van hem, maar hij wil aan zijn gerief komen en zij geld, foute deal.

Daar is ze. Heel even zien we elkaar weer. Luid lachend bestelt ze daarna een tropische cocktail. Hoe ze haar lippen tuit! Lippen. Na nog een glas twijfelen besluit ik….., ze ziet me komen, kijkt en knikt nauwelijks waarneembaar ‘nee’. Haar hart blijft buiten schot, is dat het?

Ik strompel terug naar mijn fiets om met vallen en opstaan mijn vluchtplaats te bereiken. Kijk, nu slinger ik teveel en kan ik die stoeprand niet ontwijken, dus val ik, simpel zat, ha, leuk, simpel zat.

Thuis er nog een ontkurkt. Zo gauw heb ik die demonen niet plat. Zitten, uithijgen, de schoenen los, de blik op oneindig. Wat een wanstaltig gedoe toch.

Verdriet zwelt op.

‘Mag ik me deze keer tot de man richten? Mag ik U vragen, Heer, huilt u ook wel eens dronkemanstranen? Zie toch toe. Beheer de handel een beetje, wilt u? Het is toch het oog van de Meester dat het paard vet maakt. Kijk niet weg. Zie ons scharminkels eens voort ploeteren. ‘Heer of pooier, dame of sloerie, veel verschillen doen ze niet. We struikelen bang en moe het leven door en op de vluchtweg staan we zij aan zij.’ Neem het ons niet kwalijk, dat vluchten. Wat rest anders? Ziet u niet wat iedereen ziet die kijkt? Kent u Obeid? Weet u de naam van die vrouw achter het raam? Zullen we haar Maria Magdalena noemen? Uit naam van al die 856.000 duizend tobbers, die zich moe en der dagen zat door het leven slepen, doe iets. Of anders uit naam van alle seksueel verminkte vrouwen. Grijp in. Wij zijn als soort niet tegen onszelf bestand. Goede mannen, dat verzeker ik u, kerels om van te houden, werken zich ongans. De enige dans die we nog kennen is die om het gouden kalf. Vrouwen verkopen hun vrouw zijn. Kinderen worden dezelfde doodlopende weg opgestuurd. Het is meer dan een mens verdragen kan. Doen, doen, doorharken, geen tijd om na te denken, kopen om de kick van het kopen, reizen, drinken, roken, bidden, snuiven, praten, lawaai maken, de onvrede overstemmen, of de narigheid eruit neuken, niks dan dansen op de vulkaan blijft er over. Ik zuip, ja. Mag ik zuipen? Waarom weten wij overal van? En u blijkbaar nergens?

“Lafaard.”

“Verstoor mijn roes niet.”

“Niet vechten, alleen vluchten.”

“Een plicht tot doodvechten ken ik niet.”

“Je heult met de vijand.”

“Die ken ik niet.”

“Verdriet verdrinken leidt tot meer verdriet.”

“Waarom volg je me overal?”

“Ik volg een ieder. Jou niet in het bijzonder, als je dat soms dacht.”

6

Fluwelen dwang

Altijd is er die volgende morgen.

Brak.

Het hoofd wil niet. En het lijf ook niet. Blijven liggen? Het onheil niet meer afwenden? Mijn nek trekt, mijn slapen bonzen. Aspirines en er eten in proppen.

De zinnen verzetten, ze verdoven, het werkt niet. Maar blijf er eens vanaf, van die kortstondige illusies van geluk. Zelfs Satie is me te druk, dus terug in bed.

Begin van de middag, het ergste gehad, maar een blik in de spiegel doet schrikken. Er moet wat gebeuren, jongen. Dit gaat niet goed zo.

Weten hoe het zit en toch meedoen. Van die overdosis arbeid, die pillen, die droomauto, die almaar verder weg reis, tot die slok extra, struisvogelacties zijn het.

Je wilt bloot leggen? Schrijf dan op dat al deze uitwegen het ventiel vormen van onze gouden kooi, waarin de spanning vaak hoog oploopt, want te velen leiden onnodig een te kaal leven.

Nog te pufloos om te denken? Dan dicteer ik het wel. Schrijf op: ‘Het Systeem regelt dat ventileren goed. Alles mag, maar mét veiligheidspal. Af en toe een verzetje wordt toegestaan. Daarom: drankreclames prima, coffeeshops gedoogd, drugshandel door de vingers gezien,  prostitutie gelegaliseerd, voetbalvandalisme alleen in woord bestreden (dat scanderen van ‘alle Joden aan het gas’ en wat vernielen na afloop haalt lekker veel agressie weg), geestdodende televisie toegestaan, elkaar als spel op de computer kapot schieten ook. De gedoogzone is groot. Als de boel maar rustig blijft.’

Zo speel ik op deze verloren zondagmiddag spelletjes met mezelf, de pen en het papier. Het pijnlijke is dat het geen spel is voor die lieden die vermalen raken in dit verneuksysteem met zijn fluwelen dwang en strontventielen. Ik ken ze, de in aanleg gave mannen en vrouwen die ergens halfweg de rit uit koers raakten en nu verloren, chronisch moe, aan de zijlijn staan. Het worden er meer en meer. Weggezet als bedrijfsongeval zijn ze, de ‘opgebrande verliezers.’ Waar gewerkt wordt vallen spaanders, nietwaar.

Lui die de pal eruit trekken en zich zonder rem overgeven aan de illusie zijn er ook veel. Gisteren nog wat cijfers erbij gezocht. Het aantal alcoholisten in Nederland wordt geschat op meer dan 350.000. Over diegenen heb je het dan die zo aan de fles zijn dat zij in hun functioneren worden belemmerd. De klinieken met Korsakov-patiënten (hersens kapot gezopen) puilen uit. Terwijl de grote golf nog moet komen, want op steeds jongere leeftijd wordt gedronken. Twaalfjarigen zijn al aan de alcohol. In 2007 werd de eerste speciale kliniek voor pubers met zware drankproblemen geopend. Maar de drankreclames blijven bestaan, dat wel. En de tv-programma’s met zich aan zuipfestijnen te buiten gaande tieners worden niet van de buis gehaald.

Zijn er ook nog alle gezelligheidsdrinkers, u, ik, wie niet? Bij elke een beetje feestelijke gelegenheid wordt geklonken. Verjaardagen, drank, na werk naar de kroeg, een biertje, bij thuiskomst een borrel, ter afsluiting van alweer een zenuwslopende dag een flesje rode wijn. ‘Beter zat dan stapelgek’ is het heimelijke oogmerk. Zit wat in. Maar wat maakt ons gek?

En wat die vermoeidheidlijders betreft: het topje van de ijsberg vormen ze. Het overgrote deel van onze fiere beroepsbevolking blijft ternauwernood overeind. Op het tandvlees, zuchtend, het hoofd vol duffe smurrie, op de automatische piloot de dagen door en genoeg afzakkertjes om de slaap te kunnen vatten. Herkent u zich totaal niet in natuurlijk.

Voor me op tafel liggen ook wat gegevens aangaande depressiviteit. Je kunt wel in een kroeg tegen een dame lullig lollig beginnen over antidepressiva, maar de onthutsende cijfers drink je niet weg.

Jaarlijks krijgen ruim bijna driehonderdduizend volwassenen een eerste depressie.

In 2003 leden al 856.000 mensen ouder dan 13 aan een depressie.

Mensen met een lichamelijke aandoening én een depressie lopen twee maal zoveel kans om binnen een bepaalde periode te overlijden.

In 2003 werden in Nederland 5,1 miljoen antidepressiva voorgeschreven.

Sommige ervan zijn niet geschikt voor kinderen, maar worden soms toch verstrekt, wat kan leiden tot zelfmoord. De industrie kende de gevaren van antidepressiva voor kinderen en jongeren al jaren, maar hield die geheim om het imago van de pillen niet te schaden.

Antidepressiva kennen veel mogelijke bijwerkingen: droge mond, vermoeidheid, sufheid, slaperigheid, lage bloeddruk, duizeligheid, seksuele functiestoornissen, gewichtstoename, slaapstoornissen, geheugenproblemen, versnelde hartwerking. Waar nog de zeldzame bijwerkingen bij kunnen komen: bloedingen, te laag natriumgehalte in het bloed wat weer kan leiden tot tal van ernstige, extra klachten, wegblijven menstruatie, kans op suïcide, tepelvloed, oorsuizingen.

Meer niet.

Ik leg de statistieken terzijde en laat de cijfers inwerken. Een miljoen mensen in dit land die het zonder pillen niet trekken, die de barre bijwerkingen kennen, maar ze voor lief nemen. Zonder chemische hulp blijven ze niet overeind.

Of pillen de remedie zijn? Bijzaak. Vraag het de lui die ervoor doorgeleerd hebben. Een stukje hardlopen, het lijf verzorgen, op tijd met de kop onder de koude kraan, niet te dik zijn, niet roken, bereid zijn jezelf een schop onder je achterste te geven en dat beetje ‘lijden aan het leven’ dan maar wegdrinken of voor lief nemen, daarmee moet je een eind weg kunnen komen. Ongelukkig zijn is immers geen ziekte.

Maar niemand slikt voor zijn lol. Iedere zieke geest verdient compassie. Met de veroorzaker, dat verheven consumptiemodel van ons Vrije Westen, heb ik dat niet.

De kater trekt versneld weg op deze manier. Adrenaline. Gisteravond de Wallen, nu deze cijfers, morgenochtend de hele bende stilstaand op weg naar werk, ach, u weet het nu allemaal wel. Wat is dat voor krankzinnige manier waarop we in alle vrijheid bezig zijn? En in recordtijd is dit gezwel bezig wereldwijd uitzaaiingen te krijgen.

Alcoholisten, junkies, workaholics, een leger chronisch geestelijk zieken, en nog heb je het dan niet gehad. Je handhaven is nog iets anders dan je afvragen of je gelukkig bent. Goed, dat is wel erg veel gevraagd, laten we het houden op bezig zijn met vragen als ‘steek ik goed in mijn vel’, ‘ben ik in balans’, ‘ben ik zinvol bezig’. Veel van onze gerespecteerde burgers beantwoorden die vragen met ‘nee’. De schappen met New Age bladen wel eens doorgestruind? Gekeken onder het kopje ‘Therapieën’ in de kranten en magazines?

Nog nooit was de mens zo zeer op het zelf zin geven aangewezen. Nog nooit moest dat gebeuren in een samenleving die zo weinig zingeving kent.

U merkt het, zondag blijft een dag voor beschouwen. Enfin, de vijf is nu in de dag, er mag een glaasje port bij. Plus een sigaartje. Als je jezelf niet kietelt gebeurt het niet.

Mijn scepsis tegenover alle ‘pamperen van de ziel’ is groot. Maar om u als ervaringsdeskundige van dienst te kunnen zijn, moet ik mij opofferen en een paar van die alternatieve behandelingen ondergaan. Daarom heb ik een ‘mindstyle magazine’ en een boek over het alternatieve circuit aangeschaft.

Ga die nu eens met open geest doornemen, man. Ben je wel in balans? Zinnig bezig? Normaal, die behoefte om soms van ratatata te willen doen met een machinegeweer? Vooruit!

Dat valt niet mee. Kom maar eens tot een keuze. ‘Persoonlijke clearing’ ‘Therapie vanuit het hart, met verstand van zaken,’ ‘The Electric Body, meditatietraining op een totaal nieuw nivo’, ‘Chakra cursus, inspirerende reis langs energiecentrales geeft innerlijke rijkdom.’ ‘Academie voor Counselling en Coaching,’ ‘Watervitalisering,’ ‘Rebalancing,’ ‘Creëer de Toekomst die Jij wilt,’ ‘Floating,’ ‘Paragnost, medium’, ‘Regressietherapie Zeldenrust’, ‘Exclusief onthaasten,’ ‘Persoonlijke Effectiviteittraining,’ ‘Wijs worden in 7 stappen,’ ‘Sexual Grounding.’, plus nog 106 kleine annonces die ik maar laat voor wat ze zijn.

Wat te kiezen? Bij de advertenties, want ook aan een geeststijl blad moet worden verdiend, zijn behalve Chinese Gelukshangers ook Magic Stones in de aanbieding. ‘Met welke steen maakt uw kind makkelijk vrienden, groeit het zelfvertrouwen en kan het zich beter concentreren op school?’ De ‘steen der wijsheid’ zit er ook bij. Die wil ik. Met die steen in mijn hand die advertenties nog eens doornemen, dan is de keuze zo gemaakt.

Er staan naast alle waar ter geestelijke dan wel stoffelijke verrijking toch ook artikelen in waarvan de strekking verlokkend is. ‘Hoe ziet de hemel eruit.’ Wie wil dat niet weten? Hier op aarde is hij niet, dat mag onderhand duidelijk zijn. ‘Begin met leven voor de dood.’ Probeer het eens erna. ‘Hoe krijg je vertrouwen in de liefde?’ De liefde is altijd te vertrouwen, maar wij?

Lezen we later allemaal. Nu eerst om de agenda voor de persoonlijke heling samen te kunnen stellen dat boek doornemen. Een mens moet toch weten waaraan hij zich overgeeft.

Regressietherapie. ‘Aan de begeleidende hand van de therapeut herbeleven mensen onder een lichte hypnose onverwerkte gebeurtenissen uit hun kindertijd, de tijd in de baarmoeder, of zelfs de periode voor hun geboorte. Ook kan het zijn dat problemen hun oorsprong hebben in een vorig leven.’ Ammehoela niet. Gelukkig, hij blijkt bedoeld voor mensen die met problemen kampen waarvan ze de oorsprong niet begrijpen. Geen last van. Ligt het soms aan mij dat het een zooi is?

De richting is bepaald: het moet in de vertroetelhoek zitten. Rebalancing, verschillende soorten van aanraking, daar wil ik wel aan. Niet praten, wegmasseren die stress, even een uurtje onder handen genomen worden, doen we. Floating, in een cabine drijven op zout water, moet ook een kans worden gegeven. In beide gevallen zal het toch niet zo zijn dat je na afloop alles op moet geven om opgenomen te kunnen worden in een sekte. Van sektes houd ik niet, vandaar. Meestal eindigt dat in seks met de Leider, alvorens er collectief een eind aan gemaakt wordt. En ik wil nu juist welgemoed verder.

Driehoog, in een oude wijk van Den Haag. Bellen, de deur wordt met een touw open getrokken, zie niemand, de houten trap maar op. Indrukken: rijk word je er blijkbaar niet van, wonderlijk dat iemand dit er in een achterkamertje bij doet. Schoenen uit, warme kamer in, zitten, beetje elkaar beloeren. ‘Ik heb het wel op een rij, maar soms wil ik stropers neerschieten. Heeft u dat ook wel eens?’ Zou een correcte binnenkomer zijn. Maar ik zeg: “Mijn nek en hoofd zijn soms beurs, terwijl ik ze toch goed op een rijtje heb. Zal wel een kwestie van teveel last op de schouders zijn, hé. En van toxines. De kapper ziet het zelfs aan de haargroei.” Onderwijl taxeer ik de vrouw die mij in balans gaat brengen. Waarom oogt ze zelf úít balans?

Volgt het ritueel: kleren uit, warme handdoek, strijken, drukken. Mijn gevoel middels mijn ademhaling los laten, zoiets. Ik hoef niet ‘in haar’ te gaan. Dat moest eens bij een bevallige dame die mijn rugklachten ging wegnemen. “Via mijn armen ga je omhoog.” Ja, toen was er geen houden meer aan natuurlijk.

“Je bent afgeleid.”

Vaker en vaker kreunt en zucht mijn behandelaarster. Sinds de bevalling van mijn vrouw, toen ik zelf hakkehakkepufpuf mee moest helpen, heb ik het niet meer zo gehoord.

De Oosterse sfeer, de wierookgeur, het zuchten, na een half uur begin ik er genoeg van te krijgen. Waarom slaat ze mijn hoofd over? Als er ergens sprake is van onbalans! Hete olie op het lijf, hier een ruk, daar een duw, ach, zeer doet het niet. Hoe anders was dat die keer toen ik mij in Chiang Mai nietsvermoedend overgaf aan een traditionele Thaise massage. Gevierendeeld kwam ik van die tafel. Nu ben ik nog steeds een man uit één stuk. De klankschaal waarmee tot slot om de tafel wordt gelopen, het kopje heet water met citroen, te voorspelbaar alles om serieus te nemen.

Geen nabespreking, dus vraag ik zelf maar wat ze aantrof onder haar handen. “Je zou iets meer vanuit de heupen kunnen leven.” Dat beklijft nu ineens weer wél. “Er kan vermoeidheid loskomen.” Dat ik nu juist kwam om die kwijt te raken, slik ik in. Opnieuw constateer ik dat mevrouw er zelf niet evenwichtig uitziet. Ze zal toch niet met dat invoelen al mijn zonden op zich genomen hebben?

Buiten check ik mijn gang naar de auto. Voel ik me meer in balans? Is de tred lichter. Niets van dat alles. Het enige dat lichter aanvoelt, is de beurs. Flauw.

Pas een week later, om de effecten niet te verwarren, ga ik drijven. De entourage staat me aan. Rustig, geen opsmuk. Ik heb tijd over, dus ik kan het foldertje nog eens doornemen. ‘Zout water, drijven, ontspannen, hartslag omlaag, gevoel van gewichtloosheid, ademhaling kalmer, productie van het stresshormoon omlaag, na afloop herboren.’

Laat ik het direct maar zeggen: ik heb er geen talent voor. Ligt aan mij. Ik heb echt mijn best gedaan. Licht uit in mijn zoutwaterei, muziek ook. Warm dobberen. Je bent terug in de moederbuik, man! Geef je over! Los laten! Maar al wat mijn schouders doen, niet ontspannen. Kramp in de nek. Nog verder achterover met dat denkhoofd! Jezus, water in mijn oren. Mag ik er al uit? Nee, liggen blijven. Nu zul je het weten ook. Een eeuwigheid later klinkt de bevrijdende, vriendelijke mededeling dat mijn tijd erop zit.

Het is nu twee dagen verder maar nog steeds sla ik me voor de kop, dat water moet eruit. Twee vergeefse pogingen gewaagd om lichter van hoofd en hart te worden. Je zou ervan aan de drank of de pillen raken. Ik dwing mezelf het boek erbij te pakken om te bezien wat ik nog een kans wil geven.

‘Voetreflexologie en tenen lezen’? Doorgezakte voeten, zwaarmoedig, weet ik wel. ‘Telepathie met dieren’? Heb ik al. Honden ruiken de angst, maar Koossie poes, die nooit één keer op schoot zat, likte de tranen van mijn gezicht toen mijn hart brak.

‘Contact met overleden dierbaren’? Wie je echt dierbaar is laat je rusten. ‘Helderziende waarneming’? Neem nu al helder waar dat ik het daar niet van moet hebben. Nee, van alle resterende therapieën, van Cupping tot Tarot, van Astrologie tot Tantra, is er maar eentje waaraan ik me nog over wil geven, die van de meditatie. Vreemd dat die Oosterse vorm van bidden hierbij staat.

Zelfgebreide truien, onopgemaakte vrouwsgezichten, kruidenthee, kaakjes, de meeste mannen brildragend. Niemand oogt gelukkig. Onbarmhartig moet het waarnemen blijven.

De meditatiemeester geeft geduldig goede instructies. Ik sluit me daarna bij de groep aan. Zitten, op de ademhaling letten en telkens als je aan iets gaat denken ‘denken’ denken en terug naar de ademhaling gaan. De concentratie moet gericht zijn op een punt niet te ver voor me. De kale kruin van een man, maar daar mag ik niks bij denken. Nog meegenomen dat het geen mooi meisje is.

Na een tijdje, het zitten gaat me goed af, slaat de voorganger, laat ik haar zo noemen, op een stuk hout en wordt er rond gelopen. Niet te hard, schuifelend, met de aandacht gericht op de voeten, de handen gevouwen voor de buik.

Zeg niet dat ik er niets voor over heb om u als deskundige tegemoet te kunnen treden.

Tussen het volgen van de ademtochten door heb ik stiekem tijd genoeg om de ruimte aan een inspectie te onderwerpen. Voorin een altaar met een beeltenis van Boeddha. Aan weerszijden nog twee portretten. Eén van de stichter van deze stroming, de ander van zijn zoon.

Ik heb niks met beeltenissen. Ook niet met die van ‘de Ontwaakte.’

Iedereen ontwaakt dag na dag in een wereld waarin teveel fout gaat, alle mediteren ten spijt.

Er komt een vrouw binnen. Weldenkend, los rond lopend. Ze buigt naar het altaartje.

Aan het slot van de twee uur durende sessie worden in een monotoon, bezwerend ritme bloederige teksten gereciteerd.

Vijf minuten na afloop is iedereen weg.

Des avonds, met een goed glas wijn bij de hand, maak ik de balans op. ‘Oprechte intenties, waarom die rimram,’ op die notitie kom ik uit. Er zijn veel stromingen binnen het boeddhisme en even zovele manieren van mediteren. De meeste hebben er een heel verhaal bij. Maar achtvoudige paden, de dood van het zelf, zijn wie je bent, het is mijn kop thee niet. En ook al dat geknutsel aan en gespeel met het bewustzijn niet. Zal wel zijn dat de vrede alleen in jezelf te vinden is, maar leg dat die man eens uit die als jongetje zag hoe zijn vader en moeder met ongebluste kalk werden overgoten. Buigen voor een beeltenis duidt op volgzaamheid, teveel, teveel hebben we daarvan gezien. We krijgen het daar nog over. Niets heel laten.

Lang haar, fijn gezicht, zachte ogen. Mijn therapeute stelt goede vragen. In het kader gebeurt dat van de intake voor een eventuele psychotherapeutische behandeling. Verder kon ik niet gaan.

“Ik ben een beetje rare patiënt. Patiënt zou ik mezelf niet eens willen noemen. Oh, onder de afdeklaag stinkt het, welzeker. Niet aankomen. Nee, ik ben hier om redenen buiten mijzelf en toch ook niet. Ik bedoel te zeggen dat je ontegenzeggelijk kunt zeggen dat het buiten guur is, u begrijpt me wel. Iemand zei eens: wie goed kijkt, moedig de ogen open houdt, behoort depressief te zijn. Nou ja, misschien kunt u mij dat een beetje leren, met de ogen toe leven. Zie, de een fietst in de regen, waar de ander komt tot luchtfietserij. Valt dat te leren, wat denkt u?”

Het kennismakingsgesprek behelst een aantal standaardvragen. Die vinkt mijn therapeute nauwkeurig af. Even bezien of in deze op het oog normale man toch niet een potentiële schutter schuil gaat. Doet ze integer, kalm. Mijn jeugd? Wimpel ik af. “Houdt u mij en mij alleen voor wat ik zeg en doe. Ik koester van vroeger het goede. Alles wat ik fout doe, is voor eigen rekening, mag dat?”

Zij taxeert, luistert, stelt vragen die ertoe doen. “Als zoals u zegt in elke man een wolf schuil gaat, omschrijft u dan de wolf in uzelf eens.” “Afgedekt.” “Nooit beschadigd?” “Precies voldoende.” “Wat wilt u het liefst?” “Weer een vrolijk ventje worden. Maar ja, dan moet ik toch echt eerst de wereld naar mijn hand zetten.”

“Kent u de Dalai Lama?” “Waarom vraagt u dat?” “Gewoon.” “Niet gewoon, bijzonder.” “De Kunst van het Geluk gelezen?” Ik sta op het punt alles op te biechten. “Daarom zit ik hier.”

Met nog steeds lichtelijk verhoogde hartslag keer ik terug op de uitvalsbasis. Mocht het ooit toch gaan doorsijpelen, lekken, dan weet ik waar ik moet zijn. Scepsis moet je ook af kunnen leggen. Het hart maakt een huppeltje.

Direct ook even op Internet checken waarover zij nog meer repte. The Secret, een film. Te downloaden. Filosofische digitale video. Leidt naar de eerste wet waaruit alle andere wetten zouden volgen: the Law of Attraction. ‘Deze wet is gebaseerd op het principe van de dualiteit, een van de eerste scheppingsprincipes. Kort gezegd komt het erop neer dat je alles krijgt waarop je bent ingesteld qua gedachten, gevoelens en intenties. Als je maar écht wilt, ligt alles binnen bereik: geluk, geld, gezondheid, carrière. Goed en kwaad kent de natuur niet, dus deze wet evenmin. Is het je diepste doel een genocide aan te richten? Doen! Als je het echt wilt, lukt het.’

Ik lees de zeven A4-tjes waarin The Secret wordt beschreven met stijgende verbazing. En eindig teleurgesteld. Waarom altijd, altijd, altijd die overgave aan iets? Je gaat met een meisje waarop je verliefd bent naar een film. Jij zit aan het eind te snotteren, zij zegt: ‘Saai, hé.’ Zo voelt dit. Stuur mijn zielheler daarom een email: ‘Goed gesprek, die kunst van het geluk ga ik me eigen maken. The Secret vind ik ‘angsthandel.’

Gebeurt wat je aantrekt? Trok Obeid de mannen aan die zijn zoons voor zijn ogen aan flarden schoten? Wil Maria Magdalena in haar diepste zelf graag nagenoeg naakt te koop voor een raam staan? Trokken zes miljoen Joden die gaskamers aan?

Nu ik toch bezig ben. Ik heb in de map ‘nog lezen’ een stencil van liefst vierenveertig bladzijden liggen. ‘Het Open Geheim’, ook alweer geheim.

Na drie bladzijden besluit ik het woord ‘ik’ te turven. Ruim voor het einde de tel kwijt. Zoveel ‘ik’. Kan ‘ik’ beter zelf schrijven.

‘Want ik ben reeds datgene wat ik zoek. Wat ik ook zoek…, al mijn wensen zijn slechts een afspiegeling van mijn verlangen om thuis te komen. En thuis is mijn oorspronkelijke natuur. Ik hoef nergens anders naartoe en ik hoef niets anders te worden.’

Mag je verlangen ook zijn dat het de ander goed gaat? Als ik ‘thuis’ zit, kijk ik ook naar buiten en zie teveel dat niet door de beugel kan. Een geheim is dat niet. Hoe koud en eenzaam moet het niet zijn om in je eentje te leven in een ‘thuis’ waarvan de luiken toe zijn.

Tijd om weer wat te slobberen. Wat een geploeter. Zoekende zijn we. En met lege handen zullen we aankomen. In het werk, de fles, de spuit, de therapie, het geheim, of onszelf verliezen we ons. We leven in het systeem van ‘de tijd doden’. De boel is uiteengeslagen. Geld is het cement van ons samenleven. ‘Zitten’ is in. Op je geld ‘zitten’ heeft een nieuwe betekenis. Hij zit tot zichzelf te komen. Zij zit een deur verder te hopen dat er eens iemand langs komt. En u? Geeft u onderhand ook toe dat het allemaal om te janken is?

“Zitten en schrijven verschillen niet.”

“Oordeel nooit te vroeg.”

“Wie oordeelt voortdurend?”

“Alle heilige huisjes moeten ontheiligd.”

“Wat vermogen woorden?”

“Waarom zou alleen een Heilig Boek invloed kunnen hebben?”

“Het ene woord tegen het andere.”

7

Centrum van onmacht

  1. Zweers, 20

A.H. van der Poll, 21

De graven van de ruim 400 mannen, jongens vaak nog, die sneuvelden op de Grebbeberg in een vijf dagen durende poging om de Duitse overmacht in mei 1940 te weerstaan.

Militair Ereveld Grebbeberg.

‘Vijf dagen – en de vrijheid

ging verloren

Vijf jaren – en eerst toen

werd zij herboren

Zo moeizaam triomfeert

gerechtigheid

Aan dit besef zij deze

Grond gewijd

J.C. Bloem

Een groepsgraf van het 10e regiment.

Een plek ter nagedachtenis van de gevallenen, waarvan geen graflocatie aanwijsbaar is.

Eerst lagen onze soldaten broederlijk naast de gesneuvelde Duitsers begraven. Later zijn die elders herbegraven. Schuldig tot in de dood.

Ik loop op het lommerrijke kerkhof tussen de rijen graven en ben er, als altijd op een oorlogskerkhof, stil van. Al die stenen, die namen, dat waren mensen die nog een leven voor zich hadden. Welke andere soort bevecht zichzelf zo onverbiddelijk?

Hoe kort geleden is alles nog maar gebeurd. En morgen kan de geschiedenis zich herhalen. ‘History will teach us nothing.’ Altijd is er een goede zaak. Altijd de bereidheid daarvoor te sterven.

Ga eens naar de Grebbeberg, betreed het informatiecentrum, kijk naar dat filmpje over het slachtveld, de lichtflitsen, het gebulder der kanonnen, stel je voor dat je daar lag en naast je werd je maatje, je vriend, de jongen met wie je opgroeide, speelde, ging vissen, kapot geschoten, hoezeer zou u God en de hele wereld vervloekt hebben? Op de korrel heeft u een andere jongen als uzelf, die daar ligt voor zíjn goede zaak. De trekker overhalen?

Nu weten we nog dat de zaak van Duitsland geen goede was. Maar wie vermoordde wie om welke reden in de loopgraven van WO-I?

Als alle oorlogen van de gehele geschiedenis der mensheid niet waren gevoerd, hoe anders zou het er nu uitzien? Is er gevochten door alle eeuwen heen om in 2008 miljoenen antidepressivarecepten voor te schrijven?

Waarom zijn die mannen, want het zijn altijd de manapen die de strijd aanbinden, niet ooit ergens tot het besef gekomen dat elkaar martelen en doden geen pas geeft. Dat er nooit een doel is dat moord rechtvaardigt.

Dat besef is er wel, maar de drang tot vechten ook. Mannen eigen. Jongetjes rennen zwaaiend met een pistool, vurend met de mond, door de straten en lanen. Of anders spelen ze wel rovertje. Eenmaal ouder kan er legaal geschoten worden in computergames, de vervanger, zeg maar, van de schiettent op de kermis.

Het potentieel strijders is groot. Gaan knokken houdt iets avontuurlijks in, tot de pijn je wakker schudt, te laat, je crepeert.

Ik was in Cuba. Fidel en Che vochten zich naar de macht. Om uiteindelijk dissidenten zonder proces langdurig op te sluiten. Overal, altijd en in welk staatsbestel dan ook, er werd en wordt gevochten. Zolang er mannen zijn is er oorlog. Zit het zo?

Je zou daar iets aan willen doen. Ik liep daar en u zult ook wel eens een militair ereveld bezocht hebben. In Normandië misschien, waar de immens grote dodenakkers met Britse, Amerikaanse en Canadese jongens je de lucht benemen. Dacht u niet net als ik: wat te doen, wat te bedenken, wat te schrijven om hieraan een eind te maken?

Ik loop nog eens rond en zie een groep soldaten bij het monument. Hand aan pet, eerbetoon, lang, heel lang. Moedeloos toekijken. Het zal nooit ophouden. Wat gaat er in die hoofden om? Te goedkoop om daar cynisch over te doen. Geen ronkende zinnetjes. En al helemaal niet leuk willen zijn. Morgen kunnen we deze strijders nodig hebben.

Nee, niet nodig? Nooit vechten? Altijd de andere wang toekeren? Iemand valt aan en doodt jouw geliefde, je vrouw, je kind. En dan? Het is hij of jij? En dan?

In New York sprak ik in de bar van het Grand Hyatt eens een Vietnam-veteraan. Nou ja, spreken, flarden zinnen kwamen eruit, op momenten dat het hem beliefde. Ik vroeg nergens om. ‘Of ik wel eens een jongen van 16 doorzeefd had’, was zijn eerste vraag. Voordat ik antwoord kon geven, begon hij over de Yankees, honkbal. Zijn gezicht was het ene moment een grimas van pijn, direct daarna bulderde hij van het lachen. Kapot, over, zijn lijf gered, zijn ziel, zijn geest, zijn persoon voorgoed verminkt.

We moeten verder, altijd verder, zeg dat wel.

De rest van de dag voelt iedere ademhaling als een zucht. Er zijn geen antwoorden op de meest elementaire vragen.

Deze tocht vandaag zie ik als het slot van wat te berde gebracht moest worden over hoe wij het doen in onze zwaar bevochten vrijheid. Belabberd. Genoeg geduid. Komt nog eens het failliet van de man overheen in de vorm van oorlog. Die is van alle systemen. En alle systemen zijn mislukt. En dat elkaar overhoop schieten, elkaar systematisch uitmoorden vormt het nekschot.

Ik heb geen zin meer in de avond die nog komt. Voor morgen heb ik twee ‘bezigheden’ gepland, dan is de cirkel vierkant. Eerst naar Den Haag, naar het centrum van de onmacht en in de avond een college filosofie volgen over ‘logica’. Iemand moet toch iets kunnen bedenken.

En toch daagt het weer. Zoon en dochter komen een zoen brengen voor ze welgemoed de deur uit gaan. Balsem. De liefde voor een kind. Nee, nu niet direct weer denken aan sombere scenario’s. Vooruit, doe iets. Werk aan de wereld aan de winkel!

In de trein lees ik de krant. De burgemeester van Amsterdam vindt dat zijn linkse partijgenoten in het geloof een morele herijking kunnen vinden. Een minister stelt dat de sjaria ingevoerd moet kunnen worden als de meerderheid dat wil.

Voor het CS staand lonkt in de verte op het Malieveld de kermis. Daarover op een donkere avond in de regen te mogen zwerven, hand in hand met moeder, de voeten in de modder, maar de ogen gericht op de fonkelende lichtjes en twijfelend voor het spookhuis. Maar het is dag nu en warm en moeder is er niet meer en ik ben op weg naar een ander spookhuis, dat van de macht, dat twee Kamers telt.

De Eerste doet wegdommelen. Alles is van vroeger, inclusief de sprekers. Hun timbre sonoor, de modulatie rustgevend. Uit alles klinkt beheersing, respect, beschaving. De senatoren kennen het spel van het woord. Het is het soort dat geslaagd is in het leven. Vroeger waren het de jongens die je niet kon velen. Uit een goed nest kwamen ze, dat waren ze zich bewust, ze speelden hockey en de baas kon je ze, jandorie, als ventje van de Wielmakerssteeg niet.

Aan de overkant vergadert de Tweede Kamer, althans een man en vrouw of zes, verder zijn de 144 stoelen leeg. Binnen enkele minuten is mij onduidelijk wie wat wil en wie waarom welk amendement indient. Loom kabbelt de discussie voort. Schorsen maar.

Zou er iemand zijn die af en toe eens in een felle, gepassioneerde toespraak de vloer aanveegt met alle toneel dat opgevoerd wordt, waarin gebekvecht wordt over minimale bijsturingen van een systeem dat als geheel ontspoord is?

Zou er al eens iemand als conclusie van een visionair betoog hebben voorgesteld om het parlement te ontbinden, omdat hij een andere, nieuwe staatsvorm bedacht heeft?

En het gaat juist zo goed, zegt u? Het voorgaande niet gelezen? Vooruit, nog één keer de zaken op een rij: we streven de verkeerde dingen na, worden er niet gelukkig van en mollen elkaar, de aarde en de dieren. Honderdduizenden depressief, honderdduizenden in meerdere of mindere mate verslaafd aan het een of het ander. Een snel stijgend aantal chronisch vermoeiden. Oorlog, altijd ergens oorlog. Terrorisme als tikkende tijdbom. Nog steeds een sluimerende wereldoorlog III. Genoeg?

Zouden deze volksvertegenwoordigers van dit alles op de hoogte zijn? Ja? Waarom is die Kamer dan leeg?

Waarom is er geen Ministerie van Geluk, geen Ministerie van Liefde, geen Ministerie van Nooit meer Oorlog? Waarom gaat het in dit huis nooit langdurig over de visie op de mens, over welk systeem hem het best zou dienen.? Waarom wordt niet eerlijk toegegeven dat onze hebzuchtcultuur ziek is? Waarom wordt niet besproken dat democratie gaat over vandaag, terwijl de problemen rond het milieu en de natuur vragen om een lange termijn aanpak? Waarom hebben we geen idee hoe het dan wél moet, als ‘het minst slechte systeem’ te slecht blijkt?

Verwacht van mij de antwoorden niet. Als volksjongen kijken en vragen stellen is al heel wat. Maar op zijn minst zou ‘de macht’ het niet dag na dag over pietluttigheden moeten hebben. Je kijkt om je heen, je neemt het systeem de pols en dan kom je hier. Sluiten die toko, of het ergens over gaan krijgen.

Als ik nu eens een burgerinitiatief indien. Alle kamerleden worden verplicht de komende drie jaar te debatteren over de geluksbarometer van dit land en hoe dat nou moet, met onze kinderen en kindskinderen op deze aarde.

Antwoorden? Wie het weet, mag het zeggen. Het blijft stil. De smaken zijn op. Ik kijk in die vergaderzaal en zie mannen en vrouwen, voor zover aanwezig, van goede wil. De Oplossing hebben zij ook niet. Niet erg. Maar open de discussie. Heb het ergens over. Het is luttele seconden voor twaalf.

“Meneer, wilt u gaan. We gaan sluiten.” “Voorgoed?”

In de avond vervoeg ik me in een klein zaaltje om een college filosofie bij te wonen over logica. Ik verwacht dat de heren filosofen zich logischerwijs in de stand van zaken aangaande ons, de mensen, gaan verdiepen. Waarover moet je het anders hebben? Ik bedoel, als er brand is in het gebouw en je zit opgesloten ga je logisch nadenken over een manier om toch nog te ontsnappen, niet over de voor- en nadelen van vloerverwarming.

Onder professoren voel je je als joch uit een steeg al snel nietig. Het blijkt te gaan over de ‘Nee’-nee’ Paradox. Socrates zegt: ‘Wat Plato zegt klopt niet.’ Plato: ‘Wat Socrates zegt klopt niet.’ En daar heeft ene Bradwardine belangrijke dingen over gezegd. Uit het betoog: ‘Sig(s, False(s), that is, suppose some proposition, s, says of itself that it is false, and suppose that it is false. By (D2) it follows that something s says fails to obtain:

False(s) Þ (Q® Ø False (s)).

En zo voort. En zo voort. De snelheid waarmee gedacht wordt, het niveau van abstractie dat wordt bereikt, ik raak er diep van onder de indruk. Wat een heldere koppen. En er zijn ook nog toehoorders die na de rede met rede wat vragen. Daar komt het, of ik ook nog wat in te brengen heb. “Wat nou als ik zeg dat Plato en Socrates er allebei naast zaten, zet dat niet een vraagteken achter de gehele formule? Verder is de relatie met het weinig efficiënte verteringsmechanisme van de panda formuletechnisch twijfelachtig. En ‘als fout, want D’ zie ik in dat specifieke geval geen relatie meer met de brandpreventie en het al dan niet uitrusten van de spuitwagens met nieuwe sirenes, zodat mijn slotvraag abstracto quo moet luiden: “Op wiens kosten wordt hier met taal gespeeld?”

Eens verdiende ik een grijpstuiver in het magazijn van de universiteitsbibliotheek, afdeling filosofie. Wat een boeken. Het maakte neerslachtig. Al die wijsheid, hoe kun je dat in één mensenleven tot je nemen? Ik vond een simpele remedie: alles lezen hoeft niet, want al die grote denkers zijn er blijkbaar ook niet uit gekomen. Tweeduizend jaar na de klassieken tierde de genocide welig.

Ongeveer in die stemming verliet ik het college.

Eenmaal op mijn hok pak ik mijn boekje erbij:

‘de mens denkt

goed kan hij dat niet

hij komt er niet uit

het leger denkers is machteloos

wapens winnen van woorden

tegen elk boek een veelvoud slachtoffers

altijd zullen de legers marcheren

over de hoofden der denkers

de stroom buldert wreed voort

spoelt dammetjes van denkend onvermogen weg

van Plato tot Nietzsche

van Confucius tot Foucault

kantlijnnarcisme

miljoenen boeken zijn geschreven

een hemeltergende stapel

als die aangestoken zou mogen worden

met deze loze bladzijden

dat de rook de namen vormt van alle gesneuvelden, vermoorden

gemartelden, armoedzaaiers en dolenden

dat de hemel vol staat

dan wordt niet meer gedacht

noch geschreven

maar niemand verlost ons ooit van de kwaden’

Toch moet dat. Zitten, lurken aan een sigaar. Het moet. Waarom gaan die gisse gasten waarnaar ik vanavond luisterde niet aan de slag? Het speelkwartier zit erop.

Maar ja, maar ja, maar ja. Alles is gezegd en geschreven, geholpen heeft het niet.

Voor me liggen in de ‘leesmap’ nog wat filosofieartikeltjes. Je leest ze altijd toch weer. In de hoop op. In elk boek op zoek naar die ene verlossende zin, dorstig naar waarheid, in het volle besef dat die er blijkbaar niet is. Anders hadden we hem al lang gevonden en ter nutte aangewend, ja toch.

Over Kant: ‘Die ging niet aan het timmeren, maar stortte zich op het onderzoek van het gereedschap.’ Eerste zin: ‘Filosofie begon als een werkplaats waar werelddenkbeelden worden gemaakt.’ Waarom verleden tijd, begon? Het is een dodelijk constatering. Filosofie kan en mag nergens anders over gaan. Een spuitgast moet, staand voor het vuur, ook niet gaan denken over het wezen van de brandslang.

Over Mandeville: ‘Ondeugd kan tot weldaden leiden.’ Bernard Mandeville, een in Nederland geboren filosoof, had een somber mensbeeld. ‘Maar, al hebben de mensen veel slechte eigenschappen, zolang de wisselwerking daarvan binnen de grenzen van de wet plaatsheeft, is het resultaat op macroniveau gunstig.’ Twintig broden voor twintig man, de tien sterke kloppen de tien zwakke, gunstig voor het geheel, iedere winnaar twee broden in plaats van één, zoiets?

Ik leg de knipsels maar terug in de map ‘nog lezen’. Bij welke manier van leven gedijt de mens? Het is de hoogste tijd dat daarop een nieuw antwoord komt. Maar in de hoek van de denkers blijft het al lang benauwend stil. Geen tijd zeker, bezig het gereedschap te onderzoeken.

Ware de werkelijkheid soms niet zo bar en boos, je moest haar maar laten voor wat zij is: niet te vatten, laat staan te sturen. En toch.

Het mag als slotsom van alle voorwaarden niet onvermijdelijk gaan zoals het gaat. Schrijven als burgerinitiatief, als poging het tij te keren. Is het werken aan het verenigen van vuur en water?

Nog een glas, toch nog maar. Roken is niet goed. Drinken ook niet. Maar zo aan het eind van de dag moeten de scherpe kanten eraf.

Boven ligt mijn liefde. Alles floreert. Maar hoe graag zou je ook voor Obeid alles ongedaan willen maken. Waarom doemt zo vaak die naam op van dat meisje op de muur van synagoge in Kampen: Anneke Goudsmit, 8 jaar, weggevoerd. Gisteren was ik op de Grebbeberg. Vanuit de Kamer komt de oplossing niet. Van nergens. We denderen voort. Misschien maar goed, dat de aarde straks ‘ho’ zegt. Een virus om ons als plaag weg te nemen? Of voor die tijd toch nog een ander virus, dat van de liefde?

Ik hoop op zijn komst.

“Dag, dolende man.”

“Ik leef in een doolhof zonder uitgang.”

“Je onderzoekt het gereedschap.”

“Om uit te komen bij.”

“Goed dat je over de liefde begon.”

“Blijf je me volgen? Beloof je dat?

Deel III

OP HOOP VAN ZEGEN

1

In Gods naam

Getoeter alom. Botswagentjes krioelen door elkaar heen, wurmen zich kruip-door-sluip-door naar voren. Mijn chauffeur foetert voortdurend. Het is een prettig koele januaridag, fijn zonnetje, maar op de stoep zijn de mannen, zwaar ingepakt, ijsmuts op, berekend op poolweer. Rome.

We passeren St.Peters Motors, gezegend vervoer, ha, we zijn er bijna. Eindelijk. Vaticaanstad hebben we met een bocht van 360 graden benaderd, dat joeg de meter flink op. Rome.

Halverwege het gesprek was ze afgehaakt. ‘Ik vond jouw vraag niet zo intelligent.’ Die betrof het nut van haar academisch onderzoek. Gisteren aangekomen in het instituut, tijdje geluisterd naar de wetenschappelijke gedachte-uitwisseling over wat ooit in de tijd van Mussolini speelde en toen maar de nutvraag gesteld. Respect? Heb ik. Doe het, speel. Van de schoonheid en de troost? Vertel mij wat. Maar haal de pretentie eraf. De een geniet van klaverjassen, de ander van een mooie zin, de volgende van een archeologische vondst. Prima, maar draagt dat intelligente gewroet in vroeger bij aan één oorlogsdode minder?

Zeker, een domme, brutale, alles zinloos makende vraag stelde ik. Niets draagt iets bij. Maar kon zij weten dat er niet te rusten valt, dat er geschreven moet worden tot alles tot zijn naakte, nutteloze staat is teruggebracht? Uit naam van de tralieman, uit naam van Obeid, uit naam van Anneke, uit naam van mezelf, omdat ik alle ivoren torens, alle pretentieuze prietpraat zat ben.

‘Waarom schrijf je als niets zin heeft?’ Het was de eerste vraag die een tot dan stille toehoorder stelde. ‘IJdelheid. Woede. Uit liefde voor de regelneef, ken je die? En voor dat mooie ‘en toch’. Ik ben een beetje dom. Mijn honger naar die ene millimeter verandering is groot. Op de hoek van de straat sta ik en ik verkoop feestwijzers van het feest dat al geweest is. Wat nog weer superieur is aan wijs zwijgen. Ik schreeuw om een blanco herstart. Dat zie jij toch ook wel, dat we het niet meer weten?’ ‘Kun je niet beter wat doen?’ ‘Schrijven is mijn doen.’ ‘En laten?’

Het ovale plein voor de Sint-Pietersbasiliek is nagenoeg leeg, oogt nóg groter zo. De rijen pilaren aan weerszijden zijn de armen Gods die liefdevol ontvangen. Ik probeer om de historische kracht van de plek te voelen. Hier stonden al zo vaak tienduizenden gelovigen in devote afwachting van. Van de dood hunner geliefde paus, bijvoorbeeld. Van de witte rook dat zijn opvolger is aangesteld. Van het verschijnen van God, wiens plaatsvervanger op aarde hij toch is, op het balkon. Van zijn zegen.

Midden op het plein staat, het is bijna februari, nog steeds een meer dan levensgrote stal. De herberg waar geen plaats was voor Jozef en Maria is ernaast gebouwd. Rechts een waterput en een vuur. Water als symbool voor het leven, het vuur voor het licht en de kracht van God. Toeristen zetten elkaar op de kiek met op de achtergrond kindje Jezus. Een enkeling slaat een kruis als hij verder loopt. Vroeger had V&D in mijn stad vanaf half november een sinterklaasetalage. Uren kon ik met mijn kinderneusje tegen het raam staan. Daaraan moet ik denken.

Hardlopers passeren. Mag dat op dit heilige plein? Enfin, ook voor het lichamelijke heil moet gezorgd worden.

Voor me maakt een stel ruzie. Zij vindt het belachelijk dat de vrouw in de kerk niet meetelt. Hij zegt dat God dat nu eenmaal zo gewild heeft. Ik besluit de Sint-Pieter te betreden. Dat gebeurt via een slingerpad door houten hekken. Hekken zoals je die vroeger had op de veemarkt, maar wordt ook niet gesproken over Gods kudde? Op elke symboliek moet je voorbereid zijn.

Petrus en Paulus flankeren de trap naar de ingang. De poortwachter van de hemel, de rots waarop de kerk gebouwd werd, draagt sleutels, vooruit, maar wat moet Paulus met dat zwaard? Ging het niet om de ene en de andere wang? Nou ja, hij blijkt Jezus dan ook nooit ontmoet te hebben.

Ik sta stil bij de deur. Groot, uitnodigend open. Zal ik in dezelfde ongelovige staat de basiliek weer verlaten? Nooit heb ik zelfs maar het kleinste deurtje naar God gevonden.

In de eerste kapel van de rechterzijbeuk ontwaar ik de Pietà, Maria met haar dode zoon in de armen. Michelangelo was pas 25 toen hij dit kunstwerk schiep. Schoonheid, troost. Het gezicht van de Heilige Maagd oogt jong. Een Amerikaanse gids naast me legt uit dat de kunstenaar hiermee aan wilde geven dat het verstrijken van de tijd aan Maria voorbij ging. Daarna volgt nog een ander verhaal dat hij besluit met: ‘We don’t know if this story is true.’ Precies.

Mezelf gidsend door de kerk word ik almaar kleiner. Die hoogtes, dat overweldigende van alle pracht en praal. Overal goud en marmer dat blinkt.

Elke kapel zijn oogverblindende altaar. Nissen met balkons, waarin relikwieën, de Heilige Stoel, bijbelfragmenten gevangen in verf dan wel een mozaïek, kolossale bronzen figuren van kerkvaders, het baldakijn van Bernini, jubelende engelen, met wijnranken omkranste zuilen, het bronzen Petrusbeeld, grafmonumenten van kerkvaders en dan de koepel, hemelhoog.

Al met al is het de vraag of ‘de minsten der mijnen’, gewend aan weinig, zich er thuis voelen.

Overdaad heet te schaden, maar dat neemt niet weg dat de Sint Pieter qua monumentale schoonheid troostrijk kan zijn. Een stukje hemel op aarde kun je wel zeggen. Maar waartoe dient al deze pracht? Wordt Jezus, de man die sprak dat de laatsten de eersten zullen zijn, er eer mee bewezen? Of is het hoogste doel het letterlijk en figuurlijk klein houden van de gewone man en vrouw?

Een elektrisch karretje rijdt me bijna van de sokken. Juist op het moment dat ik noteer dat de praalzieke kerk ook vol staat met offerblokken. Begrijpelijk, want in de kleinste onafhankelijke staat ter wereld, het Vaticaan, wonen zo’n 900 mensen en die kunnen niet leven op brood en wijn alleen.

Tijd om te zitten. Dat doe ik in de bidkapel. Nogal wat nonnen die er op de knieën gaan zijn niet blank. Detail. Voorin, zo dicht mogelijk bij het altaar, bij het tabernakel, bij het heiligste der heiligen, bij de plek waar God huist tussen de missen in, zeg maar, bidt een non in een lichtblauwe burka. Naast me op de achterste rij een zuster van dezelfde orde, die zal minder in rang zijn, dan moet je altijd verder weg zitten. Voorin de notabelen, achterin het klootjesvolk, staand, als was hun aanwezigheid in Gods huis eigenlijk ongepast.

Nonnen, vroeger, kleuterschool, lagere school. ‘Zuster, ik moet plassen.’ Nooit luisterde zuster Miriam, altijd negeerde ze de een of twee vingers omhoog. En als ze wist dat je moest je dan als langste achter in de rij zetten, totdat de broek vol zat en de plas langs je benen liep. Er waren dagen dat ze niet sprak, alleen maar op het bord schreef. Dan was zuster boos.

‘Wat zing jij daar?’ ‘Een liedje zuster.’ ‘Welk liedje?’ ‘Durf ik niet te zingen, zuster.’ ‘Zing!’ ‘In de Sahara onder de kamelen zat Ali Baba met zijn piemeltje te spelen.’ Zing door, zing door.’ ‘Meer weet ik niet, zuster.’ ‘Verdoemd ben je. Ik zal je leren.’ Waarna ze je in een donker kolenhok gooide onder het uitroepen van ‘en er zitten ratten ook.’

Misschien was zuster soms boos, omdat de rector in het klooster een ander oogappeltje had uitverkoren om God in hem te dienen. De baas van de nonnen had een belletje boven zijn tafel hangen, één druk, en hup, een van de zusters kwam vragen hoe zij hem kon gerieven.

In de bijbehorende kapel diende ik de doorvoede rector als hij de mis las. Een slecht vak was dat niet, misdienaar. Na de nachtmis kreeg je thee met kaki’s. En soms kon er een aai vanaf. Er was zelfs een jong, leuk zustertje dat erop stond om op zondagavond uit het lof gearmd terug te lopen naar het klooster.

Wél was het oneerlijk dat je als mannetje alle Latijnse teksten uit het hoofd moest leren, terwijl je pal voor je hoorde dat de rector toch echt alleen de eerste woorden hardop uitsprak, daarna wat murmelde om af te sluiten met ‘amen’. Dat vlak achter hem geknield zitten was trouwens geen lolletje, want tijdens het nonnengezang hoorde je de vetste scheten verkondigd worden onder zijn kazuifel.

Toen we ouder werden nam de opstandigheid al wel toe. Bij een mis met drie Heren hoorden vier misdienaars en dan was het de knijp om gevieren tegelijk wat knikkers vanonder het pijtje los te laten, die dan over de houten vloer van de kapel rolden met de zusters er achteraan. En deed je de vroegmis dan was de honger de rechtvaardiging voor handenvol hosties als eerste ochtendmaal.

Opgevoed in geloof, ach ja. In de vroege winterochtend bij de melkboer aan de overkant de restanten zilveren doppen van de flessen pulken en die inleveren voor de arme zwarten. Hoe kouder de vingers, hoe groter de voldoening. En uiteindelijk als puber voorwenden ter kerke te gaan om over straat te zwerven, liefst langs de bioscoopvitrine als daar foto’s hingen van half ontblote borsten. Zondig, lekker.

Daartussen zaten de jaren dat je luisterde en bad en beter luisterde en niet meer bad en dat met de week de woede toenam over het instituut, over de huichelarij. Waarom verkeerde de boodschap van liefde uit de mond van de eerwaarde in een van haat? Zoveel vragen. En maar in het hoofd van mijn lieve moeder proppen dat haar zoon verloren was. Mama zien huilen om jouw teloorgang. En dan was ik nog niet eens homofiel.

En nu zit ik hier in het grootste clubhuis van de katholieke kerk. Nee, objectief kijken kan ik niet. Als altijd in een kerk groeit langzaam maar onweerstaanbaar de boosheid. Geen groter zonde dan mensen dom houden, dan ze op te zadelen met een eeuwig schuldgevoel. De boodschap van de pure naastenliefde verkwanselen. Rijk zijn als kerk. Je als in deze basiliek te buiten gaan aan een buitensporig uiterlijk vertoon, dat helemaal aan de andere kant van het spectrum zit van wat de man om wie het draait, Jezus, voorstond. En de bijbel in elkaar flansen zoals dat jouw kerkelijke macht het best diende. Zelf vooral niet handelen naar de boodschap. Rijkdom vergaren. Kerkmacht laten samenvallen met wereldlijke macht. Heulen met machthebbers van bedenkelijk allooi. Aanzetten tot haat. Aanzetten tot oorlog. Legers zegenen. Kruistochten houden. Mensen verketteren. Mensen op de brandstapel gooien. De vrouw wegzetten als minderwaardig wezen. De seksualiteit onderdrukken. Maar wél als pastoor langs gaan bij de moeder van twaalf armoedige bloedjes om haar te wijzen op haar plicht een dertiende kind te dragen. Je als priester vergrijpen aan jongetjes. De Joden te lang, met alle gevolgen van dien, wegzetten als de moordenaars van Christus. Als paus in Afrika komen, in landen waar aids voor dood en verderf zorgt en condoomgebruik goddeloos noemen.

Als u gelovig bent opgevoed, bouw deze lijst dan uit tot een klaagzang zonder einde. En oordeel genadeloos. Wie onwetend is, kan geen schuld dragen. Maar het spel doorzien, intelligent genoeg zijn om te weten dat het één groot verworden toneelstuk is, maar het willens en wetens blijven spelen op de grens van leven en dood, op de grens van schuld en onschuld, van wanhoop en geluk, daar bestaat geen vergiffenis voor.

Een muntstuk dat luid valt in een erg lege bus – dit is blijkbaar de plek om te vragen, niet om te geven – wekt me uit mijn verbeten gemijmer. Ik kijk om me heen, aanschouw het oprechte gebed en plotseling vraag ik mij af of God niet te betreuren is omdat hij tot niemand kan bidden. Zijn gebed om verlost te worden van die valse aardse multinational, die in zijn naam zijn boodschap te schande maakt, wordt niet gehoord.

Zelf houd ik het bij een schietgebedje: ‘Heer, ik heb nog één kogel, help me niet te missen, wilt u?’

Tijd om mijn verkenningstocht op vijandig gebied voort te zetten. De kerkdonkerte weer in. Alle rijkdom kan het daglicht niet verdragen, is dat het?

Aan de muur hangt een lijst met alle pausen. In 1958 overleed paus Pius XII. Ik zat aan de radio gekluisterd tot het droeve nieuws met omfloerste stem gebracht werd. Tranen met tuiten. Wat ook weer niet álles zegt, ‘Wij zijn twee eenzame cowboys’ was daar ook al goed voor. Nu snottert vooral het hart, hier lopend, hier kijkend.

De kerk ondeugdzaam, de kerk een naar instituut, de kerk bovenal een machtsfactor, de kerk een bedrijf, de kerk een hiërarchisch ingericht handelshuis in godsbegrip en dogma’s, het zal zeker allemaal zo zijn, want het is mensenwerk. Wordt het geloof op een erg ongelovige wijze uitgebaat? Maar natuurlijk, het is mensenwerk. Het zou allemaal te billijken zijn, gebeurde het niet in Gods naam, leidde het niet tot geestelijke aanranding van de mens die hunkert naar balsem op de ziel.

Ik passeer een biechthokje. Katholiek fenomeen, het sacrament van boete en verzoening. Je hart luchten bij Jezus, al je zonden opbiechten. Zeggen tegen de priester achter dat traliegaas waarom je dit of dat hebt gedaan, wat je erbij voelde en dat het je spijt. Dan bid je als schuldbelijdenis de oefening van berouw. Die ene keer dat ik hem als protest niet bad en ook de penitentie niet, doemt op.

‘Waarom ben je hier, zoon?’ ‘Mijn moeder heeft me gestuurd.’ ‘Waarom naar hier, naar deze voor jou vreemde parochie, is je zonde zo erg.’ ‘Ja, pater.’ ‘Ik luister.’ ‘Ik heb aan mezelf gezeten, pater.’ ‘Hoe heb je aan jezelf gezeten?’ ‘Nou gewoon, u weet wel.’ ‘Nee, dat weet ik niet. Vertel, wat heb je gedaan?’ ‘Nou, ik heb mezelf afgetrokken.’ ‘Hoe heb je dat gedaan? Vertel het precies, alles, anders kan vergiffenis je niet ten deel vallen, zoon.’ ‘Met mijn hand eraan gezeten tot het kwam.’ ‘En waar dacht je aan?’ ‘Aan een meisje in de klas. Ik dacht dat ik haar kuste en dat ik aan haar borsten mocht zitten en dat ik in haar ging.’ ‘De vleselijke zonde is een erge zonde, zoon. Bid ter penitentie de oefening van berouw en tien Onze Vaders.’

Bij wie biecht de paus op dat hij bij het beloeren van de jonge kanunnik geile gedachten kreeg? Zou het bij mij zijn, ik zou het wegwuiven. ‘God heeft ons gemaakt, zoals we zijn, Benedictus. Dank hem voor elk orgasme. Verder nog wat op uw kerfstok?’ ‘Niet dat ik weet.’ ‘Niet dat u weet? Maar u weet het!’ ‘Wat, monseigneur Theodorus, waarop doelt u?’ ‘U kunt de kerk redden. U worstelt dagelijks met de keuze om de enige Waarheid te ontdoen van alle Onwaarheid die de kerk haar heeft doen aankleven door de eeuwen heen. Ga terug naar de bron. Red de boodschap, red de kerk. Zeg komende zondag dat het uw laatste toespraak op het balkon zal zijn, omdat de Sint Pieter als in goud, glans en glitter uitgevoerd toonbeeld van onwaarachtigheid gesloopt zal worden en dat het geld de armste der armste zal toekomen. Zet demonstratief uw mijter af. Haal een armoedzaaier op het balkon, omhels hem. En zeg dat u als penitentie de komende maanden uw tijd zal besteden aan het verzorgen van aidswezen in Afrika.’

Ik sta stil voor ‘het altaar van de leugen’. Welk altaar is dat niet? Ananias, de man, gedood, Sapahira de vrouw op de grond voor Petrus. Wraakzuchtige mannenhanden grijpen naar haar.

Dan ben ik het zat. Bij het verlaten van de kerk zie ik nog net een juf de schoolkinderen verplichten een kruisteken te slaan. Juf ziet er kek uit, strak gekleed, wellustig. Het lijkt me het type dat gelooft onder het motto ‘je weet nooit waar het goed voor is.’ Mag.

Buiten kijk ik nog één keer om. Het balkon zal komende zondag leeg blijven. De Sint-Pietersbasiliek gaat niet gesloopt worden. Die afbraak zou van een mooiere schoonheid en troost zijn dan alle pracht en praal die de kerk nu herbergt en vertegenwoordigt.

Tijd om alvast uit te vinden waar ik morgen de Biblioteca Apostolica Vaticana kan vinden. Plein af, hoek om, straat in. De man die door de paus genood zou kunnen worden ligt daar ineen gezakt, hoofd omlaag, onmogelijk de schaamte van zijn gezicht af te lezen. In zijn hand een plastic beker. En wéér neemt niemand notie en wéér blijft de bedelnap nagenoeg leeg. Achter de muur waar deze mens als oud vuil tegenaan ligt, huizen weldoorvoede geestelijken. Soms hoop je op een hel.

Terug maar lopen. Het blijkt inclusief de verkeerd gewezen wegen een flink eind, zodat eenmaal terug in de villa niet alleen het hoofd moe is. Geen volk, geen gelegenheid tot het stellen van domme vragen. Goed zo, tijd om stoom af te blazen. De op het vliegveld gescoorde wijn moet eraan geloven.

Om een sigaar te roken moet ik mijn jas aan, want het balkon op. Rome raast op afstand, het instituut ligt midden in Villa Borghese, het statige, met museums gedecoreerde stadspark, al schijnt het groen in de avonduren vooral gelardeerd met hoeren, pooiers en homo’s. Nog genoeg te bekeren.

Het puntje van de sigaar gloeit op. Vuur, licht, kracht, God, maar wat resteert is as. Niet nieuw. Lang geleden is mijn God al in rook opgegaan. Van as tot as, is dat alles? Ooit dooft alles uit. Maar nu zit ik hier en overpeins de dag.

De eerste stap heb ik gezet in het ontmaskeren van de vlucht aller vluchten, die in God en gebod en de kerk als verfoeilijk uitvloeisel. Alles moet ontleed, ontheiligd.

Ssst, stil, genoeg voor vandaag. Op de plaats rust. Uit het hoofd treden. Uit de onrust. Uitgewoed voor deze dag.

Heb meer mededogen, het is mensenwerk, jongen. Ja, maar. Nee, niet nog een keer. Vat het eens samen. Dat de schuld ligt in het willens en wetens. En dat mijn keuze is voor horen, zien en niet zwijgen. Oprechter trouw zweer ik aan mijn boosheid waar het de kerk als instituut betreft. Is goed, is goed, sudder nu maar uit.

De nacht is helder. Nu brandt alles nog. Goed bedoelde sterrenpracht. Blauw drijven de rookpluimpjes weg tegen het maanlicht. Mag een mens zo aan het eind van de dag even neigen naar tevredenheid? Toch maar mooi de ballon kerk doorgeprikt. Niet dat het helpt, toch gedaan. Altijd zal Jan en Alleman te manipuleren zijn. Met de brokstukken van de Sint-Pieter zal elders een nieuwe belediging van zijn woord verrijzen. En het volk zal toestromen en de clerus zal vol devotie de schijn hoog houden. Zondig zijn zij die weten en niet handelen. Voor vanavond: het zij zo. Morgen weer scherp zijn.

‘Dag, domme man.’

‘Een oordeel?’

‘Jij oordeelt. Ik heb lief.’

‘Wie ben je?’

‘Heb mij lief als jezelf.’

‘De verwarring is groot. De knoop niet te ontwarren. Zij die de deur zeggen te bewaken, hebben zelf geen toegang, hebben geen sleutel.’

‘Jij bent de sleutel.’

2

Geloof het of niet

“Halt.” De Zwitserse garde doet zijn werk. Ooit had de paus een leger, deze gardist is daar een residu van. “Sprechen Sie Deutsch? Was wollen Sie?” “Ik heb een afspraak met Dottore Massimo Ceresa van de Biblioteca.” Hij verleent doorgang en salueert, mijn naam blijkt inderdaad op de lijst te staan: ‘Dottore Theo Bakker, research Codex Vaticanus.’

In Vaticaanstad, toch wel opwindend. Goed kijken. Van hieruit worden wereldwijd ruim een miljard gedoopten bestierd. Her en der brandt een licht achter de vele, niet te grote, vierkante ramen. Twee wulpse dames passeren me lachend. Nee, er komen geen gedachten op. Auto’s scheuren in en uit. Ik moet aan het Kremlin denken, of het Binnenhof in crisistijd.

Zoals dat een bibliothecaris betaamt gaat dokter Ceresa gekleed in smaakvolle bruine, groene, beige en bordeauxrode tinten. Ook de bril ontbreekt niet, waarachter vriendelijke, schrandere ogen. ‘Ik heb alle vragen al een keer gesteld gehad en ken de antwoorden’, dat straalt hij uit. Een lichte verveling kleeft hem aan. Zal mij een zorg zijn. Als ik maar mijn blik mag werpen op een van de oudste handschriften van de bijbel, de Codex Vaticanus. Even zien waarover we het hebben.

Want we kunnen niet één beker aan ons voorbij laten gaan. De kerk mag dan niet naar het eigen Woord leven, daarmee is nog niets gezegd over God, Jezus en de boodschap zelf.

In mijn rugzak draag ik een oude bijbel, het boek ‘Valsheid in geschrifte’ en een schoolcatechismus uit mijn jeugd. Daar wil ik nu eindelijk eens langer bij stil staan, bij dat op aarde zijn om God te dienen en daardoor hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn.

Dottore begint met een rondleiding door de heilige bieb. Hier de anderhalf miljoen gedrukte boeken, daar de vijfenzeventigduizend oude manuscripten. Een lange zaal, vol met lezende, teksten bestuderende hoofden zie ik. Er wordt gewerkt, gedacht, gevorst in stilte. Niemand roept ‘eureka’.

Dan legt mijn gids een kopie van de Codex Vaticanus voor me op tafel. Het Griekse handschrift stamt uit de vierde eeuw na Christus. Veel woorden, die uiteindelijk tot resultaat hebben gehad dat des zondags hele families gekleed in streng zwart zich laten toebijten dat zij mensen zijn, dus schuldig, altijd schuldig, zelfs schuldig geboren.

Nou, dat heb ik dan gezien. Of ik ook nog een blik wil werpen op een ander manuscript, vol met afbeeldingen en teksten over heiligen. Nee, laat maar. Heilig is hij of zij die goed doet uit eigen naam en niet omkijkt. Dottore haalt de schouders op. ‘Vreemde gast’ denkt hij.

“Hoe verhoudt de inhoud van de Codex zich tot de vele andere gevonden handschriften, zoals de Codex Sinaïticus? En waarom hield de kerk het manuscript zolang ‘geheim’? Te grote verschillen met de Vulgata, de Latijnse ‘bewerking’ door Hiëronymus in de vijfde eeuw van het Nieuwe Testament? U ziet, dottore, ik heb mijn huiswerk gedaan.”

Massimo zegt dat hij niet over de inhoud gaat.

Dan wijst hij mij mijn plek achter in de zaal, vanwaar ik goed zicht heb op alle denkhoofden voor mij. De drie meegenomen boeken leg ik op het bureau. Eerst even aarden, dan besluit ik mijn gewone man onderzoekje te beginnen met de bijbel.

Het Oude Testament, Genesis. ‘In den beginne schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig en duisternis lag op de vloed, en de Geest Gods zweefde over de wateren. En God zeide: ‘Er zij licht, en er was licht…En God noemde het droge aarde….En God zag dat het goed was… En God zeide: Dat er lichten zijn aan het uitspansel des hemels om scheiding te maken tussen dacht en nacht… En God maakte beide grote lichten…En God zeide: Dat de wateren wemelen van levende wezens…En God schiep de dieren…En God zeide: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend ongedierte….En God zag alles wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed.’

Je kunt zeggen ‘geloof het of niet’, vrijheid blijheid, maar geloven tegen beter weten in is gevaarlijk. Jawel. Alert blijven. Checken, niets zomaar voor zoete koek slikken. Dat is een foute mentaliteit, waar mannetjes met snorretjes misbruik van maken.

Leuke verhalen in dat Oude Testament, maar inmiddels is God als schepper van hemel en aarde weerlegd. Door de wetenschap. Het is heel anders gegaan. Er was ooit een oerknal, waarna alles op zijn eigen houtje evolueerde. Niks tegenin te brengen, tegen Darwin en zijn evolutietheorie. Eindproduct van de ‘survival of the fittest’ zijn wij.

En dan wil ik nog niet eens beginnen over God zelf, in zijn algemeenheid, die zomaar zonder rechtvaardiging of verklaring wordt opgevoerd. Waarom God? Vanwaar God? Hoe God? Wie God? God als voldongen feit? Liever niet. En dan zag hij ook nog dat het goed was. Maar het is helemaal niet goed. Teveel menselijk leed, altijd, overal. Waarom als er eerst niks is, iets gaan scheppen dat tot gaskamers leidt? Oh, dat hebben wij gedaan. Had ons, jandikkie, dan anders geschapen. Had ons geen vrije wil gegeven.

Wie kijkt en ziet en moedig is, kan niet anders doen dan concluderen dat die hele zogenaamde schepping prutswerk is. En daarom, omdat alles is zoals het is en omdat God niets anders dan Goed zou kunnen zijn, kan hij niet bestaan. Bestond hij, dan was er geen vergiffenis. Wat hebben we aan een God die voor ons op de knieën moet?

We leven in 2008, we kunnen van alles, naar de maan gaan, de genen in kaart brengen, atoombommen maken, het is de hoogste tijd om als volwassen mensen te gaan kijken naar wat ons omringt: een stoffelijke wereld met nergens het kleinste teken van een Goddelijk ontwerp. Als we op eigen benen willen leren lopen, als we ten langen leste de boel hier beter op de rails willen krijgen, als we onszelf en de aarde willen redden, is het de hoogste tijd om God als Grote Smoes, als Wandelstok, als Doek voor het Bloeden definitief dood te verklaren.

En dat bedenk ik, gezeten in Vaticaanstad! Mijn buurman kijkt even bezorgd opzij. Was het verzuchten te luid? De slapen kloppen.

Mijn klokje geeft aan dat ik nog uren voor de boeg heb. Fijn. De hoogste tijd dat het Goddelijke Gordijn wordt weggerukt. Is al lang gebeurd, dat weet ik ook wel. Maar het helpt niet, dus moet het telkens opnieuw gebeuren en luider dan ooit. Want de scheidslijn tussen geloven en zeker weten is te dun. En zeker weten leidt tot de Enige Waarheid. En de Enige Waarheid leidt tot het verketteren en het tot heiden, ongelovige of afvallige bestempelen van wie daar niet aan wil. En dat zorgt weer voor strijd, voor oorlog.

Uit naam van God, uit naam van welk geloof dan ook zijn zoveel oorlogen gevoerd, is zoveel onverdraagzaamheid gepredikt, zijn zoveel misdaden tegen de mensheid begaan, dat het te laf is, te gemakzuchtig om alleen maar aan te komen met ‘geloven is een persoonlijke keuze’. Bleef het daartoe beperkt, nou ja, dan zou je het kunnen laten bij het verbaasd aanschouwen van die naïviteit. Maar het Christelijk geloof, het Jodendom, de Islam en alle andere geloofsvarianten ontlenen hun kracht nu juist aan het uitsluiten van de twijfel, aan het aanbieden van de Absolute Waarheid, daarom is voortdurende alertheid geboden.

“Koffie?” Ja, ik kan wel wat dope gebruiken. Buurman vraagt waarover ik schrijf. “Over Hem die niet bestaat en over het grote gevaar van alle claims op de waarheid.” “En dat doe je hier?” “Leek me een inspirerende omgeving. Het kwaad moet je bij de wortel aanpakken.” “Dus jij hebt helemaal geen houvast?” “Jawel, mijzelf en jou misschien, als je de Liefde kent.” “Laten we wat wandelen buiten. Je oogt verhit, toe aan wat frisse lucht.”

“Goed, geen God dus voor jou. Maar hoe verklaar jij dan alles dat is? Wat is het doel van ons hier?” “Een doel is een geestelijk iets. Dat hebben wij verzonnen, vanuit ons ongeluk. Waren we perfect gelukkig, we hadden het nooit over een Hoger Doel gehad. Dat doel waar jij op doelt hebben we bedacht om het lijden te verklaren, dragelijk te maken, te verzachten.”

“Daarmee heb je nog niet verklaard hoe het volgens jou dan komt dat alles is.” “Alles is omdat het er nu eenmaal is.” “En alles was er zonder begin, zonder scheppend moment?” “Wat zou er vóór dat moment geweest moeten zijn?” “Dus jij gelooft ook niet in de oerknal als startschot?” “Lijkt me tamelijk onzinnig. Wat was er dan voor de Big Bang? Alles was er altijd, alleen de vorm verandert.”

“En aan dat veranderen komt nooit een einde?” “Is nog de vraag. Het kan zijn dat de kosmos verder en verder uitdijt en uitdooft. Mij lijkt het waarschijnlijk dat uiteindelijk alle materie, dus energie, weer samenklontert, waarna weer een oerknal volgt en dat dan in een eeuwigdurende herhaling.”

“En hoe plaats je de mens daarin?” “Als fenomeen van voorbijgaande aard, geboren uit toeval. We zijn er even en dan niet meer. Op de eeuwigheid gemeten is de zon morgen opgebrand en houdt ons zijn hier op, aangenomen dat we onszelf al niet eerder het leven op aarde definitief onmogelijk maken.”

“En God? Zou je Hem niet kunnen zien als Ontwerper van al dat is en verandert? Het is mij te toevallig dat wij hier nu lopen en kunnen beschouwen.” “Dat Intelligente Ontwerp waar jij op doelt is een truc om God alsnog ten tonele te voeren. Waarom, wat dient dat? Te onwaarschijnlijk toevallig dat alles precies zo geëvolueerd is, dus er moet een Sturende Kracht achter zitten, dat is wat jij zegt. Maar waartoe dient zo’n Stille Sturende Kracht, waar we nooit wat van horen, die nooit ingrijpt en ons laat lijden? En wat is er intelligent aan een ontwerp dat leidt tot teveel kapotte mensen en een kapotte natuur? Nee, noch als Schepper, noch als Ontwerper kan hij werkelijkheid zijn.” “En toch ervaar ik Hem werkelijk in mijn hart.” “In jou, in jezelf, welzeker. Als gedachte, als perceptie, als gevoel, dat kan. Maar met jou, met ons hier op aarde zal die aanname, dat geloof afsterven. Morgen zal er een heelal zijn zonder mens en verandert alle goddeloos verder.”

Buurman kijkt me na deze laatste woorden enigszins geringschattend aan. Ik zie een zweem van medelijden in zijn ogen. Hij betreurt mijn verlaten, eenzame gang. Begrijpt mijn koppigheid niet. Als je er niet open voor staat, zie je het niet, denkt hij heimelijk.

Irritatie maakt zich van mij meester. Je legt het onweerlegbaar uit. Geen speld tussen te krijgen. Vele malen logischer om van ‘geen God’ uit te gaan, maar je praat tegen een muur. Doet me denken aan een gesprek lang geleden met een heeroom. Die ging ons als ongelovige pubers met godsbewijzen alsnog redden voor de katholieke kerk. Het pakte anders uit, ik prikte moeiteloos door zijn fabels heen en keerde de zaak om: hoe kon hij zijn leven aan niets meer dan een hypothese wijden. Klip en klaar was het toch dat God geen prutser kon zijn dus niet bestond. Waarop heeroom aankwam met de horizontale werking van de parabel van de wijnrank. Dat ik die niet kende en daarom niet wist waarover ik sprak. De woede van toen, dat iemand bij zijn volle verstand niet voor rede vatbaar wil zijn, huist ook nu in me. Eenmaal weer gezeten in de bibliotheek blijft het onaantastbare van buurman’s geloof me hinderen. Toch weer leeggelopen op die onwil om te buigen voor alle feiten om daar een slap ‘gevoel’ tegenover te zetten. Kon ik het nog helderder verwoorden soms?

Laat staan dat je aan moet nemen dat God ook nog eens uit drie Personen bestaat, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest en dat de Zoon, Jezus, mens is geworden, geboren uit de Maagd Maria en aan het kruis gestorven is om ons te redden. Ik zou nog eerder geloven dat zelfs in Hitler een goed verborgen gehouden God huisde.

Toch zat je dat als broekenmannetje er wél in te stampen. ‘Hoe weten wij dat er in God drie Personen zijn?’ ‘Dat er in God drie Personen zijn, weten we, omdat Jezus zelf ons dat geleerd heeft.’ Toen was ik nog niet zover dat ik vroeg naar de Goddelijkheid van Jezus.

Wee je gebeente als je vragen stelde. Dan waren we nooit verder gekomen dan de eerste les! Daar waren al duizend vragen bij mogelijk. ‘Waaruit weten wij dat God bestaat?’ ‘Dat God bestaat, weten wij uit de openbaring die vooral Jezus ons gedaan heeft en uit alles, wat geschapen is.’ ‘Kan God alles?’ ‘God kan alles. Hij is almachtig.’ ‘Is God rechtvaardig?’ ‘God is rechtvaardig: naar verdienste beloont Hij het goede en straft Hij het kwade.’

En verderop: ‘Wat wil zeggen: God bestuurt de wereld?’ ‘God bestuurt de wereld wil zeggen: God leidt alles tot het doel, waartoe Hij de wereld geschapen heeft.’ ‘Als God voor alles zorgt, hoe komt het dan, dat er zoveel ellende op aarde is?’ ‘Dat er zoveel ellende op aarde is, komt door de zonde.’

Had die dan niet ingebakken!

De indoctrinatie op jonge leeftijd roept een beeld vanuit Noord-Korea op. Een zaaltje vol baby’s, na luttele weken weggehaald bij de moeders om toch vooral vanaf het prilste begin de communistische vergiftiging van de hersens goed aan te kunnen pakken. Kinderen zongen op het belendende schooltje. Wat? ‘Een lied over de Grote Leider, Kim il Sung.’ Het lied erna ging over het geboortedorp van Hem en zo door. Waar dat uiteindelijk toe leidt? Tot een ware volkspsychose bij zijn dood, want met alle volksaanbidding had de Scherprechter niets te schaften.

Die catechismus ligt in het verre verlengde van de openbaringen die Jezus ons gedaan heeft. Die hebben hun voornaamste weerslag gevonden in de bijbel, de richtingwijzer voor velen in het leven. Ga ik daar ook aan komen? Of ik niet ergens, van één ding af kan blijven? Nee, de pen rust pas als alle valse, gevaarlijke, mensonterende franje eraf is.

Ik pak ‘Valsheid in geschrifte’ van Jacob Slavenburg, lees en huiver. Er zou een groot gat gapen tussen de woorden van Jezus en de bijbel zoals die voor me op de lessenaar ligt. Sjonge.

‘Teksten werden aanvankelijk mondeling overgeleverd, dan wel overgeschreven van oudere papierrollen. Bij het overschrijven werden veranderingen en correcties aangebracht met als doel om de kerk als instituut te stutten. Op de woorden sec werd een heel theologisch systeem gebouwd, een godleer ten dienste van de kerkelijke machthebbers. Daaraan werden oorspronkelijke leringen van Jezus opgeofferd; daaraan werd authenticiteit opgeofferd. Valsheid in geschrifte was hiertoe een geëigend middel.’

‘Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat de vele handschriften waarop de moderne bijbelvertalingen zijn gebaseerd onderling op tienduizenden plaatsen verschillen. En dat is logisch; de belangrijkste handschriften dateren uit de vierde eeuw na Christus. Drie eeuwen bewerking gingen daaraan vooraf…..’

‘Het verhaal van de kansel is een volslagen ander dan dat van de bijbelwetenschappers. Van de laatste stand van het wetenschappelijk onderzoek klinkt via de kansel maar zeer weinig door. Dat leert dat de betrouwbaarheid van de vier evangeliën klein is, dat in de Eerste brief van Johannes pas in later tijden een passage over de drie-eenheid was toegevoegd en dat het werkelijke leven en de werkelijke uitspraken van Jezus totaal anders zijn dan de evangeliën ons willen doen geloven.’

Regelmatig leg ik het boek neer. Asjemenou, zou dit allemaal waar zijn? Ach, die Jacob kan wel van de duivel bezeten zijn. Wat weet ik hiervan als dolend mannetje? Het doet er ook niet toe. Mijn afkeer van de kerk als instituut kon toch al niet groter. De bijbel mensenwerk? Nogal wiedes. Dat de kerk niet handelt naar haar eigen boodschap? Wisten we al. Heeft zij aan de mens Jezus een heel eigen verhaal vol dogma’s en stellingen en beweringen opgehangen met als doel de macht te grijpen. Niets nieuws onder de zon.

‘En dan is er ook nog in 1945 in Nag Hamadi aan de voet van het Jabal-al-Tarif-massief door een boer een kruik gevonden die onder andere het Evangelie van Thomas bevatte. Geleerden zeggen dat dit evangelie in de eerste helft van de eerste eeuw geschreven is, ruim voor de totstandkoming van de bijbelse evangeliën, waarnaar nu ruim een miljard mensen leven.

‘De kerk wil er niet van weten. Begrijpelijk, want de 114 kale uitspraken van Jezus die erin staan zijn merendeels onbekend en vertellen een ander verhaal. Van zelfkennis als basis om het Al te kennen. Van het koninkrijk dat ieder mens in zichzelf kan betreden door ‘heel’ te worden, de manvrouw dualiteit in zichzelf te overwinnen. In misschien wel het meest oorspronkelijke evangelie staat geen woord over de kruisdood en de opstanding, laat staan de erfzonde waarmee ieder mens geboren zou worden. Hoe ver verwijderd is dit alles niet van de Jezus die het instituut kerk haar gelovigen al eeuwen voorschotelt.’

Het is stuff die doet duizelen. Ik leg het boek weg, zijnde voer voor iets dat ik de hemel zij dank niet ben, theoloog. Ware ik paus, ik herschiep op basis van Thomas Jezus tot een dogmaloze, spiritueel leraar. Maar god op aarde ben ik ook al niet. Wel jammer, wat zou er een wind waaien, zeg!

Stel je bent geestelijke en je onthoudt de gelovigen zondag na zondag alles wat jij weet, namelijk de twijfel die Gods zogenaamde boodschap aankleeft, kom je dan na je laatste leugen bij de hemelpoort weg met ‘Ich habe es nicht gewusst’?

Ineens overvalt me een gevoel van moedeloosheid. De bibliotheek benauwt. Het hele circus staat zo tegen dat ik na een hand aan dottore snel de buitenlucht opzoek. Hoek om, plein op. Nog één blik werpen op de Sint-Pietersbasiliek. In mijn kladblokje noteer ik: ‘Nog leugenachtiger dan ik al dacht’. Het uitroepteken erachter doet het potloodpuntje breken. Dat lucht niet op.

Deze ‘denkdag’ voelt zwaar aan. Heeft het ene moer zin om te schrijven over God en kerk. De een kan niet bestaan, de ander maakt er een potje van. Nou en. Laten rotten. Althans, voorlopig een paar uur. Zin om naar mooie meiden te loeren en er van alles bij te denken. Zin om te dansen op de vulkaan. Waarom loop ik hier alleen langs de Tiber? Michael Jackson schalt over het ijsbaantje, jongeren lachen. Ze ogen ‘heel’. Ze verenigen het mannelijke en het vrouwelijke, zij het niet in zichzelf. Misschien is het verblijf in het koninkrijk wel leeftijdsgebonden. Verwijder je jezelf door op enig moment vragen te stellen waarop mits strak en moedig gedacht geen antwoorden mogelijk zijn. Zin in een slok, in vergetelheid. Slaan, iets kapot maken, ook lekker.

Op een geel plastic stoeltje op amper vijf meter van het voorbij razende verkeer vind ik mezelf terug. Met een sigaartje en alweer de derde halve liter Birra. Het staan binnen onder de helle Tl-buizen, uitgelachen door wat Romeintjes, was ik al eerder zat. Terwijl ik toch voor hunnie heb zitten denken en schrijven. Maar kon ik het ze uitleggen, hun gelach zou in decibellen alleen nog toenemen. Dus zeg ik tegen de dwerg met ijsmuts dat hij blij mag dat ik het Italiaanse woord voor matten niet ken.

Een sirene, komen ze me weghalen? Las Hij mijn gedachten en kon Hij alle aantijgingen niet langer over zijn kant laten gaan? God is kerk, kerk is macht, macht is gezag, gezag is zwaailicht, het kan. Maar nee, het blauw flitst voorbij, grotere boeven te vangen.

Of is het andersom? Toont de Heer alleen clementie voor de lui die de moed hebben gehad om zijn bestaan voor onmogelijk te houden? Is dat onze grootste taak. Om zonder Kompas, zonder enige Hemelse beloning goed te doen, alleen in Eigen naam?

Daar loopt Anne-Louise van het Instituut. Anne is lief. Iedereen in mijn tijdelijke thuis is lief. Alle mensen zijn lief. We zijn broeders en zusters, weet je wel. “Hé, Anne-Louise, ik zit hier alleen.”

Ze komt en luistert, dat is heel wat, als het een opgewonden verhaal over God, de kerk, Jezus en valsheid in geschrifte betreft.

“Zeg eens, An. Kun je klein blijven en toch grote dingen zeggen?” “Niet eerst iets zeggen en je dan pas afvragen of het gepast is, zou ik zeggen.”

“Ik beloof jou dat ik ooit van de losse draden weer een fijn vest brei. Geloof je dat.”

“Waar zit je mee?”

“Er wordt beweerd dat je over sommige zaken alleen mag fluisteren. Ik schreeuw. Harder dan al die venters van valse strohalmen. O.k.?”

“En waarom schreeuw je dan? En wie zegt dat iemand die gelooft in een Valse Waarheid niet beter af is dan jij?”

“Het zit zo, An, het zit zo. Luister. Elke God buiten jou en mij is een afgod. Die wil aanbeden worden. Dat moet, anders leef je in zonde. Hoe kun jij nou in zonde geboren zijn? Afgoden zijn groot, dat maakt de mens klein. En buigend, dansend naar de Pijpen van een Vals Reglement. Wie Waarheid zaait, oogst nijd. Jij zit daar, ik hier. Rechtop. Niet klein, niet angstig. Moedig kijken we de duisternis in. We moeten weten dat elk lonkend licht een dwaallicht is. Waarom zou jij achter mijn vaandel aanlopen? Daar gaat het me om, om die drang de koers niet zelf uit te stippelen, maar achter Hem, achter de Leider aan te lopen. Zo maar naar nieuwe strijd, naar nieuwe ellende. Vat je me nog, An? De mens stelt niet veel voor, oh nee. Met hoogmoed heeft wat ik zeg niets van doen. Ik ben klein en ik kruip over mijn pad, bescheiden, vol respect, maar zondevrij, groots in mijn vrijheid. Laten we alle Vaandels verbranden. Daar ben ik mee bezig, omdat het moet, opdat we kaal en alleen bij onszelf uitkomen, ik heb de fik gestoken in dat hele woud van strohalmen.”

“Kom, geef een arm, dan gaan we op pad naar huis.”

3

Een ervaring armer

Goed kijken, oog hebben voor, hart open, zodat kan nederdalen. Niet anders dan anders dus. Het oog toe, het hart dicht, een weelde moet dat zijn. Wees niet stuurs, jongen, voor één keer niet. Sta je de Openbaring toe. Neem je tas op en wandel, alles kan anders zijn einde dag.

Moet je, om te ervaren, hopen op een duif die verder niemand ziet, maar jij wel en die voor je uit fladdert naar waar je heen wilt? Of juist niet, houdt verlangen naar de juiste richtingwijzer de duif op afstand? Moeilijke vragen zo vroeg op de dag. In afwachting van de duif en van een heldere stem die zegt ‘verlang’ of anders ‘laat je leiden’ ben ik blij met de kaart van Rome die de kiosk, gewoon omdat ik ernaar vroeg en ervoor betaalde, me verschafte.

Sentimentele reis vandaag. Met vrouw en kinderen was ik al eens in de Sixtijnse Kapel. Het geluk van toen ga ik vandaag als gemis pas op zijn sterkst ervaren. Kunt u verdriet hebben over de liefde van straks die ooit die van toen zal zijn? Ziet u ook van verre pas de pracht die achter u ligt? Zoekt u daar wat u hier al vindt? Wees dan mijn gezelschap bij mijn Overgave. ‘Laat maar komen, want dan komt het zoetjes.’ Schrijf ik na vandaag Het?

Het Vaticaanse museum. Een gemummificeerde Egyptische vrouw. Al drieduizend jaar is ze dood. Had ze maar één oog? Nee, het andere blijkt gebruikt om de hersens eruit te halen. De hersenlozen onder ons zijn ook in dit opzicht in het voordeel. Als ze nu met dat ene oog zou knipperen?

Rustig, zo gemakkelijk valt je het Inzicht niet ten deel. Die uitgehakte man met knots gaat er echt niet plots mee zwaaien en reken er ook maar op dat de tekst op de kleitablet niet gedelete zal worden. Noch zal de juf van de klas, pittig ding, een briefje met telefoonnummer voor je laten vallen.

Ha, daar hebben we de godin Sekhmet. Ze staat er verloren bij, vroeger blijkt ze omringd te zijn door 364 zusters, ieder beschermde één dag per jaar Egypte. Leefde Sekhmet in zonde? Haar verlosser van de erfzonde zou tenslotte pas duizend jaar later zijn opwachting maken. Hoe wordt in pauselijke kringen eigenlijk aangekeken tegen alle goden en godinnen die ik zie staan? Als afgoden, als kinderlijke voorlopers van die ene ware? En kan er ooit een nóg waardere komen? Een soort Lou de Palingboer die écht niet dood gaat, waardoor Jézus weer gedateerd raakt?

In de zaal van de Muzen valt me de wijn op. Heilige alcohol, ik doe niets fout. Zo zit het, er werden geen joints en brood uitgereikt en ook werden niet de beste stickies tot het laatst bewaard. Ik ben gedekt.

Maar in ernst, ik passeer veel moois van toen. Mozaïeken op de vloer, schilderijen aan de muur, dan wel tapijten, beelden. Het zal komen doordat ik er geen verstand van heb en er geen antenne voor, want ik kijk voor mijn gevoel eerder naar handnijverheid dan naar kunst.

Nee, dan beroert die Amerikaanse gids het gevoel sterker. Jonge meid die voorover op een hekje hangt, terwijl ze haar gehoor toe knauwt. Moet zij weten, maar die lager dan lage heupbroek en die vetranden en dat stuk bilspleet vol puistjes, alleen zij al ontneemt je elke hoop op ‘vooruitgang’. Gauw omhoog kijken, sjonge, wat een plafondschildering, de hemel is er niets bij.

Het kindeke, in onschuldig wit gekleed, hangt geweven aan de wand en wordt aanbeden door de herders. Verzinsel binnen het verzinsel volgens bijbelvorsers. Uit het vroege, joods-christelijke Evangelie van de Ebionieten: ‘Toen het volk gedoopt was, kwam ook Jezus en Hij werd door Johannes gedoopt. En toen Hij uit het water kwam, gingen de hemelen open en Hij zag de Heilige Geest in de vorm van een duif, deze daalde neder en ging bij Hem binnen. En een stem uit de hemel zei: ‘Jij bent mijn geliefde zoon. Ik heb in jou een welgevallen. Ik heb je vandaag verwekt.’

Een fragment uit het Evangelie van de Hebreeën over de doop: ‘Op dat moment trok mijn moeder, de Heilige Geest, mij op.’ In Thomas wordt Maria als de aardse mama gezien, ‘maar mijn ware moeder gaf mij het leven.’ De Heilige Geest als Moeder. God wordt in het Geheime Boek van Johannes ‘mètropator’ genoemd, Moeder-Vader.

Pas eind vierde eeuw, toen het christendom staatsgodsdienst was geworden, werd de geboorte van Jezus tot de geboorte van God verheven en geplaatst op de dag dat de Romeinen de geboortedag van Sol Invictus, de onoverwinnelijke zon, vierden. God werd zo weer een echte vent, fijn voor de mannenclerus. Hoeft ook niet herschreven te worden dat de vrouw gemaakt is uit de man.

Dat vertel ik allemaal omdat ik hier staand voor dat kleed tweeduizend jaar later een vader aan zijn zoontje het waar gebeurde verhaal van de geboorte van God en de Heilige Maagd vertelt. Zal ik ingrijpen? Nee, bij de leest van de dag blijven. Niks aantijgen verder, ervaren, laat het komen. Moeilijk, moeilijk.

Even verder de opstanding van Jezus uit de dood. Zwart gaapt het graf achter hem. Die hele kruisdood had wat mij betreft al achterwege kunnen blijven, maar dan ook nog met lichaam al uit de handen van Magere Hein ontsnappen. Was alleen een geestelijke triomf over het vergankelijke niet genoeg? Je hoeft toch niet alles te doen om potentiële gelovigen over de streep te trekken?

Langs nog meer lansen, zwaarden, steigerende paarden, een afgehakt hoofd en opgehangen mannen kom ik uit bij de ‘Collezione d’Arte Religiosa e Moderna’. Jawel, schoonheid en troost. Waarom is het hier zo stil? Dit zijn geen realistische, al dan niet bijbelse taferelen, hier zijn Jezus en het geloof bronnen van uitingen van gevoel. Dalí, mooi. ‘Strange bird contemplaiting doom of man’ van Philip Evergood, fascinerend en ‘Study for Crucification’ van Graham Sutherland, kun je naar blijven kijken. Zijn lijden gevangen in beeld.

Schijnt ook nog ergens De Denker te staan. Gemist. Niet kunnen zien of hij er ondertussen uit is. Dat ik langs was gelopen en hij zich met een grijns had opgericht en gezegd: ‘Ik ken jouw soort, jongen, maar ik heb het antwoord.’ Ben er, verdikke, onoplettend aan voorbij gegaan. Scherp blijven. In elke seconde, in elke blik, in elke gedachte, in elk gevoel kan de enige echte Verlichting, niet die van de rede, zich aandienen.

In de Sixtijnse kapel is uitgerekend de plek van toen vrij. Een eerste teken? Straks over verder mijmeren. Eerst ruimte voor het zoetzure schrijnen.

Dan een langdurige inspectie. Armer en armer voel ik me, zo rondlopend en nu hier zittend. Qua kennis van. Niet weten waarnaar je kijkt, het uit een boek moeten halen dat het Laatste Oordeel, zoals Michelangelo dat achter het altaar schilderde in haar ‘vitale expressiviteit vooruit grijpt op de barok.’ Veel naakt, dat viel spontaan al wel op. Ooit kreeg Danièle de Voltérra opdracht daar wat aan te doen, hij hield er de bijnaam Braghettóne (‘broekjesschilder’) aan over. Het kerkelijke aanpassen naar hoe het uitkomt is blijkbaar van alle eeuwen.

Er werkten ook nog andere kunstenaars aan de decoratie van de kapel, maar Michelangelo was de hoofdaannemer, zeg maar. Hij schilderde ook het scheppingsverhaal in het gewelf. Hoe God het licht scheidt van de duisternis, de schepping van Adam en Eva, de koperen slang, de zondeval en de verdrijving uit het paradijs, al die afbeeldingen en nog anderen hangen de bisschoppen boven het hoofd als zij in deze ruimte in conclaaf gaan om een nieuwe paus te kiezen.

Sssstt, sssstt, silenzio, klinkt het regelmatig. En inderdaad, nergens in Genesis staat dat God ook het geluid schiep. Het kakelen is onze toevoeging. De juf met klas heeft het er maar moeilijk mee. De Brit naast me: ‘All these people want to express their admiration, of course.’

Voel ik dat ook, bewondering. Ja, voor alle werk, absoluut, het moet een heidens karwei zijn geweest. Dat te kunnen, het overzicht te hebben en houden, de rijkdom van de kleuren, de vertelde Bijbelse verhalen, knap allemaal. Maar waarom raakte dat ene schilderij van Sutherland me meer dan deze kapel?

Nee, dat zit niet in verholen irritatie over de verwording van Jezus’ woorden tot dit soort overdadige uiterlijkheden. En, nee, ook kijk ik wel heen door de veronderstelling, dat Jezus, kwam hij terug op aarde, deze hele ruimte als ‘hol van verafgoding’ zou schoon vegen.

Gebrek aan educatie, zit het daarin? Teveel bezig met ‘de grote lijn’? Te weinig geleerd om met een klein, geoefend oog te genieten van ‘schoonheid in zinloosheid’? Maar mijn ontroering bij Tamász dan? Bij Jopie’s zwart gekraste donkere periode? Bij Dalí?

Genoeg aanloop genomen. Genoeg geaard. Tijd om me over te geven aan Wie dan ook. Als dit er al niet de omgeving voor is, waar dan wél? Ik heb het over de mogelijkheid God persoonlijk te ervaren. Daartoe wil ik hier in deze Sixtijnse kapel een poging wagen!

Bij de kerk als instituut, de bijbel als weergave van Jezus’ boodschap en bij het fenomeen God heb ik vraagtekens geplaatst. Moedig en logisch denkend kun je niet anders. Maar tegen dit alles in ‘voelen’ sommigen toch Zijn Aanwezigheid.

Niks kun je daar tegenin brengen, tegen die godervaringen van nogal wat mensen. En nu wil ik dat ook wel eens meemaken. Wat zou dat heerlijk zijn, te weten dat toch gewaakt wordt, dat alle lijden zin heeft, dat die Aanwezigheid echt wel ingrijpt voordat de laatste kabeljauw uit zee gevist is. De stoffelijke boel mag dan uitdijen en uitdoven wellicht, maar het Iets niet. In die wetenschap iedere dag op te kunnen staan en het Licht te zien!

Uit mijn tas haal ik de uitgeknipte ‘Religieuze belevenissen’. Die moeten als inspiratie dienen en me in de juiste stemming brengen.

Een gepensioneerde eigenaar van supermarkten ging op een missie in Wit-Rusland naar de kerk. Hij werd ontvangen door de patriarch, kreeg van hem een icoon van Jezus die nu thuis in de stiltehoek staat. Enfin, samen de natuur in, vis vangen, smikkelen, nest met kievitseieren in de buurt en er met zijn allen omheen staan. ‘Hij vroeg ons elkaars handen vast te houden. Toen riep hij in het Duits en Russisch: “Dit is het werk van de Heilige Geest die ons hier samenbrengt.” Dat die eieren daar lagen beschouw ik als toeval, maar die sfeer terwijl wij met onze handen de eieren zegenden was het werk van God, denk ik….. Twee jaar terug is mijn vrouw overleden. Ik voel nadrukkelijk dat zij in Gods ontferming is opgenomen. Wat dat betreft heb ik mijn geloof behouden, ondanks mensen als Kuitert (theoloog) die zeggen dat God fictie is. Eigenlijk heb ik te doen met hem. Hij staat met lege handen, terwijl ik als ik dood ben en er toch meer is kan denken: wat was ik toch rijk in mijn leven, dat ik geloofde dat er meer was (zin letterlijk overgeschreven, neem me de kromheid niet kwalijk).’

Fijn dat iemand met me te doen heeft. Maar dat weegt niet op tegen de oneindige triestheid die me overvalt. Ook in dit verhaal, anno 2007 door iemand met hersens verteld, schuilt onzichtbaar kwaad. Natuurlijk, ieders ervaring is onaantastbaar. En als iemand er steun aan ontleent, daar is weinig mis mee toch? Maar waarom is de niet gelovige, die genoeg heeft aan een mooie herinnering aan de vrouw met wie hij leefde, te betreuren? Altijd dat uit handen geven, altijd die angst voor het niet weten. Alleen het woord Twijfel mag met een hoofdletter worden geschreven. En Twijfel stuurt niet, schrijft niet voor, biedt geen houvast. Als God kan zijn in dat samenzijn rond een kievitsnest, als hij mensen na de dood verder kan laten leven en dus almachtig is, waarom……, ach, zoveel vragen.

De religieuze belevenissen van een werktuigbouwkundige: ‘Ik was zeven toen mijn tweelingbroertje onder de trein kwam. Ik was ontroostbaar. In ons dorp werden we met argwaan gevolgd. Er was iets mis met ons gezin. God strafte immers niet voor niets. Ik hield geen enkel vriendje over.’

‘Gelukkig verscheen op een nacht mijn broertje aan mij in een droom. Hij vertelde dat hij gelukkig was en dat ik niet verdrietig hoefde te zijn. Sindsdien heb ik meer vreemde ervaringen gehad. Die konden positief zijn, zoals op mijn veertiende toen ik in een droom vanuit het kerkgebouw omhoog werd gevoerd. Ik bevond me tussen anderen en juichend stegen we hoger en hoger, tot wij ons tussen ontelbare zielen in een oceaan van gelukzaligheid bevonden.’

‘Maar het was niet altijd prettig. Ik heb ook excursies gemaakt ‘naar beneden’, waar mensen zaten vastgeketend. Hun lichamen waren bedekt met bloed en slijm. Er waren overal bolle, pupilloze ogen en grote, etterende geslachtsdelen.’

‘Ik beschouw mijn visionaire ervaringen als door God gegeven projecties…..Ik voel me begenadigd…..Waarom blijven andere mensen, die het harder nodig hebben dan ik verstoken van tekens van God.’

Het is zo, het zij zo, iemand voelt dat oprecht, spreekt over voor hem reële ervaringen, met respect moet je die tot je nemen en je erbij neerleggen. Dat ik in de holocaust, de strafkampen, de slachtvelden, de getroffen zielen om me heen, het verdriet van teveel mensen alleen maar tekens van Zijn Afwezigheid zie is mijn probleem. Maar zeg niet dat ik niet begenadigd ben, verdomme. Bemoei je als gelovige niet met alle weldenkende lui die als begin van de Oplossing het aandurven om in het duister te staren.

Zo zit ik op mijn bankje. Mensen komen de kapel in, roepen ‘ah’ en ‘oh’ en vertrekken weer. Ik lees en bereid me voor. Waarbij het nog de vraag is van welke snit mijn God moet zijn, hoe ik me Hem wens.

God is namelijk allang geen stereotype Vader meer. Ik mag hier zitten in de vesting van de Enige Ware God, maar velen hebben daar intussen hun Eigen Ware God van gemaakt, uitgedrukt als Liefde, Mysterie, Geheim, Iets, Licht, Bron, Onuitsprekelijke, Eeuwige.

Wil ik dat ook? Laat me eens wat godversies uit de serie ‘De Persoonlijke God’ doornemen.

Een predikant is gecharmeerd van een gedicht van Leo Vroman, die het woord God vervangen heeft door Systeem. ‘Hij kiest een term die veel onpersoonlijker is. Maar door dat systeem aan te spreken wordt het persoonlijk… Met een persoonlijke god die huist op een wolk heb ik niks…De abstracte benamingen gebruik ik niet lukraak. Kies ik de vorm van het innerlijke gesprek dan geef ik de voorkeur aan Goede God of Geliefde; probeer ik tijdens een meditatie stil te worden en ruimte voor God te maken dan past daar beter een beeld als ‘Licht’ bij.’

‘Als je vloekt in situaties van uiterste ontreddering en verlies is er sprake van godverlatenheid. God verandert dan wel voor je. Ons godsbeeld is een amalgaam dat in onze vroegste jeugd gevormd wordt door ervaringen met je vader en moeder, door beelden, woorden, verhalen. Aan dat beeld kleven ook allerlei verwachtingen, die bij een crisis in scherven vallen. Dan roepen we: als God liefde is waarom laat Hij dit dan toe?’

‘Dan ontdekken mensen dat God zich niet voegt naar onze wensen en verwachtingen, dat God niet past in onze kaders en redeneringen, dat Hij zich onttrekt aan ons begripsvermogen. In Jesaja staat: ‘Mijn plannen zijn niet uw plannen en jullie wegen zijn niet mijn wegen.’

Volgde een innerlijke beeldenstorm, ging zij tegen God tekeer en lag het gesprek stil. Maar het Systeem nam het voortouw, nam het gesprek teder weer op. Nu houdt zij Hem voor Aanwezigheid, Liefdevolle Aanwezigheid zelfs.

Nog drie, vier artikelen lees ik over vormen van intellectueel godbesef en ik besluit dat ik daar nog minder mee heb. Iemand moet het zelf weten als hij de religieuze leemte in zijn bestaan, omdat letterlijk geloof in de bijbel en de gang naar de kerk bij enige weldenkendheid niet vol te houden waren, veiligheidshalve opvult met Iets, Systeem, enzovoort. Maar als er dan toch een Almachtige moet zijn, dan een strenge poortwachter die ons afrekent. Vader moet de kwaden onder ons straffen, als logische consequentie van de vrije wil waarmee hij ons opzadelde.

Er is geen vader.

De peinzer in de kapel. Ach, wat moeilijk om respectvol te blijven. Het hart breekt aldoor. Geloven staat een ieder vrij, maar mag het mij te moede zijn? De mens schept zich een God, maar als diens Almacht niet te rijmen valt met de gang van zaken hier, maken we onze creatie ‘onnavolgbaar’ voor ons. Zijn wegen heten dan ondoorgrondelijk. Liever deze kromspraak dan afscheid nemen van het Verzinsel.

Misschien is de grootste verslaving van de mens wel die aan god. Velen zijn geloofjunk tot in de eeuwigheid, zij kunnen niet zonder. Dus kom je als predikant uit bij de lijfspreuk: ‘Het dwaze van God is wijzer dan mensen en het zwakke van God is sterker dan mensen.’

De op zeker niet gelovige atheïst en de ‘ik weet het niet’ agnost zijn wél afgekickt. Die zijn op eigen benen gaan lopen. De atheïst wordt toegebeten: ‘Wat belet u de straat op te gaan en de medemens neer te schieten?’ Terwijl nu juist die haatzaaiende, strijd veroorzakende Enige Waarheid door de eeuwen heen voor jammerlijk veel slachtoffers heeft gezorgd!

‘Stilte’, strenger van toon nu. Dacht ik de laatste minuten hardop? Nee, de berisping betreft een Duitse die gedurende vijf minuten op hoge toon te horen krijgt dat ze uit respect voor de mores van de Sixtijnse kapel stil dient te zijn. Als hij uitgefoeterd is zegt ze ‘amen’, waarop hij haar in de kraag pakt en verwijdert. Alles altijd in Gods naam.

Concentreren nu. De leesmap weg. Tijd voor het grote experiment. U zult denken, gegeven bovenstaande, dat ik kansloos ben, dat mijn open sollicitatie naar een godservaring evenveel kans van slagen heeft als een poging van Boris Boef om directeur Goede Werken te worden, maar daar zit u natuurlijk naast. Als de godservaring alleen de al gelovende ten deel valt, wat stelt het dan voor? Nee, juist de ‘God is dood’ adept moet er door getroffen worden, dat zet zoden aan de dijk.

Naast ongeloof moet je als aspirant godervarende over nóg een belangrijke eigenschap beschikken: wanhoop. De ziel moet zoekende zijn. Als de nood het hoogst is, dan is God nabij. Wat zou Hij nog toe te voegen hebben aan een ziel die al vervuld is van geluk? Die is heel en heeft geen ingang meer voor de Verlossing.

Staat dus vast dat ik een ideale kandidaat ben. Hooguit valt te twijfelen aan het ‘op afroep beschikbaar zijn’ van de godervaring. Maar als ik god was, zou ik op elke afroep van elke wanhopige ziel op elk moment beschikbaar zijn. Waarom niet reageren en later onaangekondigd aanbellen? Zul je net zien dat ik er dan niet ben.

Laat het hier gebeuren. Tot nu toe was er alleen Koossie Poes, maar nu wil ik het echte werk. Zou u in dat zacht schurende kattentongetje, dat mij de tranen van gezicht likte, God herkend hebben? Ik niet, harder bewijs moet er komen. Het ultieme ‘eerst zien dan direct geloven’ zou zijn als hij ons op stel en sprong verlost van de kwaden, maar dat lijkt teveel gevraagd. Wie overvraagt, wordt overgeslagen, waarschijnlijk handelt Hij daar ook wel naar. Nee, mijn bede moet bescheidener van aard zijn. Anderzijds moet het teken zich wel laten verifiëren door derden, zodat we direct wereldwijd aan alle twijfel een eind kunnen maken.

Daarom, om achteraf geen gesteggel te krijgen over het ingediende verzoek, schrijf ik de godservaring die ik probeer af te roepen op een briefje en overhandig dat aan de Brit naast me. “Wat staat daar,” vraagt hij. “Dat zeven minuten na nu God uit onvrede over alle nonsens die over hem in alle geloven de ronde doet, definitief zijn handen van ons aftrekt.” “Dat heeft hij volgens mij al lang geleden gedaan. Maar goed, waaruit zou dat moeten blijken?” “Op elke plek waar wij God verbeeld hebben, zal een witte vlek ontstaan. En alle kruisen zullen overal ter wereld veranderen in vraagtekens.” “Je weet zeker dat je het daarbij wilt laten?”

Als Zijn tijd om is en ik naar het plafond wil kijken om te zien of de God die Adam schept verdwenen is, wordt me het zicht ontnomen door een man met een verbaasde frons op zijn gezicht. Moet ik daar een vraagteken in zien? Ik doe het er niet voor. Het blijft ‘het’ met een kleine letter.

Buiten is het fris. Een fijne bries langs het voorhoofd. Ik loop weer langs de Tiber, kijk niet meer om en voel me begenadigd. Neem me niet kwalijk dat ik zoveel ruimte neem om het grootste aller misverstanden te ontrafelen. Haal uit dit hoofdstuk wat van uw gading is.

Respect moet, verweer is zinloos, maar ik ben het wél zat. Iemand ervaart God, dat kan, dat mag. Maar het zijn vaak slimme lui die zich eraan over geven. Zo moet het niet, zo moet het niet, sist het in mijn hart. Wie de kou vreest en zich een Hemd van vreemde makelij aanschaft, zal bevriezen, maar wie de moed heeft op het eigen vel te vertrouwen, weet zich warm en beschermd. Dat is dan weer mijn ervaring. Begenadigd op jezelf terug geworpen zijn. Wie alle waan afschudt, ervaart Iets, Kracht, namelijk Zelfrespect.

Het water weerspiegelt het maanlicht, het vraagteken draagt licht deze avond.

“Kruis noch vraagteken doen ertoe.”

“Alles dat vals is, waan, dient bevraagd.”

“Maar dan, maar dan.”

“Alleen uit de ideeënloze leegte kan het goede komen.’

“Welk goede? Hoe?”

4

Warm veinzen

Ook Rome als wereldstad kent een serene zondagochtendrust. Geen auto’s die elkaar luid toeterend achterna zitten, geen motoren die daar levensmoe tussendoor scheuren, nee, vooral voetgangers vullen kalm het straatbeeld.

Sommigen zijn gekleed in snelle kledij en gebruiken het decor van het antieke centrum om het luie zaterdagavondzweet eruit te lopen. Een groepje mannen wendt plotseling koers om gedurende honderd meter al grappend en grollend een schone loopster als haas te gebruiken. Die gaat al meelachend twee keer in tegengestelde richting lopen, de jagers er achteraan. Mooi tafereel op de Piazza de Popolo.

En het humeur is al zo goed. De kalmte bevalt en het voelt prettig om een oude gewoonte weer eens op te pakken, die van de beloftevolle gang naar de kerk. Het heeft wat om op deze vroege morgen een alibi te hebben om op weg te gaan naar de hoogmis.

Langzaam, de frisse ochtendlucht opsnuivend passeer ik het nog gesloten Pantheon. Gisteren was ik er. Een van de vele indrukwekkende relikwieën van het oude Rome. Recht onder de koepel ben ik gaan staan, maar mijn hemelvaart bleef uit.

Her en der wordt al een luik omhoog gerold, langzaam maar zeker maakt de stad zich op om weer tegemoet te komen aan en te profiteren van de cultuurhonger der bezoekers. Ha, die snackbar is al open. Even staan tussen de Romeinen om met een goede cappuccino – nog geen slechte gehad – en een sandwich prosciutto de maag te ontnuchteren. Ja, nu mag ik dat. Vroeger niet, als je nog ter communie moest, maar het zou beledigend zijn als ik mijn hernieuwde onderdompeling in het sacrale zover doorvoerde.

In de laatste straten naar mijn beoogde godshuis zie je meerdere mensen op weg naar het wekelijkse contactuur met God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Samen op weg. In de jeugdjaren mocht je met de vriendjes vooruit lopen, de vaders en moeders er zo’n twintig meter achter. Maar niet als je met Kerst in de donkere kou naar de lonkende, zijn warmte vooruit werpende nachtmis ging. Dan gaf je moeder een arm.

De deuren van de Basilica di San Maria in Trastevere zijn al open. Ruim voor aanvang van de mis kan ik mij een plek zoeken in de kerk. Voorin, niet achterin, niet op zo’n plek die je gelegenheid geeft om ‘m voortijdig te piepen. Meebeleven.

Het altaar waarop aan de voorzijde het gelaat van Jezus prijkt kent een fraaie achtergrond. De wand met afbeeldingen en de koepel vormen een mariablauwe, steenrode, maar vooral gouden streling van het oog.

De vrouwelijke koster is bezig alle kaarsen te ontsteken, terwijl de misdienaars de laatste instructies krijgen. Achter me druppelt de kerk vol. Er wordt nog gekletst, een enkeling leest La Republica. Op de voorzijde herken ik het verhaal over de politieman die het leven liet bij een voetbalduel. Er zal voor hem gebeden worden. Terwijl ik rondkijk zet het orgel alvast gedragen, maar toch ook vrolijk de toon.

Dan, kling, begint de mis, staat iedereen op en komt van achteruit de stoet geestelijken en misdienaars de kerk binnen geschreden. In Nederland is een mis met drie heren al een hele aanslag op het personeelsbestand, hier tel ik er niet minder dan zeven. Ze zijn gekleed in ingetogen smaragdgroene kazuifels, de elf misdienaars dragen een geheel witte pij.

Een van de jongetjes overhandigt de priester die de mis voorgaat het wierookvat. Dat doet het ventje zonder de priester eerst zelf te bewieroken. Vroeger moest dat, zwaaide je te hoog dan viel het gloeiende kooltje eruit en brandde dat een gat in de nieuwe vloerbedekking van de ooit in een vlaag van verstandsverbijstering gemoderniseerde kapel.

De voorganger gaat met de wierook de hele kerk door en de geur is onverminderd lekker. Het geeft direct een lichtelijk verheven, godvruchtig gevoel. De mis mag beginnen.

Veel oudere echtparen om me heen. Het haar goed gekapt, fijn geurend, mooie mantels. Mijn buurvrouw met het lichtlila haar draagt een bontmantel van kwaliteit. Nogal wat mannen zijn gehuld in een camel jas met een fleurige, zijden sjaal. Weinig jongeren zijn er, die leven zolang het duurt nog in de waan van de dag.

Al die mensen die zich met krakende stem aan de openingszang zetten, zijn van kinds af aan kind aan huis in deze kerk, schat ik in. Er zullen momenten van twijfel zijn geweest, maar het houvast in hun bestaan lieten zij niet los. Haar kind overleed en zij bad: ‘U zult er een doel mee hebben, Heer. Leer mij dat kennen, smeek ik u. Zo moeilijk maakt U het mij te blijven geloven in Uw goedheid. Vergeef me dat ik huil, Heer, en dat ik u vraag ‘waarom mijn jongen?’

Het weerhield haar er niet van de week erna op zondagochtend haar vaste stek op rij drie weer op zoeken. ‘Sommige vragen, waarvan je weet dat God die niet kan beantwoorden, kun je beter niet stellen. Hij stelt ons op de proef en wil zien hoe trouw wij zijn in ons geloof. We moeten het leven nemen zoals het komt. In het vertrouwen dat alles ons ooit in zijn Glorie geopenbaard wordt,’ hield de priester haar voor tijdens een huisbezoek in de rouwperiode. Intenser dan ooit bad zij daarna.

Vanaf het stencil, mij bij het betreden van de kerk uitgereikt door een verrassend goed Engels sprekende kerkhulp, probeer ik de mis zo goed mogelijk te volgen. Dat lukt. De volgorde zit er nog ingebakken, confiteor, Gloria, eerste lezing, tweede, preek, offerande, eucharistieviering, communie, bidden, slotzang, zo toch?

Het prettige is dat de Italiaanse tekst niet te volgen is. Ik woon weer een echte ouderwetse Latijnse mis bij. Het gaat er namelijk niet om wát er beweerd wordt. Daarmee is het juist mis gegaan. Ouder worden, echt gaan luisteren naar wat er gezegd wordt. Kan dat kloppen en waarom, als je dat zegt of gelooft, trek je daar dan niet die en die conclusie uit?

Al dat denken over God en geloof en de gang van zaken, was dat een foute benadering? Had vader gelijk met zijn ‘denken moet je aan de paarden overlaten, die hebben een grotere kop?’

Niet vervallen in herhaling, vandaag. Durven meemaken. Laten komen. En het komt als een warme herkenning.

Het ritueel bezweert. Is dat de kern, zou dat voldoende rechtvaardiging kunnen zijn? De een spreekt, standaard toverspreuken, de ander luistert en beiden weten dat het daarom gaat, om die vorm?

Moet je er niet meer achter willen denken? Het Ritueel als strohalm, als wekelijkse bevrediging van de spirituele behoefte?

Naast mij zit een man met een scherpe, wantrouwende blik. Eens, lang geleden, had hij een heftig dispuut met de pastoor, die hij toevoegde: “Wat u zegt zou ik op alle mogelijke manieren kunnen aanvechten. Ik doe dat niet. Iedere zondag voel ik mij verkwikt na afloop van de mis. De een belijdt zijn geloof, de ander zijn twijfel, maar we doen dat wel samen. Wat belijdt u, vader?” Bij het uitreiken van de communie had pastoor de zondag erna niet getwijfeld.

Hoe mooi wordt het Gloria gezongen. De kleine, bejaarde vrouw naast me zingt zacht, schril, met bijna gebroken stem, maar uit overtuiging. Waarom raakt me dat? Op de rij voor me zitten twee vrouwen die niet meezingen (kunnen ze dat niet meer?), maar luid rinkelen met een bel. Het geeft nog extra kracht aan het door de volgepakte kerk uit volle borst gezongen ‘Gloria, gloria in excelsis Deo’. Ja, zo was het en zo was het goed, totdat….. Was alles maar in orde gebleken, onaantastbaar.

Het evangelie van Lucas wordt voorgelezen vanaf de kansel, midden in de kerk. De tweede priester loopt er voetje voor voetje heen, de bijbel op schouderhoogte voor zich uit dragend. Iedereen volgt hem, sommigen slaan een kruis als het Boek langs komt.

Daar sta ik, gedraaid en wel, ruim uitstekend boven mijn oude Italiaanse omstanders, allen klein van stuk, en ik luister naar een stuk ‘Valsheid in geschrifte.’ Maar vandaag veins ik oprecht, althans dit uur.

Na de lezing, de preek. Mooi timbre, de priester praat zingend. Veel verschillen in toonhoogte, van gespeeld opgewonden tot bedachtzaam. Genoeg stiltes om zijn woorden kracht bij te zetten. Dan weer stellig, dan weer in vragende vorm en ook zitten er stukjes bij waarin hij zijn stem dimt en laat zakken tot een familiair ‘onder ons gesproken.’ Knap staaltje werk.

Als er weer gezongen wordt, een psalm dit keer, doet me dat opnieuw wat. Het zal het samenhorigheidsgevoel zijn dat er vanuit gaat. Ja, dat is een kern van het samen de eucharistie vieren. De gewone gelovige man en vrouw tillen niet zo zwaar aan wat er gezegd wordt. Dat moet je allemaal niet zo nauw nemen, vinden ze. Maar het geloof geeft rust. Je hoort ergens bij, je hebt een leidraad. Ja, dat hoor ik, dat proef ik. Wie rekent de goedgelovige iets aan?

De katholieke kracht zit in het ritueel en in het de zaken niet zo nauw nemen. Daarom was het afschaffen van de Latijnse mis onnadenkend, want de klant die ineens kon lezen en horen wat men zei, werd dat dogmatische, niet spirituele, zat en kwam niet meer in de winkel.

Alle aankleding, van wierook tot heiligenbeelden en alle fabels, van Maria onbevlekt ontvangen tot de heilige Antonius die je moet aanroepen als je wat kwijt bent, er schuilt een grote potentie in, ook naar de toekomst toe. Rituelen als houvast.

De protestanten wilden geen opsmuk maar leven naar de letter van het Woord. Respectabel, maar nu de bijbel en alle dogma’s ter discussie staan, zitten de ritueelloze kerken in moeilijk vaarwater. Dat laatste voorzie ik in mijn aantekenblokje van een vraagteken, als bijbelvorsende leek. Mijmeringen van een dolende man zijn en blijven het, niet meer en niet minder.

Bij het volgende stukje mis is veinzen niet eens nodig. Om de beurt spreken volwassenen en kinderen een gebed uit. Het ‘red ons Heer’, die smeekbeden, ze komen diep binnen. Ik herinner me mijn pubergebeden op de rand van de uittreding: ‘In Gods naam, grijp in, Heer. Toon uw almachtigheid. Laat de mensen, die niet gevraagd hebben om het leven en om het lijden, niet in vertwijfeling.’ Het bleef stil en de smacht werd woede en daarna kwam het besef dat je niet boos op niets kunt zijn. Hoe mooi wordt hier gebeden! Hoe zou je je daar doof voor kunnen houden?

De eucharistieviering neemt zijn aanvang. De kern van het geloof. De wijn wordt als Zijn Bloed dat voor ons werd vergoten en het Brood als Zijn Lichaam, gekruisigd om ons te redden. Het hoogtepunt van de mis. Dat wij door Hem zijn gered wordt gevierd. Mensen knielen als deze zware, heilige zinnen op gedragen toon, ten teken van ultiem moment van geloof, worden uitgesproken.

Plotseling reuring, een ieder rept zich naar het middenpad om een kerklange rij te vormen van communiegangers. ‘Ik ben er, zie je me,’ dat zit er ook een beetje in. Zoals je ook altijd lieden had die, om te bewijzen dat ze de teksten kenden, één woord voor de gemeente uit baden of zongen.

Ik, zondig verloren zwart schaap, eigener beweging verstoten uit de kudde, blijf zitten. Er is een grens aan het veinzen. En stel je voor dat de hostie, God in brood, weer aan mijn gehemelte was gaan kleven, of dat ik hem met de tanden had beroerd, wat verboden was, waartoe had dat geleid? Zou opbiechten net als toen noodzaak zijn?

Een ieder verzinkt daarna, geknield, de handen gevouwen, het hoofd gebogen, de ogen gesloten, in gebed. Waar bad je voor als ventje? Dat het pappa en mamma goed mocht gaan. ‘Lieve Heer, laat mij ook vlug leren zwemmen, zodat ik mee kan doen als ze tikkertje doen rond het diepe. Ik weet dat ik niet alles kan vragen, maar als Ellen één keer naar me lacht zou ik U zo dankbaar zijn.’

Maar ja, veel langer dan dertig seconden duurde dat niet en dan zat iedereen om je heen nog diep in gebed. Je keek door de oogspleetjes opzij en misschien deed iedereen dat, hoe het zij, je gedachten dwaalden af naar het ponypaardje waarmee die middag gereden ging worden. ‘Heer, kunt u niet regelen dat hij één keer de spoorweg over durft, zodat we niet aan zijn kop hoeven te trekken, dat vind ik zo zielig voor hem.’

Zo denkt een ieder wat natuurlijk. De man voor me, ik schat hem buurtslager, zal wellicht bidden dat de boekhouding die hij na de mis altijd doet, hem geen onverwachte tegenvallers oplevert. ‘God, na deze harde werkweek zou ik vanmiddag graag een toast in Uw Naam uitbrengen op een mooi saldo over de afgelopen week.’

Ik kniel ter completering van het doen alsof en bij gebrek aan gebed pak ik het stuk tekst erbij dat mij bij een eerste lezing zo intrigeerde. Het is stil in de kerk, men bidt en ik lees wat Jezus in het bijzijn van de apostelen zong voor hij werd gepakt door ‘de wetteloze joden, die de wet werd voorgeschreven door een wetteloze slang:

“Glorie aan U, Vader.” En wij die in een kring rondgingen, antwoordden hem: “Amen.”

“Glorie aan U, Woord.

Glorie aan U, genade.

Glorie aan U, Geest.

Glorie aan U, Heilige.

Glorie aan U, Glorie. Amen.

….Die niet danst

begrijpt niet wat er gebeurt. Amen.

Ik wil vluchten

en ik wil blijven. Amen.

Ik wil geordend worden

en ik wil ordenen. Amen

Ik wil één worden

en ik wil één maken. Amen

Ik heb geen huis

en ik heb vele huizen. Amen

Ik heb geen plaats

en vele plaatsen heb ik. Amen

Ik heb geen tempel

en vele tempels heb ik. Amen.

Een licht ben ik voor jullie,

Jullie die mij zien. Amen.

Een spiegel ben ik voor jullie.

Jullie die mij kennen. Amen.

Een deur ben ik voor jullie.

Jullie die bij mij aankloppen. Amen.

Een weg ben ik voor jullie

Die dolen. Amen.

….

….

Wie ik ben zul je weten als ik wegga.

Wat ik nu schijn, ben ik niet.

Wat ik ben zal je zien als je komt.

….

….

Niets van de dingen waarvan ze zullen spreken heb ik geleden. Integendeel, dat lijden wat ik jou en de anderen getoond heb bij het dansen, wil ik een geheimenis noemen. Want wat je bent, zie je. Dat heb ik je laten zien. Want wat ik ben weet ik alleen, niemand anders. Laat mij dan hebben wat van mij is. En wat van jou is, zie dat door middel van mij. Kijk naar mij op een waarachtige manier, dat ik niet ben wat ik zei, maar wat jullie in staat zijn te begrijpen, omdat je ermee verwant bent. Je hoort dat ik lijd, maar ik lijd niet, niet lijdend en toch lijdend, doorstoken en niet geslagen, hangend en toch niet gehangen, bloedend en toch niet bloedend. Kortom: wat ze over mij zeggen is mij niet overkomen en wat ze niet zeggen, dat heb ik geleden. Wat dat is heb ik jullie in het geheim toevertrouwd, want ik weet dat je het zult begrijpen…”

Bovenstaand fragment komt uit de Handelingen van Johannes. Op een synode in 787 na Christus werd verordonneerd dat niemand dit boek over mocht schrijven en dat het in het vuur gegooid diende te worden. Zoveel andere fascinerende handschriften, fragmenten tekst en bijbelrollen die oorspronkelijk zijn en een andere Jezus laten zien, zijn later verketterd.

De mensen om mij heen in deze San Maria basiliek die ik dit uur liefheb als mijn ouders zouden de schouders ophalen als je erover vertelde. ‘Het is zoals het altijd gezegd is. Waartoe zou die nieuwlichterij moeten leiden? Laat ons gelukkig zijn in ons geloof.’

Dan gebeurt er iets dat ik in Havana voor het eerst meemaakte, wat ik niet ken uit mijn gelovige jeugdjaren: iedereen schudt buurman of –vrouw blijmoedig de hand. Soms met een omhelzing erbij. Er hangt een vrome, uitbundige euforie in de kerk. Het voelt goed. Het is dat bontmantelmevrouw met lila haar een halve meter kleiner is, anders had ik er ook graag een omarming tegenaan gegooid. Je loopt maar alleen door dat Rome, wat fijn is het dan om een knuffel van iemand te krijgen die nóg meer op leeftijd is. ‘Kom hier, lieve jongen, kom, dan krijg je een zoen van me.’

Ik herken het gevoel van blijheid, van opluchting, van het je schoon voelen, in warme gemeenschap met anderen, met nog een lekkere zondag voor de boeg.

De slotzang wordt ingezet en alle gelovigen begeven zich naar het middenpad om een erehaag te vormen voor de heren en misdienaars die onder geklap afgaan.

Buiten groepen mensen samen, er wordt gelachen en de laatste buurtnieuwtjes van Trastevere worden uitgewisseld. In het aan de andere kant van het plein gelegen spijslokaal is een half uur lang sprake van een geanimeerde topdrukte.

Even één ochtend de scherpe blik loslaten, erbij horen, bij de mensen die ik lief heb, de goedgelovigen, die al die vragen die hun geloof zouden verwoesten liever niet stellen, gewoon, omdat ze al een leven lang zo leven en het zo goed is. ‘Nee, ben je dan beter af als socialist of zo, of als atheïst, nee hoor, lijkt me zo armoedig. Komen jullie woensdag nog naar het middenstandsfeest in de Stadsgehoorzaal trouwens, moet je doen, knalgezellig wordt het weer.’

Het is goed zo, dit veinzen voor eventjes. Goedgemutst sla ik mijn espresso achterover, verorber een plak chocoladecake, drink een glas water en ga terug de werkelijkheid in.

De kerk loopt alweer vol. Sjonge, direct weer een mis? “Ja, in herinnering aan een oude dakloze vrouw met de toepasselijke naam Modesta die rond station Termini zwierf en die op straat stierf al smekend om hulp. De gemeente van Sant Egidio is daaruit voort gekomen, handelend naar het Woord, de armen helpend. Ook na deze mis zal er een maaltijd zijn voor daklozen, waarvan ik er inderdaad een aantal stinkend en wel op de achterste bank zie zitten.

Valt met deze naastenliefde te leven? Heel goed, hoeft geen veinzen aan te pas te komen. Nu nog God uit het verhaal durven schrappen en de goede richting is definitief ingezet. “Waar heb je het over,” zegt ze verbolgen. “We doen juist goed uit Zijn Naam.”

De zondag verglijdt verder in telkens weer heroverwegen. Gaf het pas? Mocht ik dit eenmalig verweken toestaan? Hoe past dit in de hoognodige kaalslag die ik uit wil voeren teneinde een onkruidvrije, vruchtbare akker over te houden?

Het mag, het mocht. Uit compassie. Niet, nooit met zij die weten, of die kunnen weten, maar die altijd weer een fata morgana scheppen en daarmee de woestijn die ons omringt.

Hoogmoed? Blindheid? Is dat fata morgana in al zijn rituele loosheid niet ‘meer dan niets’? Wil ik de stutbalk die zij vormt van ons huis niet zien? Wil ik haar goede daden niet tellen? Wil ik haar grommen als waakhond, dat het beest in ons nog enigszins temt, doen verstommen?

Laat mij dolen, laat mij straks bouwen op de Onwetendheid, laat mij dromen van een kathedraal van louter vreugde. En wees ooit welkom.

5

De bloedrode draad

Kloppen op de hemeldeur, aan dit mooie lied moet ik denken. Nou ja, het is een kerkdeur, althans van het gasthuis dat daarbij hoort. Maar zo, na een nacht vliegen, is het een stukje hemel op aarde dat uiteindelijk door een slaperig hoofd wordt geopend.

De man voor me in het vliegtuig droeg een wit keppeltje op een hoofd, waarvan de achterkant kaal geschoren was. Aan weerszijden van de harde ogen lange bakkenbaarden. Hij heeft geen boodschap aan mijn vraag of hij zijn stoel iets omhoog kan zetten. Mijn zorg dat ik lange stelten heb.

De veiligheidscontrole in Tel Aviv stelde niet meer voor dan elders. Mooi, tijd gewonnen, laat, moe. De shuttle naar Jeruzalem deelde ik met zes vrouwen en een rabbi. Het reusachtige stuk vlees naast me stonk naar zweet.

Het bed in het Schotse gasthuis slaapt inderdaad als een hemelbed, maar het kamermeisje dat na amper twee uur rust aanklopt vind ik even geen engel.

Door de Jaffapoort betreed ik de oude stad. Eerst weer even als altijd overal gronden, wortelen, gewoon wat lopen, wat zeg ik, schuifelen, wat zeg ik, om de meter staande gehouden worden. El Bazar in, dan na nog geen tweehonderd meter linksaf de Souk El-Attarin in, richting de Via Dolorosa. Dat vraagt tijd. “You, Holland.” “Yes.” “You see my shop?” “No.” “Why no.” “Later.” “Today I give special price.” “No.” “Okay, come in, you only take businesscard, for later, okay. You want tea, coffee?” “No, just give me your card.” “Sit down, you are my friend. You have a wife? Look, beautifull, real gold. You are lucky, today is bad for business. I give good price.” “Just give your card, than I go, okay.” “Look, you from Holland. Holland allways support us. You don’t buy, you support me, okay.”

En dat winkeltje na winkeltje. Aaneengeregen vormen die een handel van alles en nog niks, al zit er her en der mooi spul tussen. Na één keer reageren, na één winkelbezoekje weet je het weer, doorlopen. “Hey, you, how are you today? Hey, you, listen. Hey, mister, I am talking to you. You, Holland? Allemachtig, prachtig.” Waarna het vloeken volgt. Dat zou vele malen harder zijn als ik hem mijn rijmpje op ‘achtig’ zou oplepelen.

Altijd weer is het gemier, geduw en getrek in zo’n doolhof van kleine neringdoenden overweldigend. Ben je een tikkeltje claustrofobisch, dan moet je er niet zijn, ben je goedgeefs ook niet. Anders, als je je opgenomen durft te weten in die wirwar van overdekte, armbrede straatjes, voelt het zelfs veilig aan, warm, beschut.

Die geuren, pittig zat, van zoveel kruiden die je niet kent en van versgeslacht vlees, waaruit het bloed nog sijpelt over de straatstenen. Die kleuren: het felle geel en rood van het suikergoud, het brons van de menora’s, het goud van de kunstzinnige sieraden, het roze van haar strakke legging, het zwart van haar nikaab.

Vrouwen met artistieke zijden shawls, vrouwen geheel gesluierd, half gesluierd, vrouwen met lange zwarte jurken, strak gesloten of juist openstaand met eronder een niets verhullende, strakke trui. Mannen met baarden, met een tulband, met een nette hoed, een ijsmuts, een Arafat-outfit, een joodsorthodoxe hoge zwarte hoed. Aan het hoofddeksel herken je in Jeruzalem de man.

Geen impressie die ik niet koester, niet opsla. Ja, ik zie heus wel dat ik in een stad met een rijke cultuur ben, een bolwerk van relikwieën uit een lang en roerig verleden. Maar mijn reis gidst u niet door dit grote 3000 jaar oude monument. Enkel en alleen om mijn missie van het ontrafelen, van de kap, van het beschrijven van de totale verwarring, te voltooien ben ik hier. Daarom is mijn tred, hoe langzaam ook, vastberaden. Hier, in dit centrum van luttele vierkante kilometers komen de drie monotheïstische godsdiensten, het jodendom, het christendom en de islam, samen. Geen betere plek om stil te staan bij de vele vormen van waarheid die elkaar noodzakelijkerwijs uitsluiten. Ik ben op weg naar de Via Dolorosa.

In deze ‘Weg der smarten’ zou Jezus zijn laatste stappen voor de kruisiging hebben afgelegd. Met deze kruisweg – en nog vele andere Christelijke kerken en instituten – is de nog steeds Islamitische wijk na de kruistochten gekerstend. Historisch mag er geen bewijs voor de juistheid van de route zijn, hij mag vele malen verlegd zijn, nu kun je in de Via Dolorosa de veertien staties van de lijdensweg nalopen, al dan niet met een gehuurd kruis.

Ik ben op tijd, vrijdagmiddag drie uur, het tijdstip waarop de franciscaner monniken hun processie langs de staties lopen, eindigend in de Heilig-Grafkerk. “Er is geen processie vandaag,” weet de broeder aan de poort van het klooster te melden. “Waarom niet?” Hij haalt de schouders op. “Er zijn spanningen, zoals u weet.” Ja, daar had ik op Internet over gelezen. Maar in Rome, veilig, met een cappuccino erbij. Als ik de straat nog wat verder uit wil lopen, waarschuwt hij: “Daar is het niet veilig, meneer.”

Met het ‘ben je wel voorzichtig, papa’ van de kindjes nog in de oren schuifel ik toch voorzichtig naar de hoek van de straat. Niets te zien, op het eerste oog. Dan hoor ik ineens heftig geschut. Tientallen soldaten rennen langs me heen, zwaar bewapend, mitrailleur in de aanslag. Eén test wat traangas uit. Om te huilen allemaal.

Ik ga niet weg. Voor het eerst maakt de vreemde sensatie zich van me meester aanwezig te zijn bij ‘iets dat er echt toe doet.’ Weg willen wezen en toch blijven. De verlokking van gevaar, jawel, maar het is toch prettig dat een Turkse journaliste me plotseling een gooi geeft. Een steen, groot als een tennisbal, mist me nu net. Wel op blijven letten.

Een blik in de steeg als het even rustig is. Verderop hebben jonge Islamieten een verschansing opgeworpen vanwaar zij de vijand die zij haten stenigen dan wel beschieten met katapultknikkers, ervoor branden twee autobanden. De Israëlitische soldaten staan er scherp maar gelaten bij. Als de brand groter wordt, volgt ineens een charge. Als buit wordt een jochie opgebracht. Het ventje is niet bang, blijft schelden.

Wonderlijk genoeg verjaagt niemand mij, de toerist met camera en blocnote. Ik volg de jongen die door twee man vijftig meter verder een politiehok wordt ingeduwd. Ik hoor het kind huilen, zie zijn vader tieren en smeken voor de deur, schrik van de doffe dreunen elders in de stad en kijk naar de soldaten voor wie dit een routineklus is. Hoe kort ben ik nog maar hier en hoe vol raakt me dit.

Dan stormt de ondervrager met een rood hoofd naar buiten en schreeuwt wat. De Turkse, opvallend genoeg ook gehuld in groene gevechtskleuren, legt uit: “Hij is woedend omdat deze jongen gisteren ook al opgepakt is en omdat hij te jong is, elf, om hem gevangen te zetten.”

“Komt het ooit goed, denk je?” “Ik zeg nee. De haat wederzijds is te groot. Een basis om te praten is er niet meer. Het gaat nu om een brug die de Joden aan willen leggen bij de Maghrebpoort, één van de poorten die toegang geeft tot de Tempelberg, waar, zoals je weet onder andere één van de beroemdste moskeeën staat, de El-Aqsa. De moslims vertrouwen dat niet, zijn bang dat er gegraven wordt tot onder hun heiligdom, welk wantrouwen de joden simpel weg hadden kunnen nemen door er Islamitische archeologen bij te vragen.”

Terwijl we praten klinken de schoten luid. Even verder bestormt de politie de Tempelbeg. Er vallen meer dan twintig gewonden, gekwetste harten niet meegeteld.

Het zal allemaal zo zijn, of niet, maar laat maar, ver voorbij de kern allemaal. Veelzeggend dat het gaat om het slaan van een brug. Waarom gooit een jongen van elf stenen naar een grote man die hij haat? Waarom valt de minimuis de reuzenkat aan? Bedoelen beiden het goed of slecht? Waarin zit het misverstand? Wat zet altijd weer het vliegwiel der catastrofen in beweging?

Het is februari, einde middag en koud. Lichaam en geest zijn verkild. Geen zin meer en te laat om de kruisweg nog te doen. Genoeg aan mijn vraagteken. Ik slenter terug naar het gasthuis. Zal ik ergens op een muur kalken: ‘Don’t kill under my name, God’? Wat zal dat doen met de man die het waarneemt op één van de vijfentwintighonderd camera’s die de oude stad voortdurend in het oog houden?

Genoeg voor vandaag. Eten, wijn, slaap, vergetelheid.

Zaterdag, sabbat. De dienst woon ik bij in de Great Synagogue, een groot gebouw in het nieuwe deel van de stad. Het is vroeg, acht uur, maar er stroomt veel volk toe. Vooral mannen, conservatieve en orthodoxe joden, weinig liberale, aan de kleding te oordelen. Mobiel en camera afgeven, wit keppeltje op, steekt fijn af tegen de zwarte broek en trui die ik voor de gelegenheid heb aangedaan.

Het gaat er ongeordend aan toe, zo op het oog. Maar toch ook weer niet, want feilloos weet een ieder op welk punt de dienst zich bevindt. De een zit, de ander staat, de derde schudt heftig met het bovenlijf, een ultraorthodoxe man met hoed staat dwars en wiegt naar een muur. Mannen lopen rond, knopen een praatje aan, gaan verzitten, maar zingen dan als bij toverslag de mooiste zang mee. Wat een prachtkoor.

De dienst duurt lang. Na dik twee uur zit ik er nog. De volle overtuiging van alle gelovigen is dezelfde als die ik nog geen zes dagen geleden in de San Maria basiliek meebeleefde. Geen verschil in de essentie: je gelooft in een boek, het Oude of het Nieuwe Testament. Jezus was een profeet zeggen de joden, nee, hij was de zoon van God, vinden de christenen. Ik denk: of de Messias nu wél of niet gekomen is, aan de beroerde gang van zaken is weinig veranderd.

Wordt daar met snoep gegooid? Een paar toffees vanaf het balkon, vanwaar de vrouw de dienst mag bijzitten, maar het meest toch door de jongens in de synagoge. Daar had ik me al over verbaasd dat die hele zakken tandbederf kregen, want zo stil waren ze niet. Liet je vroeger in onze kerk in een zijbeuk één scheetje, nou, dan werd je mooi vanaf het altaar tot de orde geroepen.

Het blijkt het Bar Mitswa te zijn, het moment dat een jongen van dertien, zeg maar voor hij bij zijn volle verstand is, wordt opgenomen in de geloofsgemeenschap. Hij gaat zelfs op de schouders, waarna er onder gezang polonaise door het middenpad wordt gelopen. Enkele meisjes drentelen er omheen. Tot hun twaalfde mogen die tussen de mannen verkeren. En verder leest u het zelf maar na, geloofsgids ben ik evenmin.

Weet het belangrijkste: gelovige joden leven volgens dingen die op papier staan. In de Thora, de Mishna en Gemara staat toch achter de komma wat je moet doen en laten. Wel fijn, je hoeft zelf weinig uit te zoeken.

Ik kijk en zie. Het is zoals het is. Slechts respect past, maar het venster van mijn zieltje beslaat er zo vroeg op de dag al een beetje van. De ene jongen van elf gooit stenen en zijn joodse leeftijdgenootje naast me staat al drie kwartier te schudden en prevelt voor zich uit. Wie gelooft er in de juiste zaak?

Op naar de Klaagmuur, de meest heilige joodse plaats, een belangrijke bedevaartsbestemming. Ik zie een blinde muur. Gods blinde muur? Een steunwand is het eigenlijk van de Tempelberg, waarop ooit de Heilige Tempel van de joden stond die door de Romeinen in 70 na Christus werd verwoest. Aan het klagen daarover dankt de muur zijn naam.

In het midden van het plein staat een scherm, rechts ervan treuren de vrouwen, de mannen links. Er zijn er die lezen dagelijks het gehele boek Psalmen op. Zijn dat de lui die er vlak voor de muur op witte plastic stoeltjes maar bij zijn gaan zitten?

Dat doe ik ook. Om dicht bij de briefjes te zijn die, voorzien van een bede of een verzuchting, in de scheuren van de muur worden achtergelaten. Onlangs heeft een rabbijn bepaald dat die briefjes niet langer verbrand mogen worden. Papier, woorden erop, hoop, hoe groots en aandoenlijk kan de mens in zijn angst en wanhoop zijn. Nee, geen enkel recht heb ik een briefje achter te laten.

De weg terug naar het startpunt van de Via Dolorosa neem ik via de Joodse wijk. Kalm, welvarend, goed georganiseerd. Bordje op de muur: ‘Help ons de buurt rustig en schoon te houden.’ ‘Neven zijn het, de Joden en de Palestijnen’, zei mijn Turkse beschermengel, ‘loten aan dezelfde stam met zoveel gemeen.’ Loop van het Hurva Square in luttele minuten naar de Islamitische wijk en zie hoezeer de neven elkaar ontgroeid zijn.

Ik besluip de lijdensweg met een omweg, wip even de Marcus kerk binnen, het centrum van de Syrisch-orthodoxe gemeenschap, pik een stuk David Street mee en bevind me dan weer dicht bij de Jaffa-poort, waar de soldaten, nog steeds overvloedig aanwezig, alle heiligs beschermen. Via het Latijnse seminarie kom ik uit bij het Museum van het Grieks-orthodoxe Patriarchaat.

Mijn goede Capitool Reisgids haal ik erbij, het begint me te duizelen. Hier staat het: ‘Er zijn niet minder dan zeventien verschillende kerkgenootschappen in het oude Jeruzalem met een kerk of ander onderkomen vertegenwoordigd.’

Dat zou nog eens een lijdensweg zijn, om al die zeventien predikers van de Waarheid aan te doen en met een vertegenwoordiger van iedere sekte een gesprek aan te gaan, zo lang, urenlang, dagen- desnoods jarenlang, totdat die priester, pater, rabbijn, patriarch of imam, of wat dies meer zij, toegeeft dat al die Waarheden elkaar ontkennen, dus feitelijk ontkrachten. Maar het is nog te vroeg voor deze overpeinzing, eerst gewoon nog maar even ervaren, u laten meebeleven, zodat u, zijnde bij zinnen, zelf kunt oordelen.

Eenmaal aangekomen bij de start van de kruisweg doemt het besef op dat ik om de chronologie van Jezus’ laatste dagen goed te houden eerst een bezoek moet afleggen aan de Olijfberg. Nee, ik ga niet naar alles kijken. Teveel momenten zijn aangegrepen om het religieuze circus op deze berg aan te kleden. Het Graf van de Profeten, het Graf van Maria, de Moskee van de Hemelvaart, de plek waar Jezus met lichaam en al, herrezen uit de dood, ten hemel voer, ik besluit deze symbolische, heilige plekken te laten voor wat zij zijn.

De hof en de grot van Getsémane wil ik bezoeken, de plek waar Jezus uit angst voor wat ging komen bloed zweette en verraden werd door Judas. ‘Vader, indien Gij wilt, neem deze beker van mij weg; doch niet mijn wil, maar de uwe geschiede! En Hem verscheen een engel uit de hemel om Hem kracht te geven. En Hij werd dodelijk beangst en bad des te vuriger. En zijn zweet werd als bloeddruppels, die op de aarde vielen….’

Altijd iets gehad met dat moment van zwakte van Jezus. Zo menselijk. Kon het maar waar zijn, dat Iemand ooit door zijn leven te geven onze zondeval wegneemt en dat ons na ons aardse geploeter een Hemel wacht. Hoe goed begrijp ik de overgave waarmee de jonge vrouw voor me zich buigt om de rots te kussen waarop het gezwete bloed van Jezus zichtbaar zou zijn. Maar voor onwaar moet je al die aangrijpend mooie verhalen wel houden.

Als Jezus er altijd al was, had hij dan niet de Vader kunnen verzoeken: “Uit liefde, omdat u weet dat komen gaat smeek ik U: ‘Laat deze kelk aan de mens voorbij gaan? Schep hen niet.”

Van boven op de berg heb je een mooi uitzicht over het oude Jeruzalem. Het gouden dak van de Rotskoepel blinkt in de zon, links ervan de El-Aqsa-moskee.

Van boven is het ook een pittig eind dalen als de taxichauffeur de prijs ineens verhoogt en ik dus uitstap.

Maar náár boven zal veel zwaarder zijn. En tot die inspanning zie ik, beneden aangekomen, een oude Palestijnse man veroordeeld worden als zijn pasje door een Israëlische soldaat als niet correct wordt beschouwd om hem over de hoofdweg te laten wandelen naar zijn huis.

De ene mens moet een pasje laten zien aan de ander en moet smeken om doorgang, terwijl de andere mens in het gesprek niet te vermurwen blijkt. Zou het tijdwinst voor beiden zijn als de Palestijn voortaan een teken op de borst draagt dat direct duidelijk maakt dat hij wel mens is, maar lang niet over alle menselijke rechten beschikt?

Als ik doorloop, terug naar de Stammenpoort, die mij weer toegang tot de oude stad verschaft roep ik mezelf tot de orde: niet gidsen, noch door de stad, noch door de religieuze diversiteit, noch door het politieke landschap. Niet de arrogantie hebben om na luttele dagen gewoontegetrouw snel even partij te kiezen voor de underdog, de Palestijn. Valt buiten mijn competentie. Mijn missie hier is een andere. Het hemd ontrafelen op zoek naar de Rode Draad, de met bloed doordrenkte draad, wel ja, of het nog een onsje pathetischer kan.

De eerste negen staties werk ik een goed tempo af. Maar een rugzak is dan ook een te verwaarlozen last. Zo tegen het eind van de middag besteed ik uiteindelijk de meeste tijd aan het doorlichten van de Heilig-Grafkerk, de laatste vijf staties van de lijdensweg.

De eerste versie van de basiliek werd in de vierde eeuw op instigatie van de Romeinse keizer Constantijn gebouwd. In 1009 werd hij verwoest, want altijd is er wel een reden waarom de een iets van de ander kapot wil maken, waarna de kerk werd herbouwd door de Byzantijnse keizer Constantijn Monomachus. De kruisvaarders hadden na de strijd nog puf over om het heiligdom uit te breiden. Na een brand en een aardbeving werd hij opgeknapt en in zijn huidige staat gebracht. Opdat duidelijk is, dat de historie van de Heilig-Grafkerk ver terug gaat. Ook schijnt er een miniem bewijs te zijn dat de kerk inderdaad op de plaats van de kruisiging is gebouwd. Of daarmee ook alle claims op heilig dit en heilig dat waargemaakt kunnen worden, ach. Aan de betekenis van dit belangrijkste Christelijke pelgrimsoord kan niet getwijfeld worden.

Het interieur beschrijven doe ik niet. Het geheel vormt zeker geen simpele trap naar de hemel. Reconstructies, toevoegingen, de basiliek oogt als een doolhof. Bekend terrein.

Aan de levensechte verwarring draagt ook het beheer bij: die is na lange strijd neergelegd bij de Armeense, Griekse, Koptische, rooms-katholieke, Ethiopische en Syrische christenen. Jezus zou zich in zijn graf omdraaien als Hij het wist. Oh nee, kan niet, nou ja, ontevreden brommen dan aan de zijde van zijn Vader.

Een willekeurige greep. Er is de Kapel van Adam, die tegen de rots van Golgotha ligt. Want Christus zou zijn gekruisigd op de plaats waar de schedel van Adam, de eerste mens, begraven ligt. Er wordt gebeden.

Dan Gogotha zelf, de Schedelplaats, de Calvarieberg. Jezus werd hier gekruisigd, zeggen anderen. Er staan twee kapellen, eentje naar Grieks-orthodox model en een kleinere katholieke. Door een gat in de vloer van het altaar van de Griekse kapel kan de kruisigingrots worden aangeraakt. In beide geestelijke onderkomens wordt gebeden.

De trap naar de Helena- en Invento Crucis-Kapel neem ik daarna. Hier vond de heilige Helena het Ware Kruis. Er wordt gebeden.

Op het dak van de kapel schijnt een nederig Ethiopisch klooster te staan. Daar naartoe werden ooit de Ethiopiërs verbannen nadat zij belastingen niet konden betalen. Sommige dingen veranderen nooit. Slaan we over.

De veelheid aan soorten geloofsbeleving begint te benauwen. In allerlei gewaden zie je geestelijken door het complex schrijden. De lust vergaat me nog te snappen wie welke stroming vertegenwoordigt.

Twee heilige plekken wil ik tot slot met eigen ogen aanschouwen: de Steen der Zalving en Christus’ Graf.

De Steen ligt er pas sinds 1810, maar alweer, dat doet niets af aan de betekenis van de plek. Er wordt herdacht dat Jezus na zijn dood werd gezalfd en in doeken gewikkeld. Boven de steen staat een bescheiden stellage waaraan acht peervormige stenen lampions hangen. Zoals de hele kerk is ook deze ruimte amper verlicht.

Ik kijk toe, geloof niet wat ik zie, maar dwing mezelf om te blijven staan. Van over de gehele wereld zijn mensen naar hier gekomen om zich te verdringen om deze steen. Van de gladde grijze plaat zou een zegenende kracht uitgaan. Mensen liggen er langdurig met hun hoofd op, drukken een foto op de steen, of een tas. In die tas zit misschien wel een portemonnee flitst het door mijn niet zo goedgelovige hoofd.

Geen plaats aan de steen blijft leeg. Mijn blocnootje erop leggen in de hoop dat de aantekeningen tot fijne zinnetjes mogen leiden? Geeft geen pas. Toekijken, observeren, mag, niet deelnemen aan een spel waarvan je de regels niet accepteert.

Een oude vrouw wordt door twee dochters met pijn en moeite tussen haar krukken vandaan getild en half op de steen gelegd. Van haar gerimpeld gezichtje straalt een wonderlijke mengeling af van verdriet en gelukzaligheid.

Twee Nederlands sprekende vrouwen komen gearmd binnen, ieder een houten kruis voor de borst. Ze knielen langdurig en leggen het kruis, dat later natuurlijk het huis moet zegenen, vol devotie op de plaat.

Ik kijk naar mensen. Zou er nooit in die hoofden opkomen dat deze franje, dat geloven in de zegening die een steen kan brengen, meer voorstellingsvermogen vraagt dan waarover een weldenkend mens hoort te beschikken? Blijkbaar niet.

De beleving is oprecht, al vindt ze voor een nuchter denkend mens in een ander universum plaats. Maar moet ik het luide jammeren, de bittere tranen die de vrouw schuin voor me op de steen plengt dan afdoen als nep?

Na een foto wel tien minuten op de steen te hebben gedrukt, staat ze op. “Het doet u veel”, zeg ik maar, als ze toevallig naast me komt staan. “Die foto is van mijn dochter, zij is ernstig ziek. Dat deze steen haar leven mag redden.”

Bij de schrijn rond het graf van Christus neem ik opnieuw een observatiepunt in. In het Heiligste der Heiligen bedekt een marmeren plaat de plek waar het lichaam van Jezus lag. Geloof het, of geloof het niet.

Voor de ingang staat een luidruchtige geestelijke, bijgestaan door een potige, niet geestelijke uitsmijter, die opdringerige gelovigen op een afstandje houdt. “You, go away. Go. Go.” De mensen deinzen terug, in de buurt van deze plek kijk je wel uit om niet te gehoorzamen.

Dan blijkt voor wie hij de weg naar het graf vrij maakt, voor een groep, zo schat ik in, Grieks-orthodoxe hogepriesters, die al op de grond stampend met een stok het heiligdom benaderen. Dat doet een aantal mensen nederig op de knieën vallen.

Tijd om naar buiten te gaan. Frisse lucht.

Maar buiten is alleen de lucht winterfris, verder niets. Telkens benaderen weer nieuwe horden gelovigen de kerk. En zo zal het altijd gaan. Er ligt een steen op mijn hart. Hoor toch, hoor toch. De kerkklok luidt, naast me zingt een jonge man knielend zijn gebed, in de verte hoor ik dreungranaten om de stenengooiers te verdrijven, maar boven dit al schalmt de oproep tot moskeebezoek uit.

Zou het u net als mij teveel zijn? Ik ga zitten en probeer op adem te komen. Respecteren moet, ik blijf het mezelf inpeperen, maar, ai, hoe zwaar valt het om de volle overgave te zien van zo velen aan wat ik beschouw als een wortel van veel kwaad.

Verdrietig, mag ik dat eufemisme gebruiken, druip ik af. Het zal nooit goed komen. Even lukt het niet mijzelf met ‘jij lijdt niet echt, jongen, jij verzint de narigheid zelf, innerlijke onvrede is het’ tot de orde te roepen.

Hoor toch, hoor toch die kakofonie van waarheidsgetetter aan. De complete chaos in decibellen.

Kunnen we deze hele plek niet schoonvegen? En kunnen we al die hoofden ooit nog schoon krijgen, ontdaan van alle waanbeelden?

Ik ken het antwoord en dat is ‘nee, nooit zal er wat veranderen.’ Altijd, zo lang het duurt, zal de mens voortmodderen in zijn achterlijke poel van Onwaarheden. De een bedot willens en wetens, de ander laat dat willens en wetens toe. De bloedrode draad is die van de angst, die als een hoer wordt geëxploiteerd.

De soldaten aan de poort grappen, uit een passerende auto dreunt house, in het parkje richting gasthuis zingt een late vogel. De avond is nog lang. Wanneer zal hij komen?

“Wie slecht observeert, ziet niets.”

“Alles zien, alles onder het vergrootglas der werkelijke werkelijkheid.”

“Willen zien leidt slechts af.”

“Mijn waanbeeldenstorm moet voltooid.”

“Zag je mij vandaag? Ik liep naast je.”

6

Uit naam van

“Vind je het erg als ik erbij kom zitten?”

“Nee, wees welkom.”

Kort haar, vriendelijke ogen, kon ik een vermoeden hebben?

Lekker weer, mooi hotel, rustig, prima gelegen, vlak bij oud en nieuw Jeruzalem en dan het onvermijdelijke:  “Ben je hier voor je werk, of als toerist?” Mijn antwoord laat ik beleefdheidshalve volgen door: “En jij?”

Dat had ik beter achterwege kunnen laten, die wedervraag. Hij studeerde hier ooit, komt uit Engeland, nee, heeft weinig met de officiële religies, maar houdt er wél een directe band met Jezus op na.

Zo vroeg op de dag al. Hij vraagt of ik een doel heb in mijn leven. Eerst die hap broodje ei wegwerken en een slok thee nemen: “Nee, heb ik niet.” Heel even die glimp meelei in zijn ogen. “En jouw doel? Wat moet jij doen van jouw Jezus?” “Weet je, ik heb hem dat gevraagd. Ik vroeg: ‘Heer, zeg mij wat te doen.’ Zijn antwoord was niet, doe dit wel, doe dat niet, maar ‘houd van mij’.”

Irritant antwoord. “Is jouw God almachtig?” “Ja, natuurlijk.” “En kijk jij nooit om je heen?” “Dat is wat de mens ervan maakt, waar hij uit vrije wil voor kiest. Je weet van Adam en Eva en de zondeval.”

Ik sluit mijn ontbijt voortijdig af. Genoeg hierover. Liever had ik alleen gezeten en in stilte de nacht herbeleefd. De eerste diepe, langdurige droom. Angst, doodsangst, vanuit het niets worden mensen verslonden, weggenomen. Door wie, waardoor? Een vrouw gaat een deur door, waarachter het Gevaar, het Monster schuil gaat. Ik schreeuw, smeek haar terug te keren. Met vreesachtige ogen kijkt ze me aan, maar gaat toch naar binnen en trekt de deur dicht. Nasidderend, badend in het zweet wakker worden. Toch weer in durven slapen en dan zomaar, vijfendertig jaar na zijn dood, vader ontwaren. Hij zijgt ineen van pijn, ik weet dat hij gaat sterven, haal een dokter. Als ik terug kom, is hij toch weer opgestaan, wankelt en omhelst mij.

Waarom nu deze dromen? De stad maar in.

“Als je een kans wilt hebben om de El-Aqsa-moskee toch te bezoeken moet je speciale permissie vragen bij de beheerraad van de Haram esh-Sharif, de Tempelberg.”

De vriendelijke man van het toeristenbureau duidt me op de kaart waar ik in de Islamitische wijk moet zijn. Buiten ga ik even op de stoep zitten om mijn route te bepalen. Direct vijf jonge Arabische ventjes om me heen. “You give money, now,” schreeuwen ze. Een maakt een vechtbeweging, een ander begint te plukken aan mijn tas, ik schrik van de harde, nu al kille blik in hun nog geen tien jaar oude ogen. “En nu opgehoepeld.”

Even verder rijdt een taxi zo recht op me af dat ik opzij moet stappen om niet overreden te worden. “You, taxi? Go to Bethlehem?” “No.” Hij rijdt een rondje en herhaalt de aanval. “Go to sea? Go to desert?” “You go to desert and stay there for 40 days, okay?”

Toch eerst even proberen om via de Maghreb poort de Tempelberg te betreden, je weet nooit. Ik passeer de Citadel, dat bewaar ik voor een volgend missieloos bezoek. Net als het Verbrande Huis, met zijn geblakerde muren. Dat af fikken deden de Romeinen, die hadden een goede reden – vonden ze – om alle joden in de toenmalige buurt uit te moorden en hun huizen in brand te steken, na die eerst geplunderd te hebben uiteraard. Is later een gewoonte geworden.

Vlak bij de Klaagmuur ontdek ik een lagere school. Bewaker voor de deur, ter beteugeling van het reële gevaar dat iemand er de brand in zou willen steken. Schieten we op?

Staand op het Western Wall Plaza heb ik zicht op de omstreden werkzaamheden aan wat een nieuwe toegangsbrug moet worden naar de Tempelberg. Die zijn niet in volle gang, maar in heel gecontroleerde gang. Archeologentempo, zeg maar. Want een grote doorn in het Islamitisch oog is de mogelijkheid dat resten worden opgegraven van de Joodse Tempel die er ooit moet hebben gestaan. Dat zou de historische claim op de plek – er zijn Joden die vinden dat de El-Aqsa-moskee en de Rotskoepel afgebroken dienen te worden en vervangen door een nieuwe Joodse tempel – verder leven inblazen. Maar voorlopig is er alleen een Islamitische gebedsruimte gevonden vlak voor de Klaagmuur en hield Israël dat drie jaar geheim.

Nee, geen doorgang. Maar wél even foto’s maken van de overdaad aan soldaten op het plein. En ook van de groep jonge mannen die niet al te ver van de muur uitbundig zingend een rondedans maken. Ze blijken in opleiding om toe te treden tot een elitecorps van het leger. Vanaf het vrouwengedeelte van het plein wordt mee gejoeld met de dansers. Joodse mannen, joodse gezangen, joodse trots, joods groepsgevoel, joodse bereidheid om tot de dood te vechten voor de plek die zij nu eindelijk hebben, dat alles druipt er vanaf. Begrijpelijk, tegelijk beangstigend in zijn fanatisme. Hetzelfde gevoel had ik ooit kijkend naar de duizenden Noord-Koreanen die in een massabijeenkomst hun Leider, Kim Il Sung, toezongen. Zoals het er ook in de begindagen in Cuba op het Plein van de Revolutie aan toe moet zijn gegaan als Fidel sprak. En ergens anders ooit, maar dat zal ik vanmiddag zien.

Ik kan aan het eind van Ala Ed-Din naar het Beheer van de Tempelberg willen, daar heeft die man in het blauw met pistool weinig mee te schaften. Ik druip af en ga ergens anders op zoek naar een moskee.

In het Islamitische deel, lopend door El-Wad richting Damascuspoort kijk je je ogen uit. Weinig kruizen, veel daghandel. Groenten, fruit, brood, zoetwaren, vlees. Ook noteer ik: T-shirts van Zidane, moslim en ster, en Che Guevara, geen moslim maar wél bevechter van Amerika.

Voordeel van de voor niet moslims brutaalharde oproep tot gebed door de luidsprekers aan de minaret is dat je weet waar je moet zijn. Meebeleven, observeren, zien hoe de beleving is, mag dat, kan dat zomaar? Bij de ingang wacht ik, kijk vragend, maar ik word vriendelijk uitgenodigd binnen te treden. Wél schoenen uit voor het betreden van de gebedsruimte.

Achterin blijf ik geknield zitten. Mannen van alle leeftijden bidden ieder op hun eigen wijze. Kinderen lopen er tussendoor, een mobiel gaat af. Verder valt vooral de rust op, het ingetogen aanwezig zijn. Ook is de ruimte opmerkelijk kaal. Geen beelden, geen versieringen, alleen is er de kleine nis in de muur richting Mekka.

Als de imam de ruimte betreedt om voor te gaan in het gebed, begeven de mannen en jongens zich naar voren. Ik niet. Als niet-gelovige kan ik ook hier niet participeren, maar er wordt gewenkt. Meedoen.

Na afloop van het kalme gebedsritueel komt een geestelijke op mij af, stelt zich in goed Engels voor en nodigt me uit in zijn achter de moskee gelegen kantoor.

Een prettig gesprek volgt. Hij houdt mij voor dat alleen meebeleven niets zegt, dat ik ook de koran zou moeten lezen en daar dan naar zou moeten leven. Ik leg mijn angst voor Waarheid uit. Dat je nooit kunt zeggen dat jouw waarheid geldt voor de ander. Dat daaruit al zoveel narigheid is voortgekomen. “Dat komt door wat de mensen er van maken.” Vaker gehoord.

Nog andere zaken stipt hij kort aan. Jezus was niet god, maar een profeet. Het jodendom, het christendom en de islam hebben weliswaar veel gelijke wortels, maar de koran is het meest heldere, het meest Ware Woord. De kwestie van de Tempelberg: “Ons heiligdom, waarom daaronder graven, dat aantasten? Waarom heb ik momenteel, omdat ik nog geen vijfenveertig ben, geen toegang tot onze Heilige Moskee?”

Dan neemt hij zijn bril van zijn hoofd en zegt: “Dit is mijn bril, jij kan die niet zomaar afpakken. Dat is wat met ons land is gebeurd.” Niks tegenin te brengen, onoplosbaar probleem. “Komen we nu niet uit,” houd ik hem voor.

“Bush beroept zich op God. Waarom zeggen alle Christelijke leiders niet dat hij God niet mag aanroepen voor de inval in Irak. Hij is gek.”

“Dat zal zo zijn, maar hoeveel Islamleiders hebben zich al afgekeerd van Ahmadinejad, die Iran leidt en stelt dat de holocaust verzonnen is? Ook hij is gek.” Daar is de jonge geestelijke het mee eens: “Maar de wereld denkt bij de islam teveel aan mannen als hij.”

Tot besluit geeft hij mij een boekje mee en wenst mij voorspoed en wijsheid in mijn verdere leven. Ik bedank voor de gastvrijheid, een ongelovige geboden.

Na het verorberen van een lekker broodje shoarma  – allemaal goed en wel die missie, maar er moet op tijd gegeten en gedronken worden – maak ik mijn moskeenotities. Kernwoorden: kalm, gastvrij. En net als in de San Maria basiliek en in de Great Synagogue was er sprake van een onwrikbare, goedgelovige toewijding aan God. Geen reden verder om de Islam als achterlijker dan andere godsdiensten te bestempelen, als dat al zou kunnen.

Dan pak ik het gekregen boekje erbij. Zo anders van toon dan het gesprek van zo-even. ‘Just One Message!’ prijkt op de kaft. Deeltje 3 uit de Seeking The Truth Series. Er is maar één ware God (in tegenstelling tot het Christelijke geloof dat God uit Drie Personen laat bestaan). Jezus, de Heilige Geest, Brahma, Vishnu, Krishna, of Boeddha, zij zijn geen god en ook niet de manifestatie daarvan. Je moet je onderwerpen aan Zijn wil en dat snel doen, want je laatste uur heeft zo geslagen en dan wacht je de weg naar het paradijs of het hellevuur. En twijfelen hieraan hoef je niet, want de Koran zegt zelf dat de Islam de enige ware religie is. Van alle stelligheid kijk ik onderhand niet vreemd meer op. Religies offreren Waarheid en geen Twijfel. De Islam onderscheidt zich daarin niet.

Dan begeef ik me op weg naar Yad Vashem, het monument ter herdenking van de zes miljoen joden die werden omgebracht in de holocaust. Dit wordt het slotstuk van mijn kaalslagoperatie.

Bij aankomst vallen ook hier de colonnes soldaten op. Die zijn er niet vanuit beschermend oogpunt, maar om geïnformeerd te worden over wat hun volk in de Tweede Wereldoorlog werd aangedaan. Het zal mijn hernieuwde confrontatie met deze inktzwarte periode in de geschiedenis der mensheid van extra emotie voorzien.

Het leed is een gezicht gegeven, menselijk gemaakt. De half verbrande foto van vader en moeder die Jakub, Noach en Lev bij zich hadden toen zij door de Duitsers op de valreep van de oorlog werden gedood en deels verbrand. De in de portemonnee van een slachtoffer gevonden foto van hem en zijn pas bevallen vrouw in het kraambed. Die beelden van dat meisje in het getto van Warschau dat haar broertje wakker wil houden, dat, de hongerdood nabij, wegzakt. Dit mocht niet. Ik herhaal en herhaal, dit was het failliet van onze soort.

De vernederingen die eerbiedwaardige joden moesten slikken. Het opsluiten van joden in getto’s. Het brandmerken met een davidster. Die ontluisterende beelden van een jubelend Duits volk dat alles wat Hitler brult voor Waarheid houdt en zijn moordplannen oh zo effectief uitvoert.

Zuchten, een klem om het hart, tranen in de ogen, wat nooit mocht gebeuren is gebeurd. Beelden van Auschwitz. Naast me is een Israëlische soldaat op een bank gaan zitten, hoofd in zijn handen. Zacht zie ik zijn schouders schokken.

Het vertelde verhaal over de moeder die aangewezen was om aan de gaskamer te ontsnappen. Haar kind niet. Zij schreeuwt en schreeuwt en mag het meisje vergezellen in de dood.

De gedenkmappen van alle gekende slachtoffers. De mededeling dat Yad Vashem als instituut zich voor altijd zal inspannen om de namen en gegevens van alle zes miljoen vermoorde joden op te sporen.

De Herinneringszaal met middenin een urn met as uit de crematoriumovens, waarboven een eeuwige vlam.

De namen van de anderhalf miljoen vermoorde kinderen die in het Kindermonument onafgebroken worden opgelezen. Wiens hart breekt niet?

Eenmaal buiten zoek ik een bank op. Dit was het eindpunt.

En altijd weer die vraag: hoe kon het zover komen? Daarover denken. Want uniek is de holocaust niet. Op zoveel manieren moorden wij stelselmatig onze eigen soort uit. Dit was extra grondig, maar het kan morgen weer. Alle ingrediënten zijn er nog.

Hitler was gek, maar niet eenmalig gekker dan vele andere leiders van toen en nu. Ook was hij een product van tweeduizend jaar geschiedenis. Christelijke kerkgeschiedenis vooral. De leiders van de katholieke kerk lieten zelden na de Jood als ‘moordenaar van God’ weg te zetten. Werd in dat product van veel valsheid in geschrifte, het Nieuwe Testament, Jezus niet in de mond gelegd: ‘Zijn bloed kome over ons en onze kinderen’? En was dat niet een goedkeuring voor het vergieten van onschuldig Joods bloed door de eeuwen heen?

Want ook dat is waar: altijd is de Jood vervolgd, vermoord, verdreven, tot de Diaspora aan toe. Toen, 70 na Christus, waren het de Romeinen die het moord- en verdrijfwerk deden.

Maar het antisemitisme is niet alleen Christelijk van oorsprong. De Jood als geldman, de bankier die rijk werd door het vragen van woekerrentes. De Jood als ‘slimmer dan de rest’. De Jood als rijke stinkerd. De Jood als onaangepast, want vasthoudend aan zijn eigen cultuur. De Jood die er heimelijk op uit zou zijn zich de wereldoverheersing toe te eigenen. De Jood als zondebok in crisistijden. De Jood als auteur van het Oude Testament, die zowel Jezus als Mohammed volhardend afwijst. De Jood als uitverkoren door God.

Die mengelmoes aan vormen en oorzaken van antisemitisme vormde de vruchtbare ondergrond voor de holocaust. Tekenend is de ontluisterende, stille hulp van de zwijgzaam toestemmende meerderheid van alle bevolkingen van alle door de Duitsers bezette landen. Zei en deed Hitler wat het gezonde volksgevoel in elk land al lang dacht en prima vond?

Zo zit ik op mijn bank en pieker. Joden zijn niet beter en niet slechter, het zijn net mensen. Gehard, zelfbewust, dat merk je, maar wat wil je met zo’n verleden en ook heden. Want telkens steekt ergens het antisemitisme ergens de kop op. Nooit leren we.

En toch? Zou dat kunnen, dat we ooit vooruitgang boeken? Kan het anders? Ja, als we moedig zouden zijn. Ja, als we durven leren. Ja, als we die bloedrode draad die door de gehele geschiedenis van de mensheid loopt zouden doorknippen.

Welke draad? De draad van de Waarheid.

U dacht wellicht, sjonge, wat een ruimte besteedt de dolende man aan het fenomeen god, gebod en godsdienst. Hierom: omdat in het bedenken en omhelzen van de Waarheid gif schuilt.

Mag ik het zeggen? Mag ik zeggen dat alle Heilige Boeken bronnen van rampspoed zijn?

Inspecteer de geschiedenis. Loop door Yad Vashem. Zwerf een paar dagen door het oude Jeruzalem. Kijk in Rome. Durf te denken. Durf in te zien dat we de angst voor de leegte, voor het zinloze, moraalloze heelal niet aankunnen. Dat we een verklaring willen voor alle leed. Dat we bang zijn voor de dood. Dat we de onzekerheid over alles niet aankunnen. En dat we daarom met mensenhanden Gouden Kalven scheppen, dat we fraaie, maar betekenisloze Boeken produceren om daarna te zeggen dat die Geïnspireerd zijn. En wee wie daaraan durft te komen. Maar het moet. Het is nu genoeg geweest met dat peilloos diepe menselijke leed. Laten we elkaar aankijken en een hand geven en elkanders onwetendheid verzachten.

Zo gaat het nooit zijn. Wie heeft genoeg aan een liefderijke boodschap vol onzekerheid? Altijd zijn er die lui die weten en profiteren en de boel om de tuin leiden. En of die nou van Christelijke, Joodse, Islamitische, socialistische of kapitalistische snit zijn, altijd zal er misleid worden.

Het is me te moede. Die tralieman in Havana, dat starende, hooploze gezicht, de voor bijna niets zestien uur per dag rond rijdende Cubaanse taxichauffeur, al die depressieve mannen en vrouwen in ons rijke land, al die ongelukkige vluchters in wat dan ook, Obeid die voor zijn ogen zag hoe zijn zoons werden doodgeschoten, de moeder die liever de gaskamer in wil met haar kind dan verder leven, al die mensen samen, dat hele leger van mensen dat nodeloos lijdt, het is om te huilen.

En een begin van een oplossing is er niet. De spraakverwarring is luider dan ooit. Om het hardst blèrt een ieder zijn Waarheid. En in de hoek van de denkers is het stil. Anderen die kunnen denken, durven het verkondigen van de Totale Leegte, van het Niet Weten niet aan.

Er zal altijd weer een nieuwe tralieman zijn, een nieuwe Obeid, een nieuwe Anneke.

Genoeg. De kou trekt op. Tijd om naar huis te gaan. Nee, op de valreep kan een ‘en toch’ er niet af. De balans is opgemaakt.

“Schreef je niet ‘Toch daagt het weer’?”

“Missie voltooid.”

“‘De haat giert, de liefde buigt, maar ooit’?”

“Het hemd is ontleed in draden van onvermogen. Ik heb het koud.”

“Van denken bevriest een mens.”

“Anders kon het niet. Mijn eigen, kleine trieste waarneming moest ik opschrijven. Uit naam van.”

“Zelfverkozen kilte.”

“Je gedoogt mijn proberen niet. Ga.”

“Als je me zoekt, ben ik er.”

“Geen zoeken meer.”

7

Heel even

En nu? Waartoe leidt het als je de laatste stop voorbij hebt laten glijden? Dat weet ik wel. Na pakweg nog een kilometer bos komt het steenrode fietspad. Aan het eind daarvan ligt het klooster. Deze gang ging ik al. Alles is eender. Nooit blijft iets eender.

Een fietser crosst voorbij. Ik zou hem halt kunnen houden. Hem de weg kunnen vragen. Einde missie. Waarheen nu? En waarom?

Het is een kille februaridag, einde middag, de neus loopt. Ik maak mijn stille omgang door bekend terrein. Orde moet er zijn. Naar orde moet altijd worden gezocht. Talrijk de vellen papier. Ja, zo zit het. Die kant op. Het zat altijd anders. De koers naar ‘vrede met’ liet zich niet uitfietsen. Stoorzenders, slapte, fout gedacht, de boel de baas niet.

Hoe gaat u eigenlijk gekleed bij uw tocht? Warm genoeg? Maar die gure wind, hé. Tocht het in het hart? Als u alleen bent, als u voor niets of niemand nog de schijn hoeft op te houden, hoe dodelijk vermoeid is dan de geest? Ach zo, u komt de molen niet uit? Uw tred is een vast ritueel? U loopt kalm uw ronde, dag na dag? Is goed, is goed, zo moet het. Verlaat de route niet. Koester de klep. Want het zelfgezochte pad gaat door doornstruiken, niet te ontwijken in het duister.

Links ligt tussen de bomen een stuk bewerkt land. Nat glimt de aarde. Moeder gedoogt ons. ‘Zij wacht geduldig, alles wordt haar terug gegeven. En in de verte staan populieren als uitroeptekens bij haar pracht.’ Hier zijn het dennen en berken. Al met al loopt het best in dit bos. Geen kraters, geen koffer mee te sjouwen. Hoe zou het Maria vergaan in haar Casa? In hoopvolle afwachting van zijn dood? Ver weg, Cuba. Acht uur vroeger nu in Havana. Wie is bezig wie te verlinken?

Verdwaald in een club in New York, alles swingt, hier gebeurt het, de muziek pompt, geile meiden, maar het hoofd, het hart, de geest, die niet te ontwarren mengeling van ‘ik’ hunkerde naar rust. Alleen ergens aan tafel, eten, geen ‘aanspraak’ op de kaart, op weg, op zoek, want de bestemming was altijd verderop. Veel bekeken, niets gezien, soms gezelschap gehad, toch alleen. Gegaan, van links naar rechts, altijd met een doel, altijd doelloos.

Moe? Weet je wie moe mag zijn? Nou jij niet. Uitvogelen, nadenken. Wat bracht mij hier? Maak het niet te moeilijk, jongen. Stippel uit, zet op een rij. Alles is logisch. En lééf in hemelsnaam. Vermijd de ledigheid. Zo simpel is het. Simpel was het nooit. Ik zie de sim ondergaan. Hoe weet ik dat ik dat zie? Soms zou je achter de dingen willen kijken. En in het hoofd van een ander. Nee, zeg me niet dat de mens een jofele uitvinding is.

Altijd maalt het zo door. Nu loop ik hier. Is geheel verklaarbaar. Een nutteloos gebeuren verder, grif toegegeven. Wie schiet er wat mee op? Allemaal zelfverkozen. Het gaat om het ordenen. De losse draden in een begrijpelijke volgorde leggen, zeg maar. Lekker is dat, om de boel op een rij te hebben. Kent u dat, dat gevoel van controle? Dat waren gelukzalige momenten. Het ordenen alleen al was zoet.

Aan het eind van de lange rit mesjoche uitgepierd op het Poolse land zitten en schrijven. Waar komt die rotzooi toch vandaan? Hoe prettig is de vrede van het opgeruimd gemoed. Dat komt daardoor, dit hierdoor. Logisch. Zo gaan we het doen, plannen, uitzetten die lijn. Hoe vaak mocht ik al niet die zachte euforie ervaren. De boel aan kant. Nee, zoveel is wel duidelijk, bij een juiste aanpak ligt geluk voor de grijp.

Nou je zin? Je kunt wel van het geluid van brekend glas houden, maar waaruit moet je dan nog drinken? Maar het moest. Ach, hoepel op. Uit naam van? Ja, van je eeuwige navelstaarderij. Zelfziek, mooi woord. En nu? Nu loop ik hier en ben ik in gesprek. Geloof me, ik luister goed. Iedere stem laat ik aan het woord. De een begint over ijdeltuiterij, de ander over zucht naar applaus. Niets is niemand vreemd. Maar het is gepeild, lang geleden, en doorzien. En eerst rustte de hand. En toen nam de hand de pen toch op. Zwijgen is zilver, spreken goud. Mag het een mens aangaan, wat er zoal gebeurt? Moet de chaos niet verwoord worden? Mag ik herkenbaar dolen?

Maar nu zit er sleet op de pas. Dat heb je na het passeren van de finish. Dan ga je loslaten. Weg grip. Even laten fladderen. Zie, het donkert, stammen krijgen gezichten, het avondconcert is verstorven, ik hoor de stilte, maar vrees de storm niet. Zo flitst het, zo flitste het altijd. Het luwt wel. Het razen zal verkeren in een gedachtelijn, in opluchting, heel even.

Al die herrie overal. Hij vindt, zij vindt, wij vinden. Nee, wij vínden niet, wij weten zeker. Betweters alom. Mijn pas hervindt de kracht van de woede. Ik mocht wis en waarachtig mijn rol van nietweter spelen! Van luis in de pels der Waarheden. Het mocht niet, het moest. Want boven liggen de kindjes.

Het laatste stuk naar de boshut weet ik me beschut door de duisternis. Vertrouwd, toepasselijk. De dieren slapen. Op de nachtvlinders na, maar die heb je niet hartje winter. Was er een vuur, een licht, ik zou me er als een mot tot de dood aan toe aan warmen. Maar goed dat slechts donkerte mij omhult.

Fout licht, flonkerende vaandels, vurige betogen, valse woorden, goedgelovige volgers, optochten, legers, zij, wij, botsingen, gevechten, oorlogen, doden. Mocht er een onbeholpen poging gewaagd worden deze eeuwige, hartverscheurende keten voor oorzaak en gevolg te doorbreken? We hebben genoeg loon van de angst gehad.

Nog dik drie kwartier te gaan. Lange, kille minuten. Missie voltooid. Hem weggestuurd. Niks meer te zeggen? Genoeg waanbeelden bestormd. Gedoold van Havana naar de Volgermeerpolder, naar het zoutwaterei, naar de Kamer van Onmacht, naar Magdalena, naar de heren denkers, naar de verheven kunstenmakers, naar de mis met zeven Heren, naar de Kerk, naar het broeinest van tegenstellingen, Jeruzalem, naar overal waar mijn zucht tot ontmaskeren mij voerde, naar hier nu, naar dit donkere bos, om los te laten, bij te komen, uit te laten razen.

Geen hoop geboden? Geen valse. Makkelijk zat om neer te halen, sceptisch te zijn, cynisch, af te breken, vraagtekens te zetten? Dacht het niet. Nu loop ik hier. Met alleen mezelf als verward houvast. Je eigen gang gaan, zonder kompas, een lolletje is het niet.

Je zou het graag anders zien allemaal. Vermetel was de poging de wapens uit handen te slaan. En nu?

Nu is er een zwaar hoofd. En een eenzaam, bezeerd hart. Zo’n beetje als u er nu voorstaat, nu u mijn geschreeuw tegen alle loze praatjes en vals aureool ter harte hebt genomen. Verdomd, hij heeft gelijk. ‘Alle varkens gelijk’ als mislukt weggezet, de genotzieke ballon van ons Vrije Westen doorgeprikt en aangegeven hoeveel gevaar er schuilt in al die verschillende Waarheden omtrent God en Gebod.

Wat zou het allemaal? Leven en laten leven? Daarom juist, omdat dat niet gebeurt. Om Anneke. Om de aarde. Om wat uitsterft. Om de overdosis ongeluk.

Bang. Er goed aan gedaan? Teveel hooi op de vork? Een tikkeltje teveel gevraagd van één man, één hoofd? Het duizelt. Lange mars. En niks meer in de aanbieding? Zo schooier ik, het hoofd diep in de kraag, door het koude bos. Geen hoop?

Eenzaam, bezeerd hart? Man, eikel niet. Weldoorvoed kreng. Hartje winter dapper de jas wegwerpen en dan klagen over de vrieskou. Ja, ja, maar verklaar me dat hartje winter.

Hoor ik daar de nachtuil? Snuffelt naast me het everzwijn? Hertje, hertje, zie je me dan niet. De voeten doen van stap, stap en het hart van bonk, bonk. De enige regelmaat is dat in een gistende eenheid van vlees en bloed, hoogmoed en kortzichtigheid. Maar de soep is getrokken van liefde en bezorgdheid. Las u dat?

Had ik eerder naar links gemoeten? Hier zou ik toch van verre het buitenlicht moeten zien. Terug? In gedachten verzonken verloor hij het juiste pad? Of gewoon maar doorlopen en hopen op een andere afslag die een uitweg biedt?

En wat als ik rond loop? Hoe lang al? Stil staan, luisteren. Hoor ik daar nog anderen schuifelen en zoeken? Zijn we slechts gescheiden door het donker en de hermetische stilte?

Het ene atoom bindt zich willoos aan het andere. Zwarte gaten slokken op. Niets in hun omgeving wordt ontzien. Is het gat schuldig, inhalig? ‘Meelei is een ziekte, want de boom die bloeit, werpt altijd een schaduw die de ander verfoeit.’ En: ‘Jij droomt van iets dat niet bestaat, er is geen goed en ook geen kwaad, de jacht op een prooi is niet lelijk of mooi.’

Geen oordeel, geen doel, geen kwaadwillige dader, alleen oorzaak en gevolg. Alles wordt, dat is alles. Het leed van de een is de humus voor het welzijn van de ander. En zo door, en zo door, tot niemand er meer weet van heeft.

Nog langer lopen op hoop van? Kan ik wat met de stand der sterren? Staat het daarin geschreven? Eindeloos verre schittering. Van een al opgebrande zon. Alleen zien hoe het was. Een jongen van elf gooit stenen, een mager meisje spreidt de benen, een volle kerk, synagoge, moskee die bidt, welgemeend, een huilende soldaat, mannen, vrouwen, kinderen, gedood, in brand gestoken, wat doet het er allemaal toe voor de grote gang van zaken. Sterren huilen niet van verdriet. Geen zon die uit protest voortijdig het schijnen staakt.

Kunt u meevoelen met de kilte van het hart?

Meevoelen kan niet. We schuifelen ieder voor zich door het bos. ‘Ze kan die muur niet slechten, voor haar is leven vechten, de wand van deze kille cel is haar eigen vel.’

Ik zie een ster. Met eigen ogen. Ik weet dat ik naar een ster kijk. Dolen mag dolen zijn en het bos eng, de narigheid zit hem in het ervaren ervan. Staat de leeuw er bij stil dat hij het arme hert het leven ontneemt? Doet hij het daarom, omdat hij de doodskreten van zijn prooi niet kan verdragen, dan maar niet? Kent de wurgslang respijt met het moedervarken, dat thuis nog drie kleine biggetjes heeft? Betreurt een ster zijn naderende ineenklappen. Neemt het imploderende heelal zich voor dat het de volgende keer, na weer zo’n oerknal, echt allemaal anders moet?

Handen diep in de zakken. Rits nog wat dichter. De grootste kou lijkt uit de lucht. Het stof begint te bezinken. Kalm gewaar worden dat het luwt. Met de bocht mee gaan de voeten. Nauwelijks zicht. Roept daar iemand dat hij een licht ziet? Als ik goed luister hoor ik hem niet, noch zie ik het licht.

Hier loop ik. Gevangene van mezelf. Uw blik op de kooi kan ik niet delen. Is er een sleutel? U, ik, wij allen, nooit zullen we in de ander kunnen treden. ‘Laten we onze adem delen, ons lijf. Laten we zo na als mogelijk komen. Vel tegen vel, cel tegen cel. Laten we ieder voor zich tegen elkaar aanschurken.’

Wat ons scheidt, wat ons doet lijden, is wat ons uniek maak, het bewustzijn. Er weet van hebben dat we verder nergens weet van kunnen hebben. Hier lopen we, onverminderd op zoek naar de juiste richting, zoekende, dolende, in een immoreel heelal, we weten het en lijden eraan.

Als dat alles is, hoor ik u denken, waarom maakt hij er dan geen eind aan? Is een optie. Klaar, over, genoeg geweest. Buurman zei: ‘Wij zien alleen de rafelige onderkant van het kussen dat God maakt.’ Zijn zucht de alles verklarende, glanzende, oogverblindende bovenzijde te zien, dreef die hem naar gene zijde?

Je als jongeman opgesloten weten in een hoofd vol vragen. De angst de controle te verliezen en jong al komen tot: ‘Zij die nooit iets zeker zullen weten, moeten weten dat ik zeker van hen houd.’ En het ijzingwekkende besef dat de sterren geen oordeel hebben over een voortijdig einde aan de zoektocht. Ach, hoezeer koester ik tot op de dag van vandaag die ene inval. ‘Dat we het doel niet kunnen kennen zegt nog niet dat ophouden een doel kan zijn.’

Als ik er met mijn stomme kop buiten blijf, wil ik verder. Hier maar ergens gaan liggen in afwachting van? ‘En zonder dat hij het wilde, stond hij op en liep verder.’ Nee, de helpende hand zal ik mezelf niet bieden. En nooit heeft de een het recht, laat staan de plicht, die de ander toe te steken. Het loopt zo ook wel af. Nog even en het is over. Ook alle bewustzijn vergaat dan.

Hier loop ik, in een troosteloos, donker, zinloos, doolhof, waarom dan toch schuurt nu al de pijn van het ooit afgesneden zijn? En waarom koester ik het zoetzure terugblikken. ‘In alle zinloosheid samen zijn en alles is zinvol omdat we samen zijn.’ Nóg kan ik de weemoed navoelen van die zin ooit op een viltje gekliederd aan het slot van een warme jongensvakantie.

En voor mijn blokhut ligt het veldje, waarnaar ik vanmiddag voor de wandeling met vochtige ogen staarde. In het avondschemer voetbalde ik er met mannetje. Met Haar moederlijk toekijkend, het andere oog gericht op dochterlief, hoog in de klimboom.

Waarom gaan dingen voorbij? Ooit los te moeten laten wat je lief hebt. Zonder geloof in gene zijde. Dag vader, dag moeder, dag vrouw, dag zoon, dag dochter, dag broer, dag zus, dag vriend, dag domme, ploeterende zoeker die je was. Ai, hoe schroeit het afscheid al.

Ik loop en loop, vervuld nu van de gloed van gekoesterde, voorbije momenten. Onwillekeurige herinneringen. Het spelen op de meelzolder, bij de grofsmederij, in het pakhuis, bij pater Duponti, het kaarten op de vuilnisemmer, al die met de vrienden gedeelde dagen, soms spannend, soms vol verveling, altijd warm, die bijna levenslange koestering door Haar, het was, het is gebeurd, het is voorbij, geweest, het was goed.

En nu? Nu zie ik de bomen almaar meer wijken. Het wordt lichter. Ergens zal ik het bos verlaten. Om nieuwe herinneringen op te doen. Liefdevolle tussenstops op weg naar nergens.

Als alles levenloos is, het experiment mens een gepasseerd, nietig moment in de tijden der tijden, zal er dan rond de steenklomp aarde nog ergens een zweem Liefde zweven, het enige woord dat de hoofdletter verdient?

Het schild laten zakken. Ongewapend, kwetsbaar. Liefhebben, de naaste als jezelf, jawel. Meer niet? Meer niet. Genoeg zou het zijn. Maar het zal nooit zo zijn.

Verder, verder. Dan licht alles op, dan weer is het pad nauwelijks zichtbaar. Liefdevol staren in het niets, zo moeilijk is dat toch niet.

Op weg naar nergens? Een onbegaanbaar pad waarover wij voort vluchten? Met slechts af en toe momenten van balsem, van het hoofd neder leggen? Nooit rust? De kou als meeste trouwe kompaan?

Zo zal het zijn. En toch. Zo hoeft het niet te zijn. Als een ieder de eigen broek der zinloosheid op zou durven halen.

Deze afslag herken ik. Hier liep ik eerder. Daar staat de boom waaronder ik rustte. En wakker droomde van ‘en toch’. Toch hoop? Geen hoop. Maar als u dacht, waartoe dient deze onzinnige, kleinmenselijke missie, die mislukte kaalslag, mag ik dan vertellen over mijn ‘en toch’? Het zal niet zo gaan, maar gun mij de droom die voort dreef.

Doet hij die goed doet op bevel goed? Of gehoorzaamt hij slechts?

Is het niet zo dat wie houdt van het antwoord op zijn angst en lijden houdt van zichzelf?

Staat zulk een gehoorzame, nederige in God geprojecteerde eigenliefde de Liefde niet in de weg?

Kan hij die zijn eigen lot niet durft te dragen het lot van de ander dragen?

Wordt ons het zicht op de glorievolle, vredevolle einder niet ontnomen door dat bos vaandels?

Blijven we niet als mens, ook in de Liefde, invalide zolang we niet alle Wandelstokken wegdoen?

Is het niet zo dat de Liefde en de waarheid elkaar niet verdragen?

Kent de Liefde niet slechts een hier en nu en geen straks?

Zal de liefdeloze niet altijd weer vergeefs vluchten in god, gebod of genot?

Dat soort vragen borrelden op. En jawel, ik ging ook het ‘hoe dan wel’ niet uit te weg. Wat nou ‘missie’? Waarom? Ga, kap, ontluister, probeer met nietige woordjes zaken omver te halen. Ruk met zinnetjes maskers weg. Allemaal leuk en aardig, maar als de spraakverwarring al zo groot is en de chaos alom en almaar groeiend, wat zou je daar nog aan toevoegen? Blijf thuis bij vrouw en kind. Of leg uit, schets jouw hoop, jouw ‘en toch’, jouw droom.

Ik droom van moed. De moed om alle houvast weg te doen. De moed om in de leegte te staren. Ik wil alle waanbeelden, die ten lange lesten altijd weer tot strijd leiden, bij het vuil, als relikwieën van een bangelijk, geweldvol verleden.

Laten we alle Boeken terzijde leggen en ons een blanco Lei der Liefde aanschaffen. Ja, daar droom ik van, dat de mens ooit die volwassenheid bereikt.

En goed en kwaad, een leidraad, een waakhond, een bindmiddel, je denkt dat we zonder kunnen?

Kan het slechter gaan dan nu? Na duizenden jaren god, gebod, genotzucht en vluchtwegen? Waarom is besef van andermans leed niet genoeg? En dan kiezen. Kies je ervoor de ander zeer te doen, te benadelen? Of heb je lief? Vechten we om het brood, of delen we?

Ik kan weet hebben van jouw leed, jij van het mijne. Zullen we besluiten elkaar te ontzien. Het hoeft niet, het staat nergens, de keuze is vrij. Zullen we liefhebben om het liefhebben en niet omdat het moet van Iets of Iemand?

Nu ben ik terug bij die boom. Missie toegestaan. Missie voltooid. Opnieuw zet ik mij neder en droom mijn droom van de hoop verder.

Goed doen, goed ontmoeten. Alleen wie Liefde geeft, kan haar ontvangen. Niet zelfziek meer zijn. Zelfbevrediging in de Liefde bestaat niet. Geven om te ontvangen. Zullen we elkaar geen pijn meer doen?

En nu? Nu richt ik hier mijn nieuwe huis in. Een pad is alleen doodlopend als je blijft lopen. Wie blijft zoeken vindt geen uitgang. Die is op de plaats rust. Gaat het jou goed, gaat het mij goed, gaat het ons goed. Hé, jij daar, dolende in het donker, kom naar hier. Mag ik je liefhebben, verzorgen, zullen we gezamenlijk het licht ontsteken. Nee, geen woord, geen beeld, geen idee heb ik je verder te bieden.

En het huis der leegte, der Liefde om de Liefde, werd voller en voller.

Zo dommel ik in, euforisch, gelukkig. De legers der Waarheid zullen nog lang van strijd naar strijd denderen. Maar ooit?

“Je hebt me geroepen.”

“Wil je blijven?”

“Altijd was ik nabij. Altijd zal ik nabij zijn.”

“Wat kan ik voor je doen?”

“Omhels me.”

“Ben jij de ander?”

“We zijn een.”



Gepost in De Dolende Man, Gedane zaken Reageren uitgeschakeld