Maandelijks Archief: september 2014

La Superba flonkert sporadisch

La Superba van Ilja Leonard Pfeijffer gelezen. Matig boek. Het zegt iets over de polderkwaliteit van de Nederlandse literatuur dat deze roman de Libris Literatuurprijs kon krijgen. De inhoud is bijeen gescharreld, want te divers qua invalshoeken en te gezocht het rode draadje met het gevonden been. De vorm, de stijl, is al net zo onevenwichtig. Te frequent te zwaar aangezette lyriek. Geen moment blijkt dat ILP weet dat in de beperking, in het schrappen, in het indikken, in de kale taal, zich de meester toont.
Geen plusje? Toch wel, zelfs een hartverwarmende. La Superba grijpt hoog, is een heuse poging om tot echte literatuur te komen en dat is lovenswaardig in deze tijd, waarin ‘vermaak’ – we worden erdoor overspoeld – ook al wordt versleten voor letterkunst.

Pfeijffer beheerst zijn taal, maar heeft ten diepste niets te zeggen. Zelfs een lang verblijf in Genua verbloemt dat niet. La Superba is het product van een man die graag schrijver wil zijn, die verslingerd is aan deze vorm van zelfbevlekking. ILP verwoordt dat in episode 1 van het derde deel (bladzijden 275, 276). Die anderhalve pagina zijn verwoestend fraai, vertellen alles en rechtvaardigen het lezen van La Superba.

‘Ik vind het tegenwoordig ook niet meer zo’n heel slecht idee om dood te gaan. Vroeger raakte ik in paniek bij de gedachte. Nu begrijp ik dat het niet zoveel uitmaakt hoe ver ik naar het zuiden reis. Overal zal het hetzelfde zijn. Je kunt iets doen of niet doen. Je kunt een stad vinden, vrienden om mee te drinken en cafés om je eigen te maken met vernieuwde, onvermoede passie, maar je weet dat je het allemaal ooit zult verraden voor een nieuwe illusie. En daar schrijf je dan over. Dat is nog de grootste illusie. Ik schrijf alleen maar bij de gratie van gebrek aan vrouwen of drinkmaatjes die mij van het werk houden, in weerwil van mijn wensen. Als Genua echt zo leuk was als ik beweer zou je er niets over horen, mijn vriend. Alles wat ik schrijf is nep, omdat ik niet schrijf als ik mezelf ben. Het is een vlucht uit de realiteit op een wankel vlot van taal, zoals de schepen gingen naar La Merica, zoals ze komen, stumpers naar het beloofde land van Europa.
Ik kan nergens leven dan elders. Ik ga naar het zuiden, zij naar het noorden. Als we sterven is het misschien niet zo erg. Zij aan honger, ik aan dorst en verveling. Het zou een hoop vergeefse dromen schelen.’

Gepost in Hier en nu, Krabbels Reageren uitgeschakeld