Zee, zon, zijn

Zilver licht, zover als het oog reikt. Zomaar komt het goede tot je. Lopen. Luisteren. Geen gedachte houdt stand bij de stevige golfslag. De zee neemt weg. En als er nog een greintje verlangen zou resteren om iets te bedenken, dan is er nog de wind die het voorhoofd schoon waait.

Zijn is genoeg. Hoe lang al niet spelen zon, zee en zand hier hun achteloos spel, gadegeslagen door meeuwen en een enkele kraai. En de mens maar wikken en wegen en spreken, schrijven, de illusie koesterend op invloed.
Lekker breed hard strand, weinig soortgenoten, veel zit mee op deze verstilde woensdagmiddag. Waar je nog tegenaan bemoeien? Diep van binnen sluimert wel de onvrede over zoveel wanbegrip alom. Maar toegeven dat elk woord, geboren uit de hoop op begrip, ja verandering zelfs, er één teveel is, pfft, het zij zo, maar jeetje, wil ik daar al aan?

Vanochtend als altijd de Volkskrant doorgenomen. Moeiteloos zijn er weer stukjes te wijden aan amper onderbouwde vooroordelen, aan overbodig, onnadenkend gepruttel. Wat zou het helpen? Ik pende hier al wel wat ideetjes neer. En een paar gedachtesprongen heeft u nog tegoed. Maar alles nutteloos. Nu loop ik hier, omspoeld door zee en zon.

Wat nog zeggen? Zijn resteert. Hopelijk nog een aardig tijdje. Om beter en beter te leren leven in de vrede van de berusting. We zijn niet anders, we kunnen niet beter. Invloed denken te hebben op hoe alles reilt en zeilt, hoe ijdel is die gedachte.

Vrouw te paard, deinend zwart silhouet. Schelpen, veel zeg, in elk ervan zat leven. Vergaan, zoals ook binnenkort, gemeten op de eeuwigheid, het verschijnsel mens verleden tijd is. Ook ik. Hoeveel dagen resteren nog? Die doorbrengen met ‘en toch’, met de gedachte dat het anders kan, zou moeten?

Loslaten, lopen, alleen nog ervaren, overgave.

Dit bericht is geplaatst in Hier en nu, Krabbels. Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.