Op de fiets naar Basra

‘Mogen jouw kinderen tijdens het eten gewoon rond rennen? Mag dat in Marokko?’ ‘Ik kom uit Irak’, zegt Abdel zacht. Hij geeft daarna kalm aan dat het volgens hem overal ter wereld normaal is dat kinderen aan tafel zitten tijdens de maaltijd en niet er omheen rennen. Maar haar gekrulspelde hoofd is alweer onder de kap verdwenen.

Of ik thee wil. Of het ‘net als altijd’ moet. Ik hoor hem amper, verzonken als ik ben in schuldgevoel. Vroeg ik hem al eens naar zijn land van herkomst? Eén keertje, summier. Verder stil gezeten – dat is er vroeger wel ingeramd dat op de kappersstoel zelfs te diep ademen al listig is – en me goedkoop laten kortwieken. Verdorie, Bak.

Ik vond ook Abdel er niet een van het woord. Wel lekker. De hemel zij dank leest hij niet aan je haar af hoe je in je vel zit om vervolgens voor het consult het driedubbele te rekenen. Tondeuse, schaar, snel, goed, ‘geen gel, hé’, betalen en weg wezen, daar kwam het op neer.

Nu ontrolt zich een vriendelijk gesprek na de simpele vraag hoe lang geleden hij Irak ontvlucht is. In het Nederlands. Hoe goed zou mijn Irakees zijn geweest als ik daar in 1994 naartoe was gevlucht uit onbehagen over alle gezeurkees hier?

‘Ik vluchtte nadat mijn twee broers ontvoerd waren. Nee, nooit heb ik hen meer terug gezien.’ Na het bijna zuchten van die zin is het even stil achter mijn rug. In de spiegel zie ik een zweem van vocht in zijn timide ogen. Hij studeerde, maar moest daartoe wel lid worden van de Baath partij van Saddam.
Rustig zet Abdel uiteen door wie en hoe zijn land tot strijdperk is gemaakt, beginnend met de immense Amerikaanse wapenleveranties tijdens de oorlog met Iran. ‘Politiek is vies.’ ‘Politiek is mensenwerk, Jabbar’.

De stekels nog iets korter, nog even de nek uitscheren, de wenkbrauwen minder borstelig maken, oorhaar verwijderen en voortdurend de haartjes wegblazen van hoofd en hals, alles extra zorgvuldig dit keer. Intussen praten we zacht.
‘Ga je ooit definitief terug?’ ‘Ja, dat wil ik wel.’ ‘Dan ben ik mooi mijn kapper kwijt.’ ‘Dan kom je toch naar Basra.’ ‘Tsja, ik kom altijd op de fiets.’
Abdel glimlacht, ingetogen, gewond. Ach, hoe graag noteer ik de korte ontspanning op zijn lieve gezicht.

Dit bericht is geplaatst in Hier en nu, Krabbels. Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.