‘Weer thuis’: van donker naar licht

Altijd listig om gedichten te schrijven over een periode dat het tegenzit, geestelijk en lichamelijk. Want daarover gaat mijn nieuwe dichtbundel Weer thuis. Van diagnose prostaatkanker, hartklachten en zware depressie tot het weer omarmen van de aanwezigheid. Van donker naar licht.

In de valkuil van zelfbeklag ben ik niet gevallen. Noch in die van negatief gezeur. Het is een intieme themabundel geworden, waarin ik moois heb gehaald uit lelijke jaren. De 34 gedichten ontstijgen het persoonlijke, denk ik, hoop ik.

Weer thuis leent zich niet voor hapsnap consumptie. Maar wie tijd en moeite neemt om kalm, contemplatief te proeven van de filosofisch geladen gedichten wordt beloond.

In 1999 schreef ik Toch daagt het weer. Die dichtbundel valt hier te lezen. Gerrit Komrij nam een gedicht op in de Bloemlezing van de Nederlandse poëzie.

Onder Lees verder en onder het linkje  Weer thuis vindt u de gehele bundel.

Dans

schot na schot
nieten in weerloos weefsel
laatste druppels bloedsperma op
een verlaten kerstavond
de brand moet in wat woekert
‘tot straks, lieverd, tot straks’
‘we gaan u op de zij leggen’

vergeefs verstilling gezocht
zeurende zinloosheid
kakofonie van oude
angsten en tijdloze vragen
kunnen die opgaan in stille syllaben
ongezien het kruis geslagen
nederig teken van ongelovige wanhoop

maar hoor toch die schoten
achtergrondruis van geschonden heelal
op die puls van wat niet mocht klinken
leren zwieren, het lot in armen
pas na pas U
vragen om een laatste dans
tot aan de dageraad

Verbroken

voor het gloren de dag zat
onthecht door de aanloop
bang, struikeleelt, zieltjeskloven
waarnaar verlangen, welke sprong
briefje door klas, gegiechel, de kring
de waas, het schoppen
blijvend gapend gat

de wankele stap
van de man die
lopend langs de oceaan
weet dat het waar is, van die leegte
naast het doen, het rauzen
altijd het vreugdeloze spoor van walging
er liever niet zijn

na de schoten het vonnis
geen traan gelaten, alleen
verdriet om verdriet van
niet tot last willen zijn
ik schrik, besef dat
het los scheuren niet wordt gevreesd
levenslang al kapot de streng

Kristallen

walging vrat als golven roest
elke glans van onbezwaarde aanvaarding weg
groot was mijn wens dat wat leeft
verlost zou worden van de plaag mens
maar niemand nam ons weg

mateloos machtig stuwt de stroom
de tijd voort, willoze keten
van schuldloze oorzaak en genocide
met de vervormde blik van verdriet en verloren onschuld
leverde ik ons uit als chemische vergissing

slachtveld als schouwtoneel
er tussenuit willen, vort maar
nee, niet eigener hand, verder wil het lijf
in de dollemansrit naar nergens,
die haltes kent noch vluchtroutes

herstellingswerkzaamheden, Klazien van de K
luister naar het gefluister van de ongeremde deling
hoor de roep over schoonmaak, slecht drempels
wat ik niet omarmde ontglipte, aangeboden liefde
weggezet als vergissing

winters duinpad, schoon geregend strand
naar de bron nam ik mee moed en vergiffenis
alles gaat zijn gang, zo deed ik het, goed jongen
berusting, zeelucht verwaait tranen tot
kristallen, waarin de afkeer oplost

Zwart licht

op de tast zoek ik helder zicht
klaar voor het hart openend woord
de horizon wenkt
maar wijkt oneindig

niet ziende in mijn blindgang
strek ik bebloede vingers naar licht
want vind kartels en scherven
van de versplinterde nooduitgang

ik wilde er niet bij horen, maar schuilen
in de schaduw van de nacht
altijd lonkte de afzondering
van wat nabij is

toegeven aan op de plaats rust
laat verder trekken, maar telkens weer laaide
de veenbrand op van verlangen
om aan te sluiten bij wat vervreemdt

gesloten luiken, ik schuifel in het duister
ai, die fanfare, erachter aan!
wat afstoot, trekt ook weer aan
neem niet, neem toch op sleeptouw

aarzeling, afgekeerd van scheurend feestkabaal
nee, niet nog meer stemverheffing en kreten
voel ik de doodse huivering en klamp mij vast aan
zwart licht boven oneindig duister

Splinters en vlinders

kerf in jongenshart
grijns en zegelring
‘kruipen brillenjood’
de kring, altijd die lach
eerste indrukken, letsel
de kilte verjagen deed ook vader niet
deinzend hartje in laatste schuilplaats

mijn oog vol splinters mensbeeld
huilde later om
wat nooit mocht gebeuren
de rook van de kamers vormde
pluimen aanklacht en bezegelden
ons failliet
wij woekerende gifplant!

maar zie, vlinders dansen om het beulshoofd
musjes overstemmen tsjilpend de waan van de rede
en de tak met gelust touw bloeit onstuimig

Beurs

op deze gifgronden
van verachting en woede
groeide een boom, uitbundig bloeiend
mijn dolen in een boek gevangen, hunkerend naar pluk

een enkeling las door
slikte het bittere vlees van ontmaskering
lag wakker, zo beurs, zo beurs
maar genoot de nasmaak

pulpvreters schoven terzijde
mijn hartenkreet doorgedraaid tot moes!
ach, wat stinkt toch mijn smachtend ego
waarom nog pleisters willen op geheelde wonden

Moeder

met golven, slurpend, dan weer
stil verwerkte de bron van liefde
alle rioolwater, borrelend van spanning

al eerder deden de kamers
hun smeekbede, gierden de boezems alleszeggend
alleen maar meedogenlozer was de zwengel aan de pomp

stampvoetend hersengekraak overstemde telkens
alle signalen van verstoring
wat boog en zuchtte bleef geknecht

ontelbare keren hernam de levensloop
haar gang van halen en brengen
tot ten lange leste zij bezweek

en nog werd het signaal niet begrepen
rekten verbeten verziekte doelen verder op
teisterde een overdosis pulsen de moeder van het lijf

rood van schuld en schaamte luister ik eindelijk
naar het voorgoed verstoorde, maar nog altijd bereidwillige
ritme van wat leidraad had moeten zijn

Dierlijk

oude huid afwerpen
nieuw kleed in kindsjaren hokje
chloor, urine, schaterwaterpret

dan, die grote zwarte behaarde klauw
het beest, de sneeuwman grijnst boven het deurtje
en grijpt mijn hand met dodelijke precisie

angst, zweet, ik word gehaald
tanend verweer, toegeven aan lonkende kracht
het laten gebeuren

nee, niet, die dierlijke wending!
ongewild welt woede op
losrukken, bevrijden van het monster

uitgeput ontwaken
ik streel het aangemeten kleed
de huid dampt aanvaarding

Gesloopt

naderend vuur, dreungranaten
kraters, rennende moeders, kinderen
droom van doem, van afrekening
weg, weg, redden wie me lief is
maar wachten, verlamd, te laat, het afvoeren

zuigend zand, wegzakken
hoor toch de bonk
van de stap, hij nadert, vooruit pompend stank
schaduw, beest, klauw
zwarte vermorzeling

emmers stront
urenlang over het gebogen hoofd
uitgestort door levenslange liefdes
slaaptranen, dit niet, maar alle peilers moeten om
de laatste weerstand gesloopt

Niet willen zijn

die ene flits van besef
spervuur van bedrading
borst onder hoogspanning
zweet op het voorhoofd
middernachtelijke aandrang

niet willen zijn, niet mee willen maken
wegkruipen in de foetushouding
het hart op hol zoekt de keel
graaien naar een houvast
ik zink weg, moeder, ik zink weg

orde, zus en zo, daarom
maar sterker zijn de handen om de keel
hoofd kapot, uitgepierd
hulpeloos gedachtegoed, overstemd door geraas
sterker de kreet van de verdorde ziel

draaien, denken, woelen, de adem sturen
chaos, bang, geen controle meer, afgesloten vluchtwegen
dan de sluimer van machteloze uitputting
mist, niets zien, toch de voet op het gas houden
de dag knalt binnen

Buigen

ineen gekropen als bange boog
van verloren controle
ik ben mijn brein
en dat is ziek

verdronken in de poel
stinkend water
vol verboden gedachten
wie, wat stuurt nog

draaiend, sissend
vlees dat schroeit
tangen vol volt klemmen
voor altijd willen slapen

ik kan het niet alleen
buigen, wachten, overgave
als vader, als God, help
ik kan het niet, niet nog langer, alleen

Te vroeg

zwarte fleem, lonkend haar eindhalte
vanonder de kap gemonkel
woordloze verleiding
zij haalt wie inhaakt

geur van rotting
stram de tred
groene ogen in lijkwit gezicht
wee, wie met haar oploopt

gebochelde veervrouw
van eenmalige oversteek
gebukt onder de last, zwaar de boodschap
laat mij u, eenzame bode, strelen

weerloos leek de prooi
het leven geweigerd
maar ongewild aanvaardde
de dromende man vreesloos de gift

Ritueel

niet wroeten, laat komen, afblijven
toch was er telkens de flits
van besef, wakker, uitzweten
pus uit de wond
niet gedicht nog

doorbreek ondankbare
deze keten van stuurloze uitputting
maar sterker is de wurggreep van
het falend, zich quasi offerend lam
dat sprong in de val van anders, beter

waken, weten, gebroken, zonder verweer
dwalen met een wijzer die slingert
de donkere nacht biedt enkel koers naar
opnieuw ineen krimpen en bidden
hoeveel bekers nog

nacht na nacht
ritueel van wanhoop en knieval

tot vroege vogels verzachten, God als merel
en hoor ik daar boven het knetteren
moeders vergeten lach

Immuun

vonken bundelen zich tot een straal
die de grauwsluier wegneemt
ik koester de momenten van helder zicht
miniem midwinterlicht

onder de pan vonkt kortsluiting
baaierd van brandend bos
strohalmen, grijs de vlammen
koudvuur grijpt om zich heen

bodem van vertwijfeling
zuigzand voor nog dieper
maar de geschonken vonk door het blinde venster
verbeeldt de ladder naar

ik klim op de tast, gapende gaten, terugval
naar loze frasen, holle rituelen
voorgoed afwezig is de verstorven bewoner
immuun voor verlichting

Steun

broos de halm
houvast, gekregen anker
wiens schoot bergt mij, wiegt
ik lig stil en luister

naar wat onbezwaard
de ochtendstond welkom heet
hemels mooi, nooit afgeleid
door taal, waarom, en toch

tergend langzaam, maar zeker
bezinkt het vuil van verast goed
van smurrie op de lijnen
als een baby aan de borst

niet bij stilstaan, verklaren
het onzegbare sprak een woord,
balsem voor gevallen man,
ik omarm, dankbare aanvaarding

Zelf

daar ligt de man, verwikkeld in
hij probeert, faalt, herpakt, valt terug,
spit met de machteloze spade van begrip
loze inkijkjes in de ziel, nieuwe zwarte gaten

kent hij het woord buigen niet
durf maar, zacht zal het gras zijn waarin je valt
genoeg het hoofd gebroken
klim in elke straal die op je valt

en weet dat ik jou ben
onveranderlijk deel van aanwezigheid
kom hier, zie vanuit deze kamerhoek
jezelf een uitputtende nacht ingaan

kruip in mij, kijk met milde glimlach
naar die denker in cirkels van vrees en chaos
ik ben jouw zelf, kalme schuilplaats
bevrijd die gevangene, verbreek zijn isolement

dek jezelf toe, streel jouw hoofd
ga rusten, treed uit, vertrouw
slaap vol overgave, veilig, huil uit
ik ben het zelf die over je waakt

Ongekende

leugens, valse woorden
zijn U in de mond gelegd
wandelstok voor struikelmens
wie waarheid zaait, oogst nijd

boeken vol doorgronden
van het Ondoorgrondelijke
waar U zweeg sprak de angst
schoffering van gelijkenis

de kansel liet U leeg
onverlicht ons duister
hol en dwaas elk woord
over U gesproken

aanbidden van loos antwoord
moord uit uw denkbeeldige naam
dood verklaard uit redelijkheid
alles buiten U om

maar in het diepst van de nacht
riep ik U in wanhoop aan
als Mogelijkheid
gebed tot het Ongekende

Merel Gods
onzegbaar Uw gezongen wiegend woord
einde nacht, na de overgave
was er Uw zoete vergetelheid

Afgesloten

ineengeklapt tot kern
besef van afgesloten zijn
de wand van deze kille cel
is mijn eigen vel

verzonken het wrak
onder eigen gewicht van hermetisch weten
nog hooguit verbonden
door verroeste klank en gebaar

bij leven afgesneden zijn
niet meer horen bij wat omgeeft
zie de man lopen, hoofd omlaag, bezeerd
hoe graag wil hij opgaan

wereldvreemde verwondering
alles wordt, oneindig veranderlijk
niet open te breken de cocon
van teruggeworpen triestheid

wreed ontwerp van geheel, enkel bestaand
in de verijsde blik van delen
wat wilt U
laat toch samenvloeien deze vermoeide zielen

Ventje

drukkend grijs boven donkere dagen
kop op, zie, speur
maar geen straal hoop bereikt
mijn geloken oog
verduisterd is de blik, ingekeerd

zwaar de last
vrijwillig geladen, oogst van vermetel oordeel
losse draden om het lijf
ontrafeld hemd, door mijn zucht naar kijken
achter de façade

grijp het ongrijpbare
werp de keten af van
weerzin tegen het getoonde
laat komen en sleep niet het leven
als last, uur na uur

ventje, stralend wezeltje
waar ben je
huis je nog, verwaarloosd, verscholen
in een diepe, verdorde plooi
hoe jou te vinden als eenzame verlorene in de woestenij

Lichter

gesloten bladerdak van duister oerbos
ik val, richt mij op
struikel van stam naar stam

zoemend duister, ontspiegelde poel,
ronddolend, op de tast, doodlopen
takkentunnel zonder oplichtend einde

dan, wat kraakt, wie deelt mijn domein
schuifelen daar hordes dode zielen over
diepe lagen humus van geluidloze wanhoop

even vonkt het hart, ik ben niet alleen
zoemen wordt zingen, liederen van troost
delen, meedoen, erbij horen

maar direct weer sluit zich de zwarte muur
van braambos dat nooit vlam zal vatten
een laatste val, blijven liggen in bedzacht gras

zie, tegen dezelfde stam lig jij, even geraakt
ik ruik je, voel je, warme troost van gedeeld zijn
zo kil is daarna de leegte van het opgesloten ontwaken

ik hervat de eindeloze omgang, leven is zoeken
toch laat het loden hart zich lichter slepen
her en der een straal, een vonk, lonkende tonen

Geboorte

op straat, waar niet, wandelde de jas
de mond sprak eigener beweging
ik zorgde als karkas, bekend met de dagmarsen
voor de schijn van aanwezig zijn

zelf scheerde ik langs ravijnen
vrees en moedeloosheid verpulverden de kern
levenslange aanloop, sprong in het duister
hoe de dode ziel te wekken

Merel, steun, buigen, knielen
voorzichtig weer delen, verkassen
naar mijn Zelf, onveranderlijk heelal
met open deuren en oog voor

geboorte door vernietiging
richtingloos ben ik en vol verwondering
mijn oude jas voelt als nieuw
vertedering om de slijtgaten en ontbrekende knopen

Weer thuis

aangetast is het huis, schade en vergankelijkheid
er is pleisterwerk te doen
gammele hut, zo lang stond je leeg
ik bel en doe open, herbetreed schoorvoetend mijn kasteel

het licht kalmpjes ontsteken, de kachel oppoken
verdrijven de kou, vocht verjagen
in de kinderkamer trek ik in, blij
dat de zure, zwarte toekomst achter me ligt

hoe het gaat
ik woon weer thuis

Feestelijke terugkeer

fijn dat je er bent en deelt in de vreugde
vol huis, overal groepen gasten in goed humeur samen
eten, drinken, klinken, schaterlachen
ook de tuin, uitbundig beschenen, geurend, kleurend, is feesttoneel

ik ga rond, praatje met die en met die
allemaal zo lang niet gezien
nee, joh, achter de rug
geen woorden meer aan vuil maken

ik sta op een stoel, omringd door verwachtingsvolle blikken
‘gesteund voel ik me, door handreikingen, verhoord zijn mijn gebeden,
door vader, moeder en de Mogelijkheid, vermomd als merel,
we laten de flessen knallen, proost’

glazen worden geheven, aangetikt, op mij
dat ik terug ben, zo lang gemist
het feest bruist en ik ben het geliefde middelpunt
warmte, wegspoelen, het lek boven

dan springen er diepe gaten in het gazon
blijven opletten, geen nieuwe val, behoedzaam
manoeuvreer ik langs diepe kraters
maar de vreugde alom blijft, niemand ziet het gevaar

Meerstemmig

kapot geslagen vensterglas van anders, beter
blindenbril van ‘en toch’ verloren in het duister
het raam staat open, niet veel zicht meer, geen einder

geven geel en blauw ooit rood
veroorzaakt de graankorrel wind
rollen golven door verlangen achterwaarts

wijzigt de zon koers
zingt een vogel een ander lied
is onze wil wet

niet meer bestormen
de gang van zaken ligt doelloos vast
meerstemmig bezongen, majeur en mineur onlosmakelijk

neerleggen bij, geen somberte
om het zelfverkozen, heilloze gevecht
ontwaken met gebroken geweer

Afgeblazen taal

sissend, fluitend in eindeloze cadans
wissels kent de loc niet, noch stopseinen
voort dendert de moloch
machinisten zijn overgeleverd
passagiers jammeren, een enkeling straalt licht
wereld op zichzelf is de trein
bestemming onbekend

mensen verfoeien de richting
stellen zich een andere aankomst voor
vinden het ongepast dat de wielen vermorzelen
schrijven boeken, verzinnen koerswijzigingen,
strategieën, hokken samen in compartimenten
voeren strijd, hok tegen hok, antwoord tegen antwoord
zien geen landschap

de ruit weerspiegelt alle rennen, tobben
maar ongestoord, vrij het hart, zit ik nu aan het raam
een rijzende zon, vogels die kabaal overstemmen
gezien, gehoord, vredig gewaar worden
de vrouw naast me wil uitstappen
mag ik u helpen, de enige halte is de dood
zit, aanschouw, geef me een hand

voor de oude man in ons hok, de strijd zat,
maak ik het bed op, wurm hem uit de kleren
te lang heb ik gehoord bij de ploeteraars
alle geschriften, programma’s,
tot waarheid gebombardeerde woorden
worden gestookt tot stoom
de loc lacht om de afgeblazen taal

Laat maar komen

sleets, tol van jaren, maar weer bewoonbaar,
een enkel stofnest nog wel en ruiten aan gruzels
na de lange, barre tocht verlangen naar rust
geen klachten, maar ik ben moe, het hoofd in handen

de ogen toe, in afwachting, ai, daar zijn ze weer
doodshoofden en uitpuilende ogen
slangen kruipen uit oren
relikwieën, demonen die zich nog niet gewonnen geven

ingebakken vrees, altijd was er de sneeuwman
haakje, kapstok voor onvrede, hoe ruk ik je uit
en het oog, afgesteld op het vergroten van
van futiel ongemak, laat dat zich uitsteken

diep in mij huist angst
en verslaving aan malheur
wat kan buiten daar aan doen
de wereld liet ik los, maar wie ik ben

niet kijken, moois oproepen, vergeefs
ook binnen is mijn wil geen wet
koning vrees verjagen, stoppen met
mezelf schrik aanjagen, laatste hobbel

laten komen, de lege kassen diep in de ogen kijken
en zie, omkeren doen de schedels en afmarcheren
genoeg zelfbeschadiging, slaaptijd
en daarna bevrijd speelbal zijn

Samen huppelen

glorieus stralend middelpunt
waar omheen ik somber peinzend rondjes liep
nu pas vallen de schellen
buigen is opstaan, sterven verrijzen
van diep kom ik en altijd was je er

opgewekt, levenslustig, wegcijferen, goed doen
hoe ver bleef ik niet achter
een leven lang mocht ik, regenmaker, bij jou schuilen
waar ik het hemd kapot dacht bood jij warmte
niet vragen, onvermoeibaar helpen, maar ik

genoeg had het moeten zijn
jij als goddelijk tegenwicht voor alles
jouw voorbeeld volgen, niet leven in kil, kansloos hoofd
je keek, luisterde, streelde, gunde ook mij
de warmte van het zonder vragen zijn

als ik huil liefste, dan uit liefde
jouw vrolijke fietsbelletje niet meer te horen
dat zo iets moois niet blijft
‘tot straks’ zei je voor de ingreep
als ik ga herhaal ik dat

de Merel zal ik zeggen
dat ik je zo graag wil weerzien
op wil gaan in jouw harmonie
je wuift weg, bet, jongen toch
zullen we het laatste stuk samen huppelen

De ander

voel jij je opgesloten, zonder gezelschap
doe dan open
als ik bel

neem mijn brood aan, geniet van de wijn
gebruik me gerust
als voetveeg

als je zoekt, wankelmoedig je aard
laat mij je leiden
door het donker

wees niet koppig, verloochen je trots
wijs deze vreemde
niet de deur

vraag geen naam, niet waarom
laat je de tederheid
welgevallen

leg af de somberte
jezelf beminnen brengt
geen warmte

gun mij er te zijn voor jou
mag ik oplossen
in jouw ziel

Zonder handen

ver weg lonken
uitbundig groen, ranke gestaltes, zoetgevooisde sirenes
op tafel prijkt
veelbelovend het geschenk in kersenbloesem verpakt
op luisterafstand prediken
mannen vol vuur hun boodschap, hoe het zo ver kwam

de weg leidt
onbarmhartig stoffig, nimmer nader tot de verlokking
onder handen onthult
stilzwijgend de zwarte doos zijn leegte
binnen het gehoor bevechten
volgelingen elkaar, moeders wenen, oogst van het woord

luister toch, jongen
verdoe geen tijd, straks breekt niet aan, altijd wijkt de verte
pak het kostbare niet uit en wantrouw wie spreekt
vind rust op de plaats, buig krachtig voor wat gebeurt

hoor je me, win tijd
onbevredigbaar de begeerte, onverwoestbaar de liefde
die loslaat en geen zelfbevlekking kent
zonder handen ligt alles voor de grijp

Zoete keerzijde

zachtgeel, rijk de aren, majesteitelijk uitbundig wuift het koren
met alle zuchten mee
rondborstig, parmantig, hoog in de boom zingen de vogels
zonder voorwaarden elkaar toe
in alle kleuren groen danken bomen en struiken
woordeloos de zon
wolken formeren zich eenmalig prachtig en nemen de wind
het uiteendrijven niet kwalijk

hier, nu, wandelend ondergedompeld worden
in alle schoons, hoor ik onbedorven getjilp
meemaken
zoete keerzijde van afweten
pad na pad, overgave
hoofd warm, hart vol, verstomd
geen vraag die open rijt
verzonken in heldere afwezigheid, een glimlach

Goed bedoeld

gedoofde vuren, duisternis
zwevende dans, onaanraakbaar
verstorven enkelbandgerinkel
de nacht wacht
koud is het woestijnzand

stilte reinigt, wast weg
ons oorverdovend geraas
donkerte, niet vervuild
spoelt de parade van onvermogen
van het netvlies

liggen, overweldigd
nietig, kleiner dan de kleinste korrel
morgen zal ik verwaaien als het duin
nu verdrink ik in dat bespikkelde gewelf
van sterren, gaten, stelsels en nevels

ik dompel me onder in het almachtige
kalme knieval voor overweldigende pracht
die elke vraag verstomt, dit mogen zien
op eigen kracht, onbedwingbaar, mompelt het hart
‘het is ooit goed bedoeld’

Niet op of om

duizend maal duizend fietsers naderen
duizend maal duizend dagen achtereen
duizend maal duizend pleinen
duizend maal duizend groepen worden gevormd
duizend maal duizend keer wordt gevochten om voorrang
duizend maal duizend tranen worden gehuild

een enkeling schreeuwt iets over eigen koers
en sterft in wanhoop

daar is de naamloze, vandaag drijft hem de oostenwind
moeiteloos over de pleinen
niet op of om kijkt hij, maar zie
de weg opent zich, kalm maar beslist rijdt hij
doelloos rond, beschenen, een bries in de rug
volgers vormen nieuwe groepen van verheven strijd

alleen de gelukkige die het stuur uit handen geeft, kent
duizend maal duizend zonnen vrede

Heb je lief

onherkenbaar, kalm, zacht
tandeloos en rond laat zij zich gadeslaan
ongehaast, lieflijk, haar pas is op de plaats
maar beslist en standvastig is tegelijk haar tred
een traan welt, een zucht, ach hoe lang toch
en zwart waren de omzwervingen

altijd was je daar, kon ik je zien, omarmen
gewoon thuis, dichtbij, op mijn huid
in mijn hart wachtte jij, die
als Gods water alleen stroomt
over de akker die braak ligt
maar ik, zo verbeten was het zoeken

de tassen uitgepakt, nahijgend van alle
gemiste bestemmingen, betweterij en gevechten
blind van woede, verdriet, verpletterd door
hoe, wat, waarom, waarheen en toch
toen pas, toen alles kapot was, uitzichtloos
zag ik jou, tijdloos, de zon recht boven je

alleen als ik niet verlang dat je blijft
nestel jij je in mijn hart
stil en zonder voorwaarden heb je lief
nu, direct, intens, zoet, vredig
toen ik niet meer keek zag ik je,
ik heb je zo lief

Zweef

kalm en onverschillig passeerde
koudvuur tijd
stammen, zwart geblakerd,
nauwelijks nog waarneembaar,
herinneren als verkoold verleden
aan valse totempalen van beter
maakbaar en loze bevrijding

laf en verdoofd danste
ziek van genot
zijn dolende mars van altijd meer
onbewoond bleven de nog niet manshoge
droomhuizen van beter, de hemel bestormende
uitkijkposten naar nieuwe vertes werden niet beklommen
de jas zonder strepen ongedragen bij het vuil

blind en hoogmoedig vloekten
zinnen van vurig zelfbedrog
over handen aan het roer van het
tijdruimteschip, onverstoorbaar op eigen koers,
met de onbeheersbare voldongen gang,
doof voor smeekbedes, onberoerd door de illusie
van stomme taal

zacht en krachtig koester ik
doelloos, onbezwaard
tussen resten as nu de genade voor het verstilde hart
heb morgen gezaaid, ben zichtloos gegaan
het rad voor ogen is uitgedraaid
ik koester als veldvogel mijn schoonheid
en zweef cirkels van overgave

Dit bericht is geplaatst in Hier en nu, Weer thuis. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Jouw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>